Interview

Niks leuren met je manuscript: de uitgever wil jou

Hoe Martine de Jong romancier werd

Niks leuren met je eerste manuscript van de ene uitgever naar de andere: de uitgever vraagt jou! Zo verging het tot haar stomme verbazing Martine de Jong, die hier beschrijft hoe haar debuutroman er kwam.

Martine de Jong Beeld Bianca Pilet

Eind 2012 kreeg ik een mailtje van een acquirerend redacteur: 'Vind je het leuk om een keer koffie te drinken en te praten over een boek?' Ik durfde niet te zeggen dat ik eigenlijk pas twee jaar geleden was begonnen met schrijven. Mijn allereerste stuk ooit was een recensie over tabletten tegen keelontsteking. Met een paar vrienden schreef ik sindsdien de zelf opgerichte website Recensiekoning.nl vol.

Ik vermoedde dat de redacteur een lollig zelfhulpboek voor moeders voor ogen had, of iets anders afschuwelijks waarmee bloggers en actrices terechtkomen op bontgekleurde tafels in de AKO. Maar dat hield me niet tegen om met haar af te spreken: een ingang bij een uitgeverij is een ingang bij een uitgeverij.

Een paar dagen later zat ik achter een bekertje automatencappuccino in een grachtenpand. Ik veegde mijn zweethanden zo onopvallend mogelijk aan mijn broek af, terwijl ik vol ontzag naar de grote namen in de boekenkast achter de redacteur keek. De stukken die ik voor Recensiekoning over Boer zoekt Vrouw schreef bleken haar aandacht te hebben getrokken.

'Zou je een boek willen schrijven?', vroeg ze.

'Dat weet ik niet', zei ik, 'wat voor boek bedoel je precies?' - en ik dacht: ze bedoelt een lollig boek. Zeg dan: lollig boek. Zeg het. Zeg dat je een komisch boek wilt over moeder zijn in de grote stad, waarin de wereld van je verlangt dat je nog net zo knap bent als op je twintigste, terwijl je het liefst met een fles rode wijn in een huispak op de bank zit. Dan kon ik tenminste nee zeggen en weer door met mijn leven.

'Gewoon, een roman', zei ze.

Ik bleef even stil. Ik had er nog nooit aan gedacht. En zij noemde het 'gewoon'. Gewoon een roman.

'Ik weet niet hoe dat moet', zei ik.

'Gewoon beginnen.'

Het gemak waarmee deze vrouw over het schrijven van een boek sprak, was licht verontrustend.

Toch begon ik nog diezelfde middag. Voor het eerst schreef ik fictie: een scène over een jongen en een meisje, in een keuken. Het waren krap achthonderd woorden. In de week daarna herschreef ik de scène keer op keer tot ik me niet meer geneerde als ik het terug las. Een complete roman schrijven leek me het allermoeilijkste wat ik zou kunnen doen en daarmee was het ineens ook het enige wat ik nog wilde. Ik verbaasde me erover dat ik niet meer nodig had gehad dan het advies om 'gewoon te beginnen'.

De eerste scène stuurde ik naar mijn beste vriend - al wel een echte schrijver - en liet hem weten dat ik geen idee had wat ik aan het doen was. Ik hoopte dat hij eerlijk, maar wel voorzichtig zou zijn met zijn kritiek. Hij las het en schreef maar zeven woorden terug: 'Ik wist niet dat je dit kon.'

Tegen de tijd dat ik zo'n dertigduizend woorden had geschreven, die ik zo af en toe deelde met vriend De Schrijver, kreeg ook zijn uitgeverij lucht van mijn inspanningen. Alweer werd ik uitgenodigd voor koffie en alweer zat ik in een grote kamer vol boekenkasten te wachten tot ik ontmaskerd zou worden. Tijdens dit tweede gesprek nam mijn verbazing alleen maar toe: zo snel kan het dus blijkbaar gaan, niks geen gesleep met manuscripten, geen slush piles, geen agenten. Ik dronk koffie in een herenpand aan het Vondelpark, terwijl er alwéér iemand over mijn woorden, mijn letters, mijn spaties en mijn gedachten praatte.

Ik werkte het manuscript verder uit. Als ik zou moeten kiezen tussen de twee uitgeverijen, dan wilde ik er zeker van zijn dat er daadwerkelijk een boek zou liggen dat ook echt een uitgever zou verdienen. Op driekwart van het verhaal stuurde ik beide uitgeverijen het manuscript toe. Mijn enige overweging op dat moment was dat de koffie bij de tweede uitgeverij beter was. Sommige carrières staan of vallen bij het verkeerde koffieapparaat.

Binnen een week kwam er antwoord van de uitgeverij aan het Vondelpark. Het was een mail vol lof, waar elke schrijver vatbaar voor zou zijn, maar ik vond het ook ongemakkelijk en twijfelde of het geen banale poging was tot overhalen. Ik wilde wachten op de andere uitgeverij. Ik gaf ze twee weken, maar al na acht dagen brak ik; als het enthousiasme waarmee de uitgeverij van de goede koffie me probeerde binnen te hengelen ook maar enigszins representatief zou zijn voor hun verdere inzet en begeleiding, zou ik stom zijn om nog te wachten op de andere partij.

Midden op de Van Woustraat keerde ik om en fietste zo snel als ik kon naar het Vondelpark, belde aan en viel naar binnen.

'Ik heb gekozen', zei ik tegen de redacteur, met mijn jas nog aan.

'O jee, kom je net bij die andere uitgever vandaan?'

'Nee, ik kom vragen of jullie aanbod nog staat.'

Mijn debuut had nog een verblijf op een Waddeneiland en een zomer van eenzame opsluiting op de zolder van de uitgeverij nodig voor het af was. Op die zolder schreef ik uiteindelijk een epiloog, ik exporteerde het bestand en stuurde het digitaal twee verdiepingen naar beneden.

Manuscript-Martine-de-Jong-20140626.pdf

'Hierbij versie 1. Verstuurd vanaf jullie eigen zolder. Voor wat het waard is.'

Beeld Podium

Kort daarna belde uitgever Joost Nijsen op. Eerder die dag had hij ook al een e-mail gestuurd, maar daar had ik nog niet op durven reageren. Ik liep naar de kamer waar de was te drogen hing, mijn kinderen keken televisie en ik luisterde naar de stem van de uitgever. Hij maakte zich ernstige zorgen of hij wel duidelijk genoeg was geweest over zijn positieve beoordeling. Dat was een juiste inschatting van hem, want ik had het afgelopen uur vooral de kritische passages zitten lezen en herlezen.

'Wat heb je eigenlijk gestudeerd?', vroeg hij, na een onnatuurlijke reeks geruststellende complimenten.

'Niets', zei ik. 'Ik heb niet gestudeerd.'

'Uit wat voor milieu kom je dan?'

'Niemand uit mijn familie heeft gestudeerd', antwoordde ik, 'mijn vader was politieman.' Alsof je zomaar van de ene op de andere dag een pet en een pistool kreeg.

'Geweldig!', riep hij. 'Ongeschoolde vrouw uit de middenklasse schrijft voortreffelijke debuutroman!'

Hier ging iets mis.

'Ik weet niet of dat nu precies is wat ik wil uitstralen...'

'Wie zijn je grote voorbeelden dan?', ging hij hoopvol verder, op zoek naar nog meer haakjes voor dit imaginaire persbericht uit de hel.

Ik dacht even na. Eigenlijk had ik nooit voorbeelden gehad. Van de boekenlijst op de middelbare school had ik alleen De geluiden van de eerste dag van Anton Koolhaas gelezen. Ik herinner me glashelder hoe ik dat boek in een keer uit las, op een zondagmorgen, terwijl het buiten prachtig weer was. Het was de dag voor het mondeling en ik ontdekte net een paar weken te laat dat ik erg van lezen hield.

Nog in de sfeer van het boek van Koolhaas, maar op van de zenuwen, stond ik in de gang te wachten op mijn mondeling. Die zenuwen verdwenen toen de klasgenoot die naar buiten kwam me vertelde dat hij net had begrepen dat Koolhaas de favoriete schrijver was van de docente. Eenmaal binnen volgde een geanimeerd gesprek over De geluiden van de eerste dag. Ze moet in mijn ogen gezien hebben hoe het licht van de literatuur was aangegaan, want ik kreeg een hoog cijfer en over de andere titels op mijn lijst hebben we het nooit meer gehad.

'Geen echte voorbeelden', zei ik tegen mijn uitgever aan de telefoon.

'Echt niemand?'

Toen dacht ik aan de zomer van 1995. Ik werkte bij de FEBO aan de Van Woustraat en ik kocht van mijn krokettengeld Giph van Giphart. Het weekend erop rende ik weer naar de Bruna aan de overkant en haalde Ik ook van jou en de jaren daarna kocht ik veel van de rest. Maar ook Giphart was niet echt een voorbeeld te noemen, want na de FEBO werd ik grafisch ontwerper, iets dat ik tot vorig jaar ben blijven doen.

Tijdens het schrijven van mijn debuut heb ik veel dingen geleerd over schrijven. Dingen die anderen wellicht ook al hebben gezegd. Dingen die je op cursussen kunt leren, dingen die je van duizend boeken lezen kunt leren, maar uiteindelijk komt het allemaal hier op neer: schrijven is gewoon werk. De enige manier om beter te leren schrijven is nog meer schrijven. De enige manier om een boek te schrijven is dat hele boek te schrijven.

Ook kwam ik erachter dat een goede redacteur onontbeerlijk is. Hoe fijn het is als je redacteur ook van je personages houdt. Het is de enige manier om ze overeind te houden en te beschermen, zelfs als ze vindt dat een van de hoofdpersonen Freek moet heten in plaats van Kader.

Deze maand verscheen mijn debuut De mannen van Raan.

Mensen zeggen dat ik niets moet verwachten. Ze zeggen dat ik nergens op mag rekenen. Ze zeggen dat het pas moeilijk wordt bij de tweede.

Ik verwacht niets.

Stiekem las ik op Twitter hoe twee mensen een date hadden nadat ze in de trein tegenover elkaar hadden gezeten met mijn boek. En ik las dat er iemand is die Raan een mooie naam vindt voor haar baby. En toen ik de folder van de uitgeverij open sloeg, stond mijn boek naast dat van Ronald Giphart. Dat heb ik gevierd met een kroket op de Van Woustraat.

Martine de Jong: De mannen van Raan
Podium; 206 pagina's; euro 17,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.