Nieuwe trend in baksteenland

Hout is in de Nederlandse architectuur al eeuwenlang een onderschat, stiefmoederlijk behandeld materiaal. Sinds kort wint het terrein, en wordt nu eindelijk ook hier trots toegepast, in vol ornaat en zelfs in flamboyante vormen....

Duizenden Snekers waren erbij, in de nacht na 29 november, toen vlakbij hun binnenstad de houten verkeersbrug Akkerwinde werd geplaatst: een spannende operatie die vier lange uren duurde. Eerst had een reusachtige onderlegger het gevaarte van 40 meter lang en 16 meter hoog (450 ton hout) vanaf de montageplaats naar zijn bestemming gebracht. Daar werd het geheel een kwartsslag gedraaid en vervolgens heel voorzichtig, met een speelruimte van slechts enkele centimeters, op de betonnen bruggenhoofden neergevleid. Iedereen haalde opgelucht adem, en Sneek had eindelijk het lang verbeide herkenningsteken waarmee de stad zijn naam als een van de belangrijkste watersteden ter wereld wil markeren. Althans: het eerste deel daarvan, want pas als over een paar jaar iets verderop een tweede, kleinere versie van de brug is neergezet, is dat project echt gereed.

Dat men nu al trots is, is terecht. De brug is unieke houtarchitectuur waarbij robuuste peilers van prachtig roodbruin hout een indrukwekkend vlechtwerk vormen. Het idee stamt van de Friese architect Hans Achterbosch. Toen Sneek in 2005 een prijsvraag uitschreef voor het origineelste en bruikbaarste viaductontwerp, zag hij hier een kans voor houtbouw in. Dat plannetje heeft hij met bevriende vakbroeders van het Groningse bureau Onix verder uitgewerkt. Maar juist bij deze opdracht in Sneek was houttoepassing geen sinecure. Gevraagd werd een verkeersbrug over de A7, in de zwaarste Nederlandse categorie, wat inhoudt dat zes-tons-vrachtwagens er moeten kunnen remmen zonder schade te veroorzaken, en desnoods een hele peiler uit de constructie moeten kunnen rijden zonder dat de brug het begeeft. Dat vergde houten vakwerkliggers van een nog ongekende omvang waarvoor, na veel gezoek, een vorm werd gevonden die Sneek symboliseert: een omgekeerd schip. Gewaagd was het wel, want toen het spectaculaire ontwerp unaniem door de jury werd gekozen, betwijfelden de architecten zelf nog of het wel kon worden gerealiseerd.

Hout is al eeuwenlang in Nederland een onderschat materiaal. Voor kloeke houtarchitectuur in moderne vormen, moest je naar het buitenland. Ver hoef je daarvoor niet de gaan. In houtrijke landen als Zwitserland, Duitsland, Engeland en Scandinavië wordt dit veelzijdige materiaal volop benut, en ook eigentijdse architecten weten het daar pront in zicht, en met gebruikmaking van de nieuwste technische mogelijkheden uit te buiten. In Nederland niet; wij hebben ons ontwikkeld tot een uitgesproken baksteenland en bouwen daarnaast voornamelijk in beton. Niet dat hout helemaal uit de bouw is verdwenen. Dit materiaal heeft eigenschappen die het voor allerlei toepassingen onovertroffen maken. Kapconstructies, dakuitbouwen, trappen, vloeren, deuren en kozijnen – die worden allemaal ook hier nog gewoonlijk uitgevoerd in hout. Als licht, makkelijk vervoerbaar, eenvoudig hanteerbaar en relatief goedkoop materiaal bleef het ook in trek bij bescheiden bouwers: restauratie- en plattelandsarchitecten, kleine aannemers en boeren. Ook beroemde architecten, zelfs van het moderne slag, maakten wel degelijk juweeltjes in houtbouw. Grootmeesters van de Amsterdamse Schoolarchitectuur zoals Michel de Klerk en G.F. la Croix gebruikten volop hout om gevels mee te decoreren. Gerrit Rietveld bouwde een wonderschoon houten zomerhuis op een eiland in de Loosdrechter plassen (1941), toen geen ander materiaal voorhanden was. J.J.P. Oud maakte in de rabiate beginperiode van De Stijl een bouwkeet die wel een driedimensionaal schilderij van Mondriaan werd genoemd; zo’n houten niemendalletje gaf hem daar de vrijheid toe. En zelfs in de jaren zestig, toen het stoere staal en bruut beton een ongekende expansie beleefden, gaf Abe Bonnema zijn eigen, superstrakke woonhuis in Hurdegaryp gevels van Canadees cederhout, omdat dit onderhoudsvrij is en zo schitterend vergrijst.

Nieuw in de huidige trend, is dat hout zijn dienstbare, bescheiden rol in Nederland begint te ontstijgen. Het wordt ook hier nu trots, gezichtsbepalend ingezet, als volwaardig medespeler in het rijke scala bouwmaterialen. Terecht, want bouwen met hout is al lang niet meer slechts het timmermanswerk waarmee het meestal wordt geassocieerd; er is een zeer hoogwaardige houtbouwtechnologie ontstaan. Essentieel was al de uitvinding van gelamineerd hout, waarbij smalle houten delen worden verlijmd tot een nieuw geheel. De eerste toepassing dateert van eind 19de eeuw, maar sindsdien is de techniek voortdurend vervolmaakt. Wat hierdoor mogelijk is, valt niet te overschatten. Dankzij zo’n opbouw uit kleine onderdelen kwamen houtelementen beschikbaar die veel dikker, langer, stijver en sterker zijn dan planken en zelfs bomen. Zo worden ze vaak toegepast bij sporthallen en congreszalen, waarbij houten liggers soms wel honderden meters overspannen. Ook kromme vormen kunnen worden gemaakt, zelfs dubbel gekromde zoals de peilers in Sneek, al vraagt dat laatste uitzonderlijk vakmanschap en ondersteuning door computers.

Een recente uitvinding is het zogeheten kruisgewijs gelamineerde hout ofwel cross laminated timber (CLT). Hierbij worden brede planken kruiselings verlijmd, waardoor wandelementen ontstaan die als dragende muren kunnen dienen. Deze vindingen maken een zeldzaam snelle, schone, droge bouwmethode mogelijk. Alle gelamineerde elementen worden namelijk in een fabriek op maat gemaakt, waarna op de bouwplaats slechts een bouwpakket in elkaar hoeft te worden gezet. Pieter Wijnen in Faro maakt er zijn klimaatneutrale woonhuizen op IJburg mee, Korteknie Schuhmacher gebruikten het voor hun hartverwarmende theater De Kamers in Apeldoorn Vathorst, en Search wist hiermee de verbouwing van een boerderij tot woonhuis in Wolzak tot een geweldig ruimtelijk avontuur te maken. Extra voordelen: het aaibare karakter van hout en de prettige invloed die dit materiaal op een binnenklimaat heeft, zijn blijvend te ervaren.

Een belangrijk kenmerk van de nieuwe houtarchitectuur valt nauwelijks op: het betere samenspel met andere materialen. Zo waren verbindingen tussen hout ooit voornamelijk van hout, maar juist met staal is het nu mogelijk per situatie de slimste, sterkste en vooral ook mooiste verbindingselementen te ontwerpen. Wel worden die door architecten liefst onzichtbaar weggewerkt in het hout – een kunststuk op zichzelf.

Het voorzichtige begin van houtgebruik is vaak de toepassing van hout bij gevels of terrassen; daar kan het inderdaad, naast baksteen of beton, veel levendigheid en warmte brengen. Het mooie is: het aantal soorten hout dat hiervoor ter beschikking staat, wordt almaar groter. Zo’n twintig jaar geleden was er voor gevels alleen cederhout. Dat kreeg een slechte naam omdat het zo ongelijkmatig vergrijsde – wat niet aan het hout lag maar aan de onervarenheid waarmee het werd toegepast. Tegenwoordig zijn voor houten gevels en terrassen tientallen houtsoorten beschikbaar, met elk hun eigen specifieke tekening en eigenschappen. Vaak is dat (tropisch) hardhout omdat dit, zelfs onbehandeld, vrijwel onaangetast blijft in ons klimaat. Het gebruik ervan is niet onomstreden; nog steeds vrezen velen voor de regenwouden. Toch kan verantwoorde houtwinning juist die bossen helpen sparen: die houden dan economische waarde. De huidige soortenrijkdom van het architectonische hout is feitelijk juist te danken aan duurzaam bosbeheer: het bos ‘dicteert’ dan welke houtsoort wordt gekapt.

Ook zachthout wordt steeds vaker toegepast, zoals larikshout en vuren. Vooral hier wreekt zich echter dat houttoepassing in de Nederlandse architectuuropleidingen nauwelijks wordt onderwezen. Het blijft belangrijk dat hout niet nat wordt of tenminste de kans krijgt steeds weer goed te drogen; wetmatigheden die lekdorpels, poeren, afdakjes en overstekken tot gekoesterde tradities in de houtbouw maakten. Bij timmerlui is dat algemeen bekend, bij architecten niet. De eerste bureaus die weer volop voor hout kozen, ervoeren dat. Toen Onix in 1996, geïnspireerd door de prachtige regionale bouwkunst, in het Drentse Laren zijn eerst spraakmakende houtbouw realiseerde – een strakke variatie op een regionale schuur die als bijgebouw bij een woning diende – was het de plaatselijke aannemer die hen de kneepjes van het houtdetailleren leerde. Iets dergelijks gold voor het Amsterdamse bureau Rooijakkers en Tomesen dat in Hilversum een van de strakste vormen van houtbouw ontwierp: een paviljoen waarbij de larikshouten spanten tevens als kozijnen dienen, en (tegen wanden) als dragers van houten boekenplanken. De kennis die de architecten op dit idee bracht, werd niet in Nederland opgedaan maar in Japan, waar Tomesen ooit een stage volgde en een bijbaan in de bouwvak had.

Als Nederlandse architecten zich eenmaal aan houtontwerpen wagen, raken ze er verkikkerd op. En al doende wordt steeds meer gedurfd. Dat blijkt bij Sander Giesen uit Doetinchem, een ervaren en ambachtelijk houtarchitect, die vorig jaar de Achterhoekse architectuurprijs won met een fraaie beeldenkas in Gaanderen (2007). De puurheid van dat bouwwerk is haast niet te overtreffen: deze bestaat slechts uit een houten draagstructuur onder een glazen huid die dat hout beschermt. Maar voor zijn recentste ontwerp, een eigen woning in Doetinchem, koos hij ronduit voor ruimtelijk avontuur, met een zwevende vloer en grote dakoverstekken.

Wie goed zoekt, kan meer spektakel vinden. Ga bijvoorbeeld naar Maastricht, waar vijftien meter hoge, superranke parasolkolommen van gelamineerd vurenhout zijn toegepast. Dit ontwerp van de Luikse architect Bruno Albert geeft, zeker in combinatie met de roodbruine gevels van de naaldhoutsoort oregon pine, de winkelpassage Mosae Forum een geweldige allure. Een prachtig voorbeeld van houtbouw is ook het gloednieuwe Natuurbelevingscentrum in Almere-Oostvaarders (Drost + Van Veen architecten). De ingangspartij is smal en hoog, gericht op de toegangsweg, en vormt daar een baken. Daarachter waaieren vier dragende CLT muren uit, waardoor het gebouw aan de achterkant een brede uitzichtpost over het water vormt. Het echte mirakel bevindt zich aan de achterzijde waar de eerste verdieping ruim acht meter uitkraagt zodat hij boven het water hangt, goed voor een geweldige, panoramische ervaring. Hiervoor werden dragende CLT-wanden zo dik gedimensioneerd dat zij de liggers vormen die deze uitkraging mogelijk maken. Daarnaast is, enkel voor de architectonische spanning, een aantal wanden uit het lood geplaatst.

Zelfs verdiepingbouw komt eindelijk voor (iets wat Japan al duizend jaar kan), met als dapperste poging het Malmö Hus in Almere-Buiten van architect Tjitte Tigchelaar. Afgelopen september kwam het in gebruik, vijf bouwlagen met 56 woningen en bedrijfsruimten voor starters. Het is helemaal in houtbouw uitgevoerd, op de bergingen en begane grond na waarvoor Almere, vanwege brandveiligheidseisen, op het laatst het gebruik van kalkzandsteen en beton verplichtte. Waarmee dit de plek is om een hardnekkig vooroordeel over hout te ontzenuwen, namelijk dat het zo brandbaar is. Natuurlijk, hout kan branden maar of dat gevaarlijk is, hangt van veel factoren af. De vroegere stadsbranden waren voornamelijk zo destructief doordat het vuur ongeremd om zich heen kon grijpen, en elk huis als open schoorsteen werkte. In de huidige houtbouw wordt met brandscheidende wanden gewerkt en profiteert men juist van de gunstige manier waarop hout zich bij brand gedraagt. Waar staal bij hitte snel ineenzijgt, branden houten kolommen gelijkmatig in en houden zich lang staande.

Geen van deze bijzondere houtbouwprojecten was mogelijk geweest zonder de nieuwste technieken. Maar wellicht het alleraardigste van al die houttoepassingen is hoezeer het afhangt van begeesterde personen. Hout is nu eenmaal het meest veelkoppig materiaal: geen houtsoort, zelfs geen boom is aan een ander gelijk – waardoor dit materiaal in alle verwerkingsfasen vraagt om persoonlijke inzet.

Hoezeer dat doorwerkt in elk facet van een gebouw, en hoe alle facetten onderling samenhangen, valt toch het beste uit te leggen aan de Akkerwindebrug van Sneek. Het duurde een tijd, en kostte hoofdbrekens van velen, voordat die daadwerkelijk kon worden gerealiseerd. Zo droeg houtconstructeur Emiel Lüning de houtsoort aan. Dat was een groot probleem want het in brug- en waterbouw gebruikelijke hardhout was niet mogelijk bij deze architectonische vorm: te kostbaar, te zwaar en vooral ook te stijf. Lüning suggereerde toen accoyahout, een goedkope, snelgroeiende houtsoort uit Nieuw-Zeelandse bossen. Dat hout kon trouwens nog alleen maar worden toegepast dankzij een milieuvriendelijk procédé (acetyleren) dat pas sinds kort op deze schaal kan worden toegepast en waarmee juist deze houtsoort, met zijn grote poriën, bij uitstek rotvrij kan worden gemaakt.

De grootste klus was vervolgens het maken van de dubbelgebogen gelamineerde spanten, tot 20 lengte, bij een dikte van 1 x 1 meter. De Duitse firma Schaffitsel (in Schwäbische Hall) heeft dit reuzenkarwei geklaard. En deze ervaren houtbouwers schrokken ook niet terug voor handwerk, om hun prijs te drukken. Toen in de eenmaal kant en klare liggers nog gaten moesten worden geboord om het staal mooi weg te werken, durfden zij het aan hiervoor handbestuurde machines te gebruiken. De peperdure machine waardoor dergelijke gevoelige klussen tegenwoordig computergestuurd worden verricht, kon zo worden vermeden en de kosten (3,7 miljoen euro) bleven keurig binnen de gemaakte afspraak.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.