NIEUWE TENORHELDEN GEVRAAGD

Het concert van Sonny Rollins (78), maandag in Amsterdam, was lang tevoren uitverkocht. Logisch, want als Rollins er niet meer is, waar moet je dan heen voor een echte heavy tenor?...

Elk instrument heeft wel zijn eigen festival. Er zijn trompetmeetings, drumbijeenkomsten, accordeonfestijnen en mondharpverzamelplaatsen. Alleen de tenorsaxofoon, één van de meest gangbare instrumenten, daar is niks voor. Dat is ook niet nodig. De jazz, dat is één groot tenorsaxfestival. Wie aan jazz denkt, denkt aan saxofoon.

Zwoel, donkerbruin, in het register van de menselijke stem? Bingo, een tenor. Gierend, scheurend en opgefokt? Weer raak, want dat zit ook op een tenor. Juist omdat de expressiemogelijkheden van het instrument zo groot zijn, wordt het in de van oudsher op individuele zeggingskracht gerichte jazz zo veel gebruikt. Daarbuiten kom je het relatief weinig tegen. De tenor is hét instrument van de jazz. Jazz is dé muziek voor tenorsax.

Zo was het tenminste.

Maandag speelt Sonny Rollins in het Concertgebouw. Hij is een van de allerkrachtigste en origineelste tenoren en hij is 78. Het is zo’n concert waarvan menig liefhebber vindt dat hij er verplicht heen moet. Niet alleen omdat Rollins nog steeds waanzinnig speelt, maar ook omdat het wel eens de laatste kans zou kunnen zijn hem in levende lijve te zien. En als Rollins er niet meer is, waar moet je dan heen voor een echte heavy tenor?

Het is een vraag die leidt tot een onheilspellende stilte. Tja, je kunt gaan luisteren naar andere oude helden die nog leven, zoals Johnny Griffin, Archie Shepp, Von Freeman en Benny Golson. Maar los van het feit dat hun creativiteit de laatste jaren van een andere orde is dan die van Rollins, kunnen ook deze oude heren het gat niet vullen. Wat we nodig hebben zijn jonge helden. Blazers die met karakter en overtuigingskracht de leidende rol van de tenorsax in de jazz weten te behouden. Die zijn er opvallend weinig.

Tenoristen zijn er genoeg. De conservatoria over de hele wereld zitten er vol mee en er komen bergen cd’s uit. Ze lijken alleen zo verschrikkelijk op elkaar. Een hardcore jazz-nerd zal misschien het verschil horen tussen in de jaren negentig tot wasdom gekomen talenten als Chris Cheek en Rick Margitza, maar als doorsnee luisteraar hoor je in de eerste plaats twee keer een saxofoon en pas na lang bestuderen een verschil in persoonlijkheid.

Zelfs de meest prominente Amerikaanse tenoren van dit moment lijken veel meer op elkaar dan die van vroeger. De jaren veertig en vijftig, waarin de tenor als relatief nieuw instrument een brutale rol vervulde, lijken steeds verder weg.

Hetzelfde probleem doet zich voor in Nederland. Jonge jazzmuzikanten die er de laatste tijd uit springen: het zijn altsaxofonisten, drummers, bassisten, pianisten en trompettisten. Geen tenorsaxofonisten. Onder de finalisten van de diverse talentenjachten zijn nauwelijks tenoren te vinden. Terwijl Nederland voorheen een echt tenorenland was. In de diverse jazzgenres kon je meerdere belangrijke spelers aanwijzen. Blazers als Willem Breuker, Hans Dulfer, Ferdinand Povel, Bertus Borgers en Sean Bergin treden allemaal nog op, maar ze zijn de jongsten niet meer en nieuwe aanwas is er nauwelijks.

De pas verschenen cd-box The Story of Saxophone Jazz, die het tijdperk bestrijkt van 1923 tot 1956, illustreert op een magnifieke manier hoe anders het er een halve eeuw geleden aan toe ging. Wat klonken al die tenorsaxofonisten toen verschillend. En wat een eigenzinnigheid spreidden ze ten toon in hun notenkeuze, zelfs al waren ze nog piepjong. Pioniers Coleman Hawkins en Lester Young verschilden van elkaar als dag en nacht. Een leek zal weinig moeite hebben Ben Webster en Stan Getz van elkaar te onderscheiden en ook mindere beroemdheden als Gene Sedric en Bob Cooper kenmerkten zich door hun eigen geluid.

De ware heldentenor is niet noodzakelijk een genie of vernieuwer. Hij benut het scala aan klankmogelijkheden van zijn instrument optimaal om zijn eigen sound te creëren. Die kan dik, hard en rauw zijn, maar evengoed vederlicht en teder. Zolang de speler maar de baas is over zijn instrument en niet andersom.

Daar ligt het verschil tussen toen en nu. Wie in de economisch schrale jaren dertig, veertig en vijftig werk wilde hebben als saxofonist, kon maar beter zorgen dat hij origineel en urgent klonk. Als je net zo speelde als iemand anders, dan huurden ze die ander wel. Hoewel musici zich door elkaar lieten beïnvloeden, zochten de meesten naar iets van zichzelf. Men cultiveerde zijn beperkingen en eigenaardigheden. Een legendarisch bandleider als Duke Ellington hield bij het schrijven rekening met de specifieke eigenschappen van zijn solisten. Daar had diens orkest zijn unieke klank aan te danken.

Nu heb je als saxofonist veel werk als je niet teveel opvalt. Zo wordt er op de meeste conservatoria in elk geval over gedacht. Het hebben van een algemeen saxofoongeluid maakt je uitermate geschikt om in begeleidingsorkesten te spelen. En daar zijn de conservatoria in eerste instantie voor opgericht: om remplaçanten op te leiden voor radio-orkesten. Nu die er nauwelijks meer zijn en zelfs het vermaarde Metropole Orkest vecht voor zijn bestaan, is een dergelijke carrière voor de meeste musici niet haalbaar. Dus geven ze les. Op conservatoria. In de standaardesthetiek die ze zelf hebben geleerd. Zo houdt een kring van doorsnee musici zichzelf in stand. Het is niet zo gek dat jazz bij sommigen bekend staat als saai en suf. Dat is het vaak ook.

Is het echt zo’n treurnis in de jazz? Gelukkig niet. Het gaat steeds beter juist, met name in Europa. Een groeiende groep jonge muzikanten ontworstelt zich aan de vicieuze cirkel van de middelmaat en speelt jazz met een eigenwijze rock ‘n’ roll-attitude. Alleen de tenoren, die blijven achter.

Zoals alles in de maatschappij is ook het tenorspel steeds sneller, strakker en geavanceerder geworden. Die ontwikkeling gaat grofweg van legende John Coltrane naar de onlangs overleden Michael Brecker en de nu 36-jarige Chris Potter. Op een altsax kun je straffeloos supervirtuoos spelen, de klank blijft ongeveer gelijk. Maar bij een tenor gaat veel eerder de nuance van de toon verloren. Je kunt er als muzikant minder ‘in leggen’. Moderne mondstukken en saxofoons maken het mogelijk zuivere grote sprongen te maken die vroeger lastig waren. Maar ze leveren ook een vlakker geluid op.

Coltrane, Brecker en Potter zijn de meest geïmiteerde saxofonisten onder jonge musici. Omdat techniek zo’n belangrijk onderdeel is van hun spel is het door hard studeren mogelijk vrij dicht bij ze in de buurt te komen. Sonny Rollins wordt zelden geïmiteerd. Bij hem zijn klankkleur, intonatie en timing te belangrijk en te persoonlijk.

Toch kan een mislukte Rollins-imitatie veel interessanter zijn dan een bijna gelukte Brecker-act. Want Potter en Brecker mogen techniekbeesten zijn, ze leggen wel degelijk persoonlijkheid in hun toon. Dat is wat ze zo steengoed en bijzonder maakt. Wie bij de techniek blijft steken klinkt al gauw hol.

Is het doek dan bijna gevallen voor de heldentenor in de jazz? Nee. De huidige trend van gelijkmatigheid moet binnenkort wel omkeren. Er zijn nu zoveel tenoristen die op elkaar lijken dat het straks weer gaat lonen om je kop boven het maaiveld uit te steken. Wie weet staat er nu ergens in Azië, Afrika of Latijns-Amerika iemand in lege kroegen op een krankzinnige en ongehoorde manier saxofoon te spelen. Zo is Sonny Rollins ook begonnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden