Nieuwe mensen, nieuwe kunst

De econoom en beeldend kunstenaar Hans Abbing vindt dat de wereld van de klassieke muziek een denkomslag moet maken. Door..

Binnenkort is het gedaan met de Opera. Onze symfonieorkesten zullen verdwijnen. Ensembles mogen meteen inpakken. Wie wil weten wat er nog aan te doen is – noodzakelijk is het wonder van een universele ‘denkomslag’ – moet te rade gaan bij Hans Abbing en zijn boek Van hoge naar nieuwe kunst. Als de bliksem, want het bezoek aan ‘hoge kunst’, vooral het klassieke orkestconcert, holt achteruit, stelt de econoom Abbing.

Zijn mene tekel is een OCW-rapport waarin staat dat het bezoek aan gesubsidieerde orkestconcerten tussen 1997 en 2005 met 28 procent is afgenomen. Dat in die periode ook het aantal orkestconcerten met 25 procent afnam, en enkele orkesten tot fusie werden gebracht, verzwijgt Abbing. Zijn boodschap is: nog even, en er komt niemand meer.

De reden is duidelijk. De ‘sfeer’ deugt niet. Volgens Abbing is die bij klassieke concerten en voorstellingen bijna overal hetzelfde. ‘Ingehouden.’ Het publiek is ‘passief’. De kunst staat ‘op een voetstuk’. De muziek vereist ‘concentratie’ en een ‘bijzondere omgeving’.

Funest, vanzelfsprekend. Abbing, tevens beeldend kunstenaar, fotograaf en gasthoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, besteedt er toch nog honderd pagina’s aan, voor hij met een verlossend woord op de proppen komt: de remedie ligt allereerst in een opheffing of decimering van de subsidies. Ook donaties belemmeren de vooruitgang.

En de vooruitgang zelf? Die zal, denkt Abbing, te vinden zijn in in- en uitloopconcerten, waar je tijdens Beethoven kunt praten. Klassieke muziek zal in de regel door ‘fanatieke amateurs’ ten gehore worden gebracht, net als in de popmuziek. Dj’s kunnen er symfoniefragmenten bij mixen. Inhaken op bestaande voorbeelden kan ook: te beginnen bij André Rieu, of de gelegenheidscombinatie Berliner Philharmoniker/Udo Jürgens. Liefst met video. De Cecilia Bartoli’s van de zeer nabije toekomst zullen optreden met orkest op tape. Zij zullen geheel terecht zichzelf profileren, in plaats van hun ‘dode componisten’.

Voor opera, ‘hoge’ althans, gaat men naar Parijs of New York, en voor dat kaartje hebben ‘burgers’ veel geld over. Zij mogen nog wat doorgaan met anderen tot stilte te manen, en zullen geen deel hebben aan de ‘nieuwe tijden, nieuwe mensen, nieuwe kunst’ die volgens prof. Abbing nu al zichtbaar zijn.

Kan iemand zeggen waar deze Amsterdamse gasthoogleraar eigenlijk hoogleraar in is? Zelf meldt Abbing: in de kunstsociologie. Maar of Abbing daar ook baanbrekend onderzoek in heeft verricht, maakt zijn studie Van hoge naar nieuwe kunst niet duidelijk.

Wel, dat hij graag anderen citeert die ook een hekel hebben aan stilzitten tijdens een concert. Daarnaast put Abbing graag uit persoonlijke ervaringen. Hij heeft, schrijft hij, wel eens een zestienjarige meegenomen naar Vredenburg. De jongen vond Brahms oké, maar het publiek bestond uit ‘neppers’. Een vijftigjarige werd door Abbing meegenomen naar een technoconcert. De vijftigjarige hoorde ‘kabaal’ en stond in tien minuten weer buiten. Tot zover de empirische praktijk van Abbings kunstsociologische leerstoel.

Zelf is de hooggeleerde (62) een voorbeeldige cultuuromnivoor, en vooral erg hip. Zo vindt hij het niet vervelend op de schouders te worden getikt als hij wild staat te dansen bij dance-concerten. Dat is geven en nemen. In de popcultuur is de consumptiewijze immers ‘informeel’. Het publiek ‘participeert’ en ‘communiceert’. Toch zit ook de klassieke grammatica Abbing ‘in de botten’. Tot zijn zestiende speelde hij blokfluit. Onder de douche luisterde hij naar Vivaldi.

Alleen: waar ging het mis tussen Abbing en Abbings ‘hoge’ muziekkunst? Hij laat doorschemeren dat hij het krampachtige fatsoen van de jaren vijftig (naar zijn idee voortlevend in ‘deftige’ concertzaalmores) verafschuwt. Ook gewaagt hij van een vader die stilte eiste als er naar ariaplaten werd geluisterd. Verder viel er iets niet goed, toen Abbing eens tijdens een klassiek concert een tekening zat te maken.

Hoe dat zij, het heeft geleid tot proza waarin luisterattitudes worden verward met ‘sfeer’. Een sfeer, die door Abbing categorisch wordt verketterd als een relict van autoritair burgerdom en ‘paternalisme’. Luisteren? ‘Uitsluiting’ is hier doel en resultaat, meent Abbing. Vooral van ‘jongeren’, die hij beter dan wie ook begrijpt. Zijn ‘nieuwe kunst’ is intussen geen nieuwe kunst. Stravinsky en Ravel zeggen Abbing kennelijk niets, evenmin als Adams en Andriessen.

Dat het in de muziektheaters zindert, en het Concertgebouw regelmatig bij van alles en nog wat op z’n kop staat, is aan de onderzoeker Abbing voorbijgegaan. Hij signaleert ‘monocultuur’. Dit, tegenover ‘veel keuze’ in de popmuziek. Dat ook in de pop hoge kunst zit, dat er in popzalen zelfs bezoekers zijn die zich ergeren aan gepraat en bargedruis, wil er bij Abbing niet in.

Met kunst bedoelt hij ook geen kunst maar beleving: voor Abbing kan Mozart ‘hoog’ zijn bij geconcentreerd luisteren, en ‘nieuw’ tijdens de afwas. Bij die nieuwe kunst hoort een nieuwe mens, vermoedelijk geschapen naar Abbings eigen, voortreffelijke evenbeeld: het is ‘de kunstenaar die parttime een ander beroep uitoefent’.

Het model-werkgedrag ligt er al: zocht Abbing vroeger in de trein altijd een stiltecoupé voor zijn werk, nu zit hij rustig een paar uur te werken in de rumoerige koffiebar CoffeeCompany. Het verschil is wel – misschien heeft Abbing het gemerkt – dat een koffiebar hem niet van A naar B brengt.

Dat het concertbezoek over de hele linie geleidelijk afneemt, is een veeg teken. Er valt veel te zeggen over orkesten en hun weg naar de toekomst. Maar of deze onderzoeker er het verkeer bij moet regelen, is de vraag.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden