Recensie Rembrandt-tentoonstellingen

Nieuwe inzichten in het Rembrandtjaar: de schilder kon niet álles

Drie exposities, in het Rijksmuseum (vier sterren), het Rembrandthuis (vier sterren) en het Mauritshuis (drie sterren).

Zelfportret met pet (1632). Beeld Rijksmuseum

Rijksmuseum: Alle Rembrandts 

Oog in oog met Rembrandt. Zijn haar zit wild. Zijn blik is vastberaden. Dit is mijn gezicht, lijkt de jonge schilder te zeggen, en u doet er goed aan het te onthouden. O, jeugdige onverschrokkenheid.

Het geëtste zelfportret op pasfotoformaat hangt  te midden van 32 andere zelfportretten – veel etsen, een enkel schilderij. Ze tonen de kunstenaar in al zijn personae: chic als de sultan van Bagdad of armoedig als een bedelaar; ‘Asjemenou’ zeggend als Loekie de Leeuw of ‘Gna, gna, gna’ grinnikend als een Disney-schurk; fronsend, lachend, grimassend en verbazing voorwendend, met trekken die steeds net weer anders zijn, en een neus die lijkt te groeien en krimpen. Deze zelfportretten zijn niet de selfies van de 17de eeuw. Ze doen denken aan een jonge komiek die gezichten uitprobeert voor de spiegel. Niet ijdelheid, maar nieuwsgierigheid was de drijfveer. Nieuwsgierigheid: Rembrandts bepalende karaktertrek, hier en elders.

De titel verdient een disclaimer. Alle Rembrandts slaat niet op alle Rembrandts van de wereld en ook niet op alle Rembrandts van Nederland of Amsterdam. Wel: alle Rembrandts van het Rijksmuseum. Ik voelde kort de aanvechting om ‘slechts alle Rembrandts van het Rijksmuseum’ te schrijven, maar dat slaat nergens op: het gaat nog altijd om 22 schilderijen, zestig tekeningen en driehonderd etsen; hoeveel kunstwerken dat in totaal zijn mag u zelf uitrekenen, het is een complete Philips-vleugel vol. Ze hangen in een fraaie presentatie (van ontwerper Irma Boom), tegen koningsblauwe muren, concentrisch geordend: na Rembrandts hoofd volgen afbeeldingen van zijn ouders, zijn gezin, zijn buurt, de omgeving van zijn stad en zijn klanten- en kennissenkring, eindigend met zijn fantasie. Het gewicht varieert van erkend meesterstuk tot vingeroefening. Het is het kaf en het koren.

Het verandert je beeld van Rembrandt, zij het slechts licht. Hij wordt iets minder schilder en iets meer etser en tekenaar. Nu weet iedereen wel dat Rembrandt zich in die laatste media niet onbetuigd liet, maar in overzichten voelt z’n werk op papier vaak toch als een supplement bij de schilderijen. Hier hebben pen en naald de overhand en dat brengt de schalen in balans, laat ze misschien zelfs doorslaan naar Rembrandt-de-graveur. Meesterlijke etsen als De drie bomen of De predikende Christus doen tenminste geenszins onder voor, zeg, Het Joodse bruidje.

De tentoonstelling geeft ons ook een meer benaderbare Rembrandt; genie én mens, leermeester, echtgenoot, vader, kind. Een portret van een oude vrouw heet hier Rembrandts moeder; een vrouw bij het raam: Saskia. Men probeert de geest in de lamp te stoppen en de lamp op een sokkel te plaatsen met een bordje erbij: DIT IS EEN DOODNORMALE LAMP, HIER VALT NIKS TE WRIJVEN. Maar diep in m’n hart kan het me niets schelen. Ik ben een Rembrandt-man. Ik geniet van z’n werk, ongeacht onder welke vlag men het presenteert. Had het Rijksmuseum zijn werk getoond op de toiletten, ik was er nog steeds voor teruggekomen.

Lachend zelfportret (1630). Beeld Rijksmuseum

Na de zelfportretten gaan we met Rembrandt naar buiten. We zien hem in de weer als stadstekenaar avant la lettre, volgen hoe hij z’n buurtgenoten vereeuwigde, de pannekoekenbaksters en oude lui, alsook de omgeving van Amsterdam: velden, molens, afbraakpandjes. Zeggen dat Rembrandt een scherp oog had is een dooddoener debiteren. Hij had een klievend oog. Hij zag de wereld achter de wereld: hoe lichamen in elkaar steken, hoe ze bewegen, hoe ze zich tot elkaar verhouden en, belangrijker: hij herschiep het allemaal met schwung, in fellere kleuren. Zijn gevoel voor schaal en verhouding lieten hem nooit in de steek.

Deze studies kun je zien als de basis voor Rembrandts bijbelstukken, waaruit het tweede deel van de expositie bestaat. Zijn voorkeur ging uit naar verhalen over mensen die op de proef worden gesteld, waarbij pijn, ongemak of naderend onheil vaak de boventoon voeren: Abraham die op het punt staat Isaak de keel door te snijden; Susanna die bepoteld wordt door die eeuwig hitsige ouderlingen. Vincent van Gogh zei dat er iets van de Bijbel in Rembrandt zit en iets van Rembrandt in de Bijbel, en inderdaad: er zit iets oudtestamentisch in zijn kunst, iets levendigs en burlesks en kleurrijks. Ze is pretentieloos. Engelen eten er gezellig mee. De heilige Hiëronymus draagt er een leesbril. Rembrandt wist het heilige profaan te maken, en andersom. Hoe kreeg-ie dat voor elkaar?

We hebben allemaal gehoord van method acting. Rembrandt beheerste de kunst van method drawing: hij had een intuïtief gevoel waar het dramatisch potentieel van een fragment zat en hoe dat aanschouwelijk te maken. Kijk mee naar Simson en Delila, over de Israëlitische houwdegen die in de val wordt gelokt door de Filistijnse prostituee. De meeste schilders die zich eraan waagden concentreren zich op Simson en zijn postcoïtale hazenslaapje. Rembrandt niet. Hij is vooral geboeid door de soldaat die is opgezadeld met de weinig aanlokkelijke taak de bruut van zijn goddelijke lokken te ontdoen. Hoe voelde die man zich? (Antwoord: bang.) Hoe bewoog hij zich? (Omzichtig.) En dus schildert Rembrandt hem zo, op kousenvoeten, niets dan concentratie. Men vermoedt dat hij dit soort taferelen met zijn vrienden naspeelde voor hij ze schilderde.

Rembrandt van Rijn: Simson en Delila (ca. 1626-1630). Beeld Rijksmuseum Amsterdam

Er is hier één blinde vlek: Jezus. Rembrandt lijkt niet goed te weten wat-ie met de mensenzoon aanmoet. Zijn dode Jezussen zijn z’n meest memorabele Jezussen. De levende varianten hebben vaak iets flets. Was Jezus een te abstracte figuur voor Rembrandt? Het lijkt erop. De schilder lijkt minder geïnteresseerd in Jezus-het-personage dan in Jezus-de-katalysator: niet ’s mans metafysische betekenis, maar de reacties die hij losmaakte bij het publiek (extase, verbazing, scepsis) prikkelden z’n verbeelding. Het zegt iets over Rembrandts relatie tot religie: ze moest zich verhouden tot de doorleefde werkelijkheid, of ze verhield zich helegaar niet.

Doorleefder dan Zelfportret als de apostel Paulus wordt het niet. Het is Rembrandts enige vertolking als een bijbelse figuur. De opgetrokken wenkbrauwen en het gerimpelde voorhoofd wijzen op berusting. Vier keer gevangen zitten en dan je kop eraf laten hakken: het leven geeft en het leven neemt. Rembrandt was 55 toen hij zichzelf als Paulus schilderde. Zijn schedel glom onder zijn dunne haar; zijn eerste vrouw, Saskia leefde slechts nog voort als een herinnering, hijzelf zou snel hetzelfde lot ondergaan. Paulus was zijn testament. Dit is mijn gezicht, lijkt het te zeggen. Het is oud en afgeleefd, maar het is van mij. Ik heb m’n ziel en zaligheid gegeven om het te schilderen. Onthoud het.

Alle Rembrandts, Rijksmuseum Amsterdam, t/m 10/6. (vier sterren)

Jonathan Bikker: Rembrandt  biografie van een rebel. NAI010, € 25,-.

Rembrandthuis: Rembrandt’s social network

Portret van Titus (1660). Beeld Baltimore Museum of Art

Titus van Rijn had twee rechterduimen. Kijk Rembrandts portret  uit 1660 er maar op na. Hoed, hoofd, haar en dan, waar het hoofd en het krullige haar elkaar raken, een zesde vinger – een speling der natuur. Een speling van een hardnekkige onderschildering, misschien ook. De vraag luidt dan: waarom werkte Rembrandt die spookduim niet weg?

Er zijn meer raadsels rond dit portret uit het Baltimore Museum of Art. Titus’ leeftijd, om iets te noemen. Negentien zou hij op het moment van poseren zijn geweest, hetgeen jong lijkt voor deze pafferige verschijning met donkere wallen. Voorlopige conclusie: Titus is een probleemjongere. Hij is ook de blikvanger op Rembrandts Social Network, een onderhoudende expositie in het Rembrandthuis over Rembrandts vriendenkring.

Rembrandtjaar

2019 is Rembrandts 350ste sterfjaar. In het kader hiervan worden er talloze tentoonstellingen aan ‘s lands beroemdste schilder gewijd. Na deze exposities zullen nog tentoonstellingen volgen in De Lakenhal over de Jonge Rembrandt en over Remrandt en Velazquz in het Rijksmuseum. Ook het Rembrandthuis zal nog twee expositie over hem tonen

Het woord vriend mag in deze context ruim worden opgevat. Het omvat ook mensen die we nu niet per definitie als zodanig zouden typeren: collega’s, zakenrelaties, crediteuren, familie. Voornoemde Titus, bijvoorbeeld, gold als een vriend (een ‘bloedvriend’), maar de dichter Jeremias de Decker en de zilversmid Johannes Lutma evenzeer. Het staat niet vast dat zij veel met Rembrandt omgingen, maar wel dat ze over genoeg geld en tijd beschikten om zich door hem te laten vereeuwigen.  Vertellen hun  portretten ons iets over de band tussen schilder en model?

Wis en drie, alleen: wat? De samenstellers ontwaren bij de oude Lutma een ‘priemende blik’ en een ‘ironische glimlach’, terwijl ik een goedmoedig opaatje zie dat z’n stoelleuning vastgrijpt om niet in slaap te sukkelen. Beide lezingen lijken me valide. We zien wat we willen zien.

Bij Titus zien we hetzelfde: ongedwongenheid. Van Rijn junior was duidelijk op z’n gemak bij Van Rijn senior en Van Rijn senior, op z’n beurt, schilderde Van Rijn juniors gemak – op zijn gemak. Een mooie verstandhouding vereeuwigd in een mooi schilderij. Duimen omhoog.

Rembrandt’s Social Network. Rembrandthuis, Amsterdam, t/m 19/5. (vier sterren)

Epco Runia (red.): Rembrandts Social Network. WBooks, € 24,95. 

Rembrandt in het Mauritshuis

Studie van een oude man (1650). Beeld Mauritshuis

Ook het Mauritshuis in Den Haag maakte een Rembrandt-expo, een bescheidene. Het toont alle Rembrandts uit de collectie, 13 in totaal, plus de schilderijen die niet langer aan hem worden toegeschreven, of niet langer volmondig. Over zulke missers maakt de gewone man zich graag vrolijk – wat hebben de geleerden zich weer bij de neus laten nemen! – maar hier is daar weinig reden toe. Het zelfportret met opstaande ringkraag is een fijn schilderij, een Rembrandt-waardig schilderij zelfs, en ook die studie van een tandloos grijsje (z’n moeder; z’n tante; mama Lievens?) komt door de oogharen gezien aardig in de buurt. Miskopen in de categorie Vermeer/Van Meegeren zitten er in elk geval niet tussen, of het moet die studerende Minerva zijn. Over twee schilderijen, Studie van een oude man (1650) en Tronie van een oude man (1630-31) is het laatste woord trouwens nog niet gezegd. Het eerste toont een gramstorig heerschap, geschilderd in de late, vrije stijl, en werd gekocht door oud-directeur Bredius. Deze meende in de man Rembrandts broer, Adriaen, te herkennen – ten onrechte. Het is zelfs niet zeker of het wel van Rembrandts hand is en daarom zal het na de expositie uitgebreid worden onderzocht. Zoals het in het vrolijke weekblad heet: wordt vervolgd.

Rembrandt in het Mauritshuis, Mauritshuis Den Haag, t/m 15/9. (drie sterren)

Charlotte Rulkens: Rembrandt en het Mauritshuis. Waanders;  € 14,95.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.