Nieuwe hoogtepunt in het toch al rijke oeuvre van Orhan Pamuk

Orhan Pamuk vlecht een oosterse en een westerse vader-zoontragedie in elkaar in zijn roman over een obstinate puttengraver en zijn leerjongen. Boordevol symboliek is dit nieuwe hoogtepunt in het toch al rijke oeuvre van de Turkse Nobelprijswinnaar.

null Beeld
Beeld

Een voorliefde voor uitstervende en liefst ook zonderlinge beroepsgroepen bezit Orhan Pamuk, de eerste Turkse winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur, al een oeuvre lang. Zulke vakmannen kunnen per ongeluk meer onthullen dan betamelijk is. In Pamuks één-na-laatste roman, Dat vreemde in mijn hoofd, loopt de hoofdpersoon met een juk door Istanbul om het archaïsche Osmaanse goedje boza te slijten. Officieel bevat boza geen alcohol, boza-drinkers aller eeuwen weten wel beter - zie hier die voor het land van de schrijver kenmerkende 'kloof tussen het officiële en het heimelijke' gecondenseerd in een beroep dat bijna iedereen behalve Pamuk was vergeten.

Fictie; Orhan Pamuk; De vrouw met het rode haar; Uit het Turks vertaald door Hanneke van der Heijden. De Bezige Bij; 288 pagina's; 23,- euro.

Maar nog nooit was de symboliek zo aanwezig als in Pamuks nieuwe roman De vrouw met het rode haar, waarin de uitstervende vakman een puttengraver is.

Het succes van de puttengraver is niet alleen beslissend voor de toekomst van een gebied - zonder water geen leven -, zo'n puttengraver begeeft zich ook in een zone waar doorsnee beroepsgroepen niet geraken, in de diepte waar de doden rusten en het schimmenrijk zijn ingangen heeft. Eeuwenlang werden puttengravers bovennatuurlijke krachten toegedicht, 'want zoals de hemel zeven verdiepingen had, zo bestond ook de grond uit lagen'. In spirituele context is 'het doorgraven tot aan het grondwater' een metafoor voor het bereiken van verlichting en verlossing.

Maar wat als je almaar geen grondwater vindt? In het eerste deel van De vrouw met het rode haar vertrekt de 16-jarige Cem in de zomervakantie als hulpjongen van een der laatste Turkse puttengravers naar de Thracische hoogvlakte. Het is 1986, het plaatsje Öngören is nog niet aan Istanbul vastgegroeid. Dankzij een jarenlange expertise weet puttengraver Mahmut exact waar ze moeten gaan delven. Vakmanschap is meesterschap. 'Met Gods wil stuit ik hier na tien, twaalf meter op water, dan zijn we binnen twee weken klaar.'

Vele weken later vertoeft Mahmut 25 meter dichter bij het schimmenrijk, water heeft hij nog niet gevonden. Dat de leerjongen deze obstinate vakman blijft bijstaan op diens reis grondinwaarts, komt niet alleen doordat de puttengraver zich heeft ontpopt als een strenge vaderfiguur, maar ook doordat de leerjongen in Öngören een glimp heeft opgevangen van een vrouw voor wie hij een obsessieve liefde heeft opgevat: 'de vrouw met het rode haar'.

Een hachelijke situatie, een aan het maniakale grenzende geobsedeerdheid. De puttengraver en zijn leerjongen zijn volbloed Pamuk-personages. Met hen kan het niet goed aflopen. In een ogenblik van onoplettendheid grijpt Cem in de bloedhete Thracische zomer náást de loodzware emmer die hij met een enorme krachtsinspanning uit de put omhoog heeft getakeld. Die emmer gehoorzaamt meteen aan de wet der zwaartekracht en is razendsnel terug op de bodem van de zeer diepe en nog altijd waterloze put. Daar bevindt zich de obstinate puttengraver.

null Beeld Claudie de Cleen
Beeld Claudie de Cleen

Cem, de leerjongen die in de ban is van Sophokles' Oedipus, lijkt nu zelf Oedipus te zijn geworden. Hij heeft een vaderfiguur gedood en geslapen met een moederfiguur, 'de vrouw met het rode haar'. De 16-jarige vlucht van de plaats van het delict. Bijna dertig jaar later leert hij dat hij in de zomer van 1986 in Öngören geen leven heeft genomen maar leven heeft verwekt. Daarmee is hij geenszins veilig. Immers: als je in de Oedipus-tragedie niet de zoon bent die doodt, dan ben je misschien wel de vader die wordt gedood.

ln het tweede deel introduceert Pamuk bijna nonchalant het Iraanse Boek der koningen, waarin niet de zoon de vader doodt, maar de vader de zoon. 'Met een vette knipoog' schuift de schrijver, die altijd een brug 'tussen oost en west' wordt genoemd, twee vader-zoontragedies 'tussen oost en west' in elkaar.

De vrouw met het rode haar is maar half zo lang als Pamuks meeste andere romans, maar even ingenieus en beklemmend. Slechts anderhalf jaar na Het vreemde in mijn hoofd voegt Pamuk een volgend hoogtepunt toe aan een oeuvre dat al rijk was aan hoogtepunten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden