NIEUWE ACCENTEN

Bij zijn aantreden als intendant van de Metropolitan Opera werd Peter Gelb met wantrouwen bekeken. Dat is veranderd. Met-nieuwe stijl is dit weekend over de hele wereld live te zien in 600 bioscopen....

Stel, Pierre Audi en Truze Lodder nemen ontslag bij de Nederlandse Opera. Hun opvolger wordt een platenbaas, die zijn klassieke label overeind heeft gehouden met cd’s van het gelegenheidsduo Janine Jansen en Ilse de Lange, opera-aria’s door Koos Alberts en de soundtrack van Soldaat van Oranje.

Zo ongeveer lagen de kaarten in New York, toen de Metropolitan Opera een paar jaar geleden Peter Gelb tot intendant benoemde, en The New York Times de smeekbede afdrukte: Please Mr. Gelb, no crossover opera!

Gelb kwam van Sony Classical. Hij had het begrip ‘klassiek’ nieuwe inhoud gegeven door cd’s op touw te zetten met volksdans door Yo-Yo Ma (cello) en Marc O’Connor (country fiddle), en aria’s door de popzanger Michael Bolton. Van de soundtrack van Titanic verkocht hij 28 miljoen exemplaren.

De muziekkritiek boezemde hij er weinig vertrouwen mee in. Maar inmiddels ziet het blad The New Yorker een ‘fascinerende metamorfose’ in de artistieke lijn van ’s werelds grootste operahuis. En komende zaterdag zullen 135 duizend toeschouwers op vier continenten betrokken zijn bij een frappante technologische ontwikkeling.

De Metropolitan Opera, live in 600 bioscopen.

Dat zijn er al weer drie keer zoveel als vorig jaar, toen Gelb een eerste Magic flute in high definition naar de satelliet stuurde. Zes opera’s verkocht hij vorig jaar aan bioscoopconcerns. Publiek in Amerika en Europa kon volgen hoe een Barbier van Sevilla in haarscherp beeld van links naar rechts liep, terwijl zijn vorstelijk geluid van rechts naar links bewoog. Kortstondig kinderziektetje.

Nu komen er acht opera’s in de bioscopen, kijken Australië en Japan mee, en zijn voor het eerst ook Nederlandse bioscopen van de partij. Tuschinski in Amsterdam, Pathé-Buitenhof in Den Haag en het Edese Cinemec projecteren zaterdagavond de sopraan Anna Netrebko en de tenor Roberto Alagna. Zij zijn de hoofdrolzangers in een New Yorkse middagvoorstelling van Gounods opera Roméo et Juliette, gedirigeerd door Placido Domingo en geregisseerd door Guy Joosten.

De Metropolitan Opera: draagster van een ongebroken sterzangerstraditie, van 1883 tot voorbij Pavarotti. Werkgeefster van dirigenten als Mahler, Toscanini en, al drie decennia, James Levine. Bakermat van Puccini’s La fanciulla del West en Il trittico.

Was diezelfde Met niet langzamerhand ook een verouderd instituut, een theater van gouden kelen en goudglanzende ensceneringsarmoe? Of, zoals een voorgangster van Peter Gelb het ooit wat hoffelijker uitdrukte: ‘een volière voor kanariefanaten’?

Fraai theatrale, licht absurd ogende posters van de kunstenaar William Wegman – hij heeft gekostumeerde honden ingezet als quasi-operapersonages – maken duidelijk dat Gelb graag nieuwe accenten legt.

Steek intussen het Lincoln Center Square over in Manhattan, zie hoe de mega-kerstboom in het niet valt bij het schijnsel van de giga-vensters die de gevel vormen van de Met, en je merkt dat New York zijn zangers koestert. Rijen stellen zich op voor de laatste staanplaatsen bij Mozarts Figaro met Bryn Terfel. In de bijna vierduizend stoelen tellende zaal wordt even later hartelijk geapplaudisseerd wanneer de niet zo briljant geregisseerde bariton zich koddig op zijn kont laat vallen. De enscenering wekt de indruk van een halffabrikaat.

Pauze: Ook de tenor Enrico Caruso – beneden in een galerij te bewonderen als huisgod in brons en olieverf – stond niet bekend als de grootste acteur. Mime en gebaar waren evenmin het talent van Joan Sutherland. Herinneringen aan deze glorieuze sopraan klinken je al tegemoet vanuit de operashop, waar kerstliederen worden gedraaid en sweatshirts worden verkocht. De drukte bij de cd’s en dvd’s (300 strekkende meter) is indrukwekkend. Helaas, Franco Corelli is er niet meer, maar voor de stem trekt men nog graag de portemonnee: bravo voor zijn Verdi-aria’s.

Corelli was de tenor die het niet-zingend personeel het leven bemoeilijkte met verzoeken om wijwater. En daar hebben we het Met-fenomeen Jussi Björling, gestorven in 1960. Dat was de tenor die van Gelbs verre voorganger Rudolf Bing het verzoek kreeg zijn dronkenschappen voortaan zo te plannen dat er naar vervanging kon worden omgekeken. Ziedaar, cd’s van de nog springlevende, maar uit de Met verdreven Kathleen Battle – volgens Gelbs directe voorganger Joseph Volpe een wandelende zenuwtoeval. En Angela Gheorghiu, dame van het hier en nu.

De grillige Roemeense, bijgenaamd ‘Draculette’ (de pas afgetreden intendant Volpe schrijft het in zijn memoires), is binnenkort te zien in Puccini’s La bohème. Haar echtgenoot Alagna staat op de cd-plank te glunderen met Berlioz. Volpe schrapte hem met Gheorghiu uit een Traviata-project toen hij maar bleef aandringen op het gebruik van decors naar ontwerp van zijn broer (Volpe: ‘Alagna’s toon impliceerde dat iedere tenor van zijn statuur een broer heeft die een betere Traviata kan schetsen dan Franco Zeffirelli’).

Maar Alagna kwam er bij de Met ook gewoon weer in. Rancune weegt hier nauwelijks op tegen de behoefte aan grote stemmen. Een fenomeen dat van zangerszijde, volgens Gelbs voorganger Bing, altijd royaal is beantwoord met verlangens naar ‘geld en reclame’.

‘Grote stemmen zijn nodig in dit gebouw’, zegt koormeester Donald Palumbo. ‘Ook koorzangers moeten hier een Geluid hebben, anders redden we het niet in een zaal met vierduizend man.’

Bij kinderkoren laat Palumbo soms damessopranen meezingen, achter de schermen. Voor Prokofjevs Oorlog en vrede mobiliseerde hij voor de dirigent Gergjev een maximale troepenmacht: 80 zangers in vaste dienst plus 38 extras. Palumbo: ‘Koorzangers lopen mee in perioden, maar evengoed: deze week hebben we Figaro, Iphigénie, Norma, Magic flute. Volgende week Oorlog en Vrede erbij, een angstaanjagend ding, en dan Ballo in maschera.’

Nieuwe koorleden krijgen direct een repertoire van achttien opera’s voor de kiezen, berekent Palumbo. ‘En voor een Traviata, die hier elk jaar wordt opgevoerd, wordt echt niet meer dan één repetitie uitgetrokken.’

Dokter Jahn en zuster Florence Manchess, vast verbonden aan de Met, hebben niet kunnen voorkomen dat de sopraan Maria Guleghina zich plotseling heeft afgemeld voor Bellini’s Norma. Een inlegstrook in het programmaboekje – geen verdere plichtplegingen – meldt dat de diva vanavond wordt vervangen door Mariana Mescheriakova. Als dat in januari maar goed gaat, wanneer Guleghina als Lady Macbeth 135 duizend bioscoopbezoekers gelukkig moet maken.

In de gangen achter de schermen staan kostuumrekken voor vier, vijf opera’s in wilde slagorde opgesteld. Als de Met op volle toeren draait, barst ze uit haar grote gebouw, al dateert dat uit 1966 en is het dus niet eens zo oud. Een taart van anderhalve meter en een zwartgeblakerde kindergestalte bij de requisietenafdeling geven aan, zoals het staflid Peter Clark het verwoordt, dat het smullen wordt bij de komende nieuwjaarsproductie van Humperdincks opera Hans en Grietje. ‘En niet alleen van suikerbrood’. Volgens Clark heeft de regisseur Richard Jones een sprookjesvoorstelling met duistere kanten in petto.

‘Richard Jones zet echte jam en slagroom in’, weet Peter Gelb, in zijn intendantenhoofdkwartier. ‘Dat zal het realisme op het bioscoopscherm misschien wel ten goede komen. Maar met dat scherm en de close ups is hij totaal niet bezig, en wat ook nooit zal gebeuren, is dat het podiumschouwspel beïnvloed wordt door onze camera’s. Daar ben ik als executive producer zelf bij. We doen juist níet alsof het een film is. Het succes van electronische verspreiding staat of valt met de live-ervaring.’

Jones, operaman van pakkende beelden (in Amsterdam regisseerde hij vorig jaar Janaceks Sluwe vosje), is een van Gelbs stormrammen naar een Met-nieuwe stijl. ‘De Met gold als een geïsoleerd, ondoordringbaar instituut’, zegt Gelb. ‘Dat werd merkbaar aan de kassa en toen was het probleem eigenlijk al groter dan iedereen dacht.’ Hij somt op waar de vernieuwing vandaan moet komen. ‘Van een levendiger theatercultuur, om te beginnen. Aan zo’n Figaro zie je dat de regisseur nooit is teruggevraagd om reprises nieuw leven in te blazen. Die gewoonte heeft hier nooit bestaan.’

Dat de Met een ‘martelkamer voor regisseurs’ zou zijn, daar wil Gelb vanaf. Philip Glass’ Satyagraha krijgt haar Met-debuut in een enscenering van het Britse team Improbable Theater Company. Zelfs de Parijzenaar en verstokte nee-zegger Patrice Chéreau komt als regisseur naar de Met, zij het dan als bewaker van zijn eigen regie van Janaceks Uit een dodenhuis, die eerder te zien was in Wenen, Aix en het Holland Festival. Gelb rekent Chéreau tot zijn marketing tools.

Gelb: ‘Het publiek hier denkt van zichzelf dat het conservatief is. Absoluut onjuist.’ Oude muziek komt aan bod in een pasticcio van Händel- en Rameau-aria’s, op te voeren met een nieuw libretto, en te dirigeren door de barokpurist William Christie. Gelb wil ook meer recent werk zien. Hij heeft opdrachten uitgestippeld. Als eerste komt de componist Osvaldo Golijov aan de beurt in het seizoen 2011-2012. ‘Maar zijn stuk gaat eerder bij de English National Opera in Londen. Met opzet. Want dan kan er voor ons iets aan worden bijgesteld, als dat nodig is. En de ENO profiteert mee. Die willen best ons Guinese biggetje zijn.’

Gelb ziet zich als een ‘koppelaar’. Hij wil zelf componisten samenbrengen met ‘dichters die benul hebben van een dramatische spanningsboog’. Naburige theaterzalen wil hij inzetten als proeftuin. ‘Aan de hand van een ingespeelde partituur met zangers en piano kunnen we beslissen of iets een kameropera wordt of een groot georkestreerd stuk.’

Dat is allemaal niet hetzelfde als lullige crossover. Is Peter Gelb van Beast veranderd in een Beauty?

Gelb: ‘Ik was een controversiële figuur toen ik bij Sony zat. Maar wat is er tegen om succes te willen hebben met nieuw werk? Het klassieke establishment is afgedreven van dat idee. ‘Succes hoeft niet’, is de redenering, ‘als de première maar op onze naam staat.’ Ik vind dat een houding van niks.’

Joan Ingpen, een voorgangster van Gelb, signaleerde ooit een taste lag tussen de Met en operahuizen in Europa. Ze schatte het tijdverschil rond het in zwang raken van artistieke vernieuwingen op twintig jaar. Dit lijkt opnieuw te kloppen, met een opera van de New Yorker Philip Glass die in 1980 in première ging in Amsterdam, en vernieuwingen in de ensceneringscultuur zoals die ook werden geambieerd door de vroegere intendant en operahervormer Gerard Mortier in Brussel.

Gelb: ‘Ik heb daar een ander gevoel over. Ik heb ook in Europa geproduceerd. Heb een festival in Japan helpen oprichten. Ik geloof dat voor grote kunst een universele acceptatie bestaat. Regisseurs als Chéreau, Peter Stein en Luc Bondy zullen hier net zo geaccepteerd worden als in Europa.’

Dat zijn namen waar juist Mortier altijd graag mee schermde, en nu stapt Mortier in 2009 over van Parijs naar de buren van Gelb: de New York City Opera, schuin aan de overkant. Leuk? ‘Dat instituut heeft ook te lijden’, zegt Gelb, net als de Met te lijden had. Het verschil is, dat de New York City Opera altijd het tweede operahuis is geweest. Mortier zal al zijn vakmanschap nodig hebben om er iets anders van te maken.’

Verschillende uitgevers verzochten Gelb alvast aan zijn memoires te beginnen. ‘Ik kijk wel uit. Dan zou ik niet meer kunnen functioneren.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden