Nieuw publiek haal je niet binnen door alleen je programmering door elkaar te husselen en te pimpen

Theater volgens Wensink

Wekelijks nemen de cultuurspecialisten van de Volkskrant stelling in de wereld van film, muziek, theater of beeldende kunst. Deze week: Herien Wensink.

Foto anp

De Stadsschouwburg Amsterdam zet met een tiendaags festival zijn deuren wijd open voor de 180 nationaliteiten van de stad - wie kan het daarmee oneens zijn? En dan is er nog de goed gekozen en ook marketingtechnisch slimme naam 'Lief Amsterdam', een verwijzing naar de overleden burgemeester Eberhard van der Laan. Het festival opent bovendien op Valentijnsdag. Het idee ademt één en al liefde.

En opportunisme. Naïviteit. Gemakzucht. En white privilege. Veel is over het programma nog niet bekendgemaakt, maar vaststaat dat het festival opent met dansvoorstelling Beytna van onder anderen de Libanese choreograaf Omar Rajeh. Die voorstelling speelde afgelopen zomer al op het festival Julidans, voor een overwegend wit en elitair danspubliek. Hoe wil de schouwburg publiek uit Sloten of de Bijlmer werven voor dit soort producties?

Heeft iemand met Adelheid Roosen gebeld? Zij weet immers als geen ander hoe je nieuwe Nederlanders het theater in krijgt; dat vergt jarenlange wederzijdse investering. Of praat met Andreas Fleischmann, die weet hoe hij zijn Meervaart, een theater in Amsterdam Nieuw-West, avond aan avond vol krijgt met Marokkaanse buurtbewoners. Gewoon een Libanese dansproductie programmeren, daarmee ben je er niet. Je hebt contacten in de buurt nodig, sociaal-maatschappelijke partners, aangepaste marketing en mogelijk zelfs een andere programmering.

Zo biedt de Meervaart plaats aan Marokkaanse en Surinaamse comedy die we niet snel in de Stadsschouwburg zullen aantreffen. Dat werkt. Net als investeren in dat beoogde publiek, en het medeverantwoordelijk maken.

Nu het nieuwe toverwoord van subsidieverstrekkers diversiteit is, wordt door theaterdirecteuren en programmeurs vaak haastig het bestaande beleid een beetje gehusseld en multicultureel gepimpt. Alsof het alleen maar een kwestie is van de juiste verpakking: je voegt wat internationale voorstellingen samen tot een festivalletje, geeft het een handige naam en roept iets over 180 nationaliteiten, klaar. Meervaart directeur Fleischmann zei eerder in NRC Handelsblad: ''Theaterdirecteuren denken vaak: 'Ik programmeer iets allochtoons en dan is het geregeld.' Maar zo werkt het niet.'

Want, lieve Stadsschouwburg, daaraan zou iets vooraf moeten gaan. De vraag is niet: hoe krijgen wij die andere groepen bezoekers binnen, omdat dat nu eenmaal moet, de vraag is: wat hebben wij hun te bieden? Wat voor voorstellingen willen wij aan hen laten zien? Zijn wij er eigenlijk wel écht voor hen?

Om die vraag te kunnen beantwoorden, moet ook de eigen identiteit en vooringenomenheid worden onderzocht. Waarom programmeren wij zoals we programmeren? Welke opvatting over kwaliteit ligt daaraan ten grondslag? Kunnen, moeten, we onze ideeën van kwaliteit herdefiniëren met het oog op een nieuw publiek en een ander soort maker? Want multiculti-comedy Kapsalon, grote hit in de Meervaart, is géén Beytna.

Je hoeft niet meteen een diepe artistieke knieval te doen, natuurlijk. Maar als de intentie oprecht is meer van die 180 nationaliteiten de schouwburg in te krijgen - en dus niet alleen witte cultuurminnende expats en idealiter ook vaker dan tien dagen per jaar - moet er na de vondst van die festivalnaam nog iets langer worden nagedacht over de inhoud.

Meer over