Nieuw leven voor het Eeuwig Moos

Z’n opa had ze, z’n vader deed ze weg, Jac Nijskens haalde ze terug. Vergeten groenten bloeien weer in de Historische Groentehof....

Een rare gewaarwording. Toen zijn zoon Jac op bescheiden schaal ‘vergeten groenten’ begon te verbouwen, vier jaar geleden, zag Josef Nijskens (73) hoe het erf van hun Landhoeve Rijkel, de boerderij waar hij zelf tot zijn 65ste varkens hield, overlopen werd door nieuwsgierigen van heinde en ver. ‘Daar stond ik van te kijken. Dat daar zo’n brede belangstelling voor was. Ze kwamen zelfs uit Duitsland.’

Ook Jac Nijskens (45) zelf was verbaasd. ‘Ik had hier in een hoekje een stuk of twaalf verschillende groentes gezet: de zwarte aardappel, de Ratte d’Ardeche, de kardoen, de pastinaak, schorseneer. En voor ik het wist, was ik één of twee dagen in de week bezig met mensen die hadden gehoord dat wij zwarte aardappelen hadden, en kardoen, en Eeuwig Moos. Dat Eeuwig Moos, een lokale Limburgse koolsoort, dat riep hier heel veel emoties op bij oudere mensen. Dat was hier vroeger een volksgroente.’

Josef Nijskens: ‘Eeuwig Moos, dat was buikvulling.’

Jac Nijskens: ‘Het staat jaarrond, je hoeft het dus niet opnieuw te zaaien.’

Josef Nijskens: ‘Het werd vaak met tegenzin gegeten. De buik moest gevuld worden. En Eeuwig Moos was er het hele jaar door.’

Jac Nijskens: ‘Geen culinair hoogtepunt. Maar ik heb hier mensen gehad die door hun moeder van negentig waren gestuurd. Die had gehoord dat wij Eeuwig Moos hadden en dat wilde ze nog één keer eten. Zo ontdekte ik: er zit emotie bij, al die groenten hebben een geschiedenis, er zit ook een eetcultuur achter. En daar lopen mensen warm voor.’

Nu, een paar jaar later, op een mooie lentedag, is het een drukte van belang op het erf van de Landhoeve – inmiddels omgedoopt tot de Historische Groentehof – in het Limburgse plaatsje Beesel. Vrijwilligers rijden rond met een mini-tractor en maken de grond zaairijp, Nijskens zelf leidt rond, als hij al niet delegeert of gebeld wordt om uit te leggen wat de beller het beste kan eten bij de Violette Noir (‘De zwarte aardappel smaakt grondachtig, muffig. Daar moeten zwaardere smaken bij. Bloedworst bijvoorbeeld.’).

Hij gaat voor in de kas met stekjes, die straks allemaal plaatsmaken voor meer dan dertig soorten tomaten die exotische namen dragen als Tien vingers van Napels, de Gouden koningin, Poderosa Pink, Goudlokje en Witbehaarde. Buiten staat de kardoen al, een kool die lijkt op bleekselderij, en de aardappels zijn gepoot, eerder dan ooit. De rest van de 350 rassen die Nijskens verbouwt, in categorieën als bonen, wortels, knollen, vruchtgroenten, sla, bladgroenten, granen, eetbare bloemen en zacht fruit, gaat de komende weken de grond in, allemaal in kleine hoeveelheden, een ras per bedje. De naambordjes liggen al klaar op de paadjes, in stapels van tientallen. De Lange rode van Firenze (een ui) ligt er, en de Luie Wijvenboon, en we zien de Doorleefde Spinazie, De Witte van Lerida (een ui), de Alpenaardbei, de Groninger Stiekema (spruitjes), Anne’s Broekzak (meloen), de Limburgse Knoebelbuenke, de Sprookjespompoen...

In juli moet het allemaal tot wasdom zijn gekomen, dan staan er ook nieuw gemaakte informatiepanelen voor het publiek en zullen er gidsen zijn. Bloeiende gewassen op de stroomrug van de Maas, je ziet de idylle zich al ontvouwen. Zeker omdat het landgoed grenst aan bosrijk natuurgebied, met een dode Maasarm op loopafstand.

Toch is zijn grote project nog lang niet klaar, zegt Nijskens. Ieder jaar pakt hij er een stukje grond bij om te bebouwen, maar hij heeft nog altijd een aangrenzend stuk grond verpacht. Daar wil hij, als hij eenmaal de Historische Groentehof klaar heeft (‘dat kan nog jaren duren’) huisdierrassen gaan houden: kippen, varkens, geiten, schapen, runderen, de zeldzame varianten. Als dat eenmaal is gelukt, dan is de idylle wat Nijskens betreft pas echt compleet. ‘Uiteindelijk wil ik hier de boerderij van de jaren dertig terug.’

De boerderij van de jaren dertig, dat was de boerderij van zijn opa, de boerderij die zijn vader nog net heeft gekend. Een gemengd bedrijf met wat varkens, kippen en koeien, met graan en tuinbouw. Josef Nijskens: ‘Alle boeren deden hetzelfde. Ze waren bijna zelfvoorzienend, zowat het enige wat je moest kopen was suiker en zout. Niemand had honger, maar je had ook niks te besteden.’

Ja, in de jaren dertig maakten ze zuurkool in, ze maakten vlierbessengelei en ze bakten brood, ‘maar dat was pure noodzaak’. Aan de andere kant: de structuur was erop ingericht. ‘Er liepen hier altijd wel twee, drie man rond. Ik heb nog boekhoudgegevens uit 1916, daar staat dat werknemer per jaar 120 gulden kostte. In de winter was het rustig. Je verzorgde het vee, je dorste het graan en je kapte hout om te stoken. Het was zwaar werk, kruiwagenwerk, maar er was minder stress. Als de prijzen van het ene product slecht waren, dan waren de prijzen van een ander product wel weer goed.’

Toen Josef Nijskens na de oorlog het bedrijf van zijn vader overnam ging hij zich al snel specialiseren. ‘De kippen en koeien heb ik gauw genoeg afgestoten. Je moest uitbreiden, maar dat ging niet, vanwege de slechte verkaveling.’ Hij legde zich eerst toe op de tuinbouw – prei en augurken waren een tijdlang ‘goede business’– daarna werd hij varkensboer. ‘Dat was een prima alternatief.’ Hij stopte na de varkenspestepidemie van 1997, op zijn 65ste.

In de voormalige varkensstallen is nu de kookstudio van zoon Jac. Soms wel vijf avonden in de week komen hier groepen om onder begeleiding de oud-Hollandse pot te koken en te eten. Zo begon het allemaal, met het idee voor kookworkshops. Jac Nijskens wilde het bedrijf van zijn vader wel overnemen, maar uitbreiden kon niet. Het idee kwam tijdens een personeelsuitje van het landbouwadviesbureau waar hij werkte. ‘We deden een kookworkshop in Amsterdam en die avond heb ik besloten: dat ga ik hier doen.’

Hij zegde zijn baan op en begon aan een jaren durende, eigenhandige verbouwing van de varkensstallen tot een sfeervolle kookstudio. ‘Het lag voor de hand dat ik voor de oud-Hollandse pot zou kiezen. Je zit hier in the middle of nowhere in Limburg, dan moet je niet voor de Italiaanse of Franse keuken kiezen. En de keuken van voor 1900, die eigenlijk niemand kent, is een geweldige keuken.’

Wekelijks storten nu tientallen bezoekers zich op het maken van gerechten als aardperensoep met komkommer en zalm, wortelpudding, slasoep, eend met chocolade of kardoen met beenmerg. Jac Nijskens: ‘Het gaat om de gerechten, maar het draait toch vooral om de beleving en de gezelligheid.’

Met de vergeten groenten begon hij eigenlijk per toeval. ‘Ik wilde toch iets met de grond doen.’ De link tussen de groenten en het koken had hij nog niet gelegd. ‘Pas toen er zoveel mensen kwamen en ik die groenten voor het eerst zelf proefde, dacht ik: dit is het.’

De Historische Groentehof is inmiddels ondergebracht in een stichting. Er zijn vrijwilligers en door middel van sponsors probeert Nijskens er een volwaardig museum van te maken, over groenten en over de eetcultuur van vroeger.

Het gaat Nijskens vooral om het behoud van smaken, zegt hij. ‘Zoveel groenten zijn verdwenen, of ze zijn zo veredeld dat de smaak soms is vervlakt. Uit de spruitjes van nu zijn de bitterstoffen verdwenen. Ze hebben aan karakter verloren. En dat geldt ook voor kolen, tomaten, aardbeien, aardappelen, noem maar op.’

Zijn vader kan het onderschrijven. ‘Vroeger had iedereen zijn volkstuintje met eigen groenten. Die groenten waren nooit uniform. Nu heb je producten die zijn geteeld voor massaproductie. Ze zijn zo gemaakt dat ze machinaal zijn te oogsten. Het ziet er mooi en uniform uit, maar er is ingeleverd op winterhardheid en op smaak.’

Jac Nijskens: ‘Mijn vrouw kwam laatst nog thuis met een bakje aardbeien. Niet te eten. Dat is niet eens vervlakking, dat is gewoon vies.’

Nijskens heeft de oude groenterassen dus nog wel. En hij deed in de afgelopen jaren wel meer mooie ontdekkingen. Het Buggenummer Muuske bijvoorbeeld, een Limburgs aardappeltje. ‘Er was op een gegeven moment nog maar één man die dat aardappeltje had.’ En de meloenkomkommer. ‘Die ziet eruit als een courgette, maar smaakt naar meloen en komkommer. Een hele fijne smaak.’

Het Buggenummer Muuske, ja, dat kent Josef Nijskens nog wel. En pastinaak natuurlijk. Vroeger was het ‘bulkvoeding’. Het grote voordeel was dat je het lang kon bewaren. ‘Je had geen diepvries, geen koelcellen. Maar in een kuil bleef het goed tot in mei. Dat was toen belangrijk.’ Pastinaak overleefde de komst van de moderne koeltechnieken niet. Pas nu maakt de ‘witte wortel’ een bescheiden rentree.

Jac Nijskens verkoopt zijn groenten niet, of slechts op bescheiden schaal. Wel verkoopt hij zakjes met zaden. ‘Ze worden gekocht door de nieuwe generatie volkstuinbezitters. 90 procent is vrouw en de leeftijd ligt tussen de 30 en 45. Zij willen lekkere en bijzondere groenten en kruiden in hun tuin.’

Nee, Josef Nijskens heeft nooit bedenkingen gehad bij de risicovolle onderneming van zijn zoon. ‘In het begin had ik niet door wat hij nu eigenlijk van plan was. Maar ik dacht: hij zal wel weten wat hij doet. En je ziet dat de belangstelling groot is. Ik vind het wel plezierig, al die groepen die hier komen.’

Jac Nijskens: ‘Nu ik eenmaal bezig ben wil ik het ook helemaal goed doen. Ik wil dus dat we hier zelf zuurkool gaan inmaken, dat we paardebloemengelei maken, zelf vlierbessen uit het bos plukken. Dat is moeilijk, voor vijftig potjes vlierbessengelei ben ik een hele dag bezig. Dan heb je een mooi product, maar in mijn vroegere consultancywerk stond een uur voor 250 euro. Maar ik probeer het. Ik vind het zelf leuk en ik voel me er goed bij, dat is het belangrijkste. Dat je de tijd neemt om vlierbessen te plukken, dat is een geweldige luxe.’

Rond drie uur klinkt alleen nog het getjirp van de mussen op het erf van Landhoeve Rijkel. ‘Vorig jaar,’ zegt Jac Nijskens, ‘heb ik een varken gehad. Dat heb ik laten slachten. Ik heb nu twee hammen. Die heb ik zelf gerookt, ze hangen op zolder. Die geur van die gerookte hammen, dat is de geur die ik me nog van vroeger herinner. Ik zeg niet dat het beter was, maar het is wel mooi. En als mensen over zo’n ham net zo enthousiast raken als ik, dat vind ik onbetaalbaar.’

Dan klinkt er plotseling een donderend geraas uit de open schuur. Er is een stapel hout omgevallen. Dat is nu typisch zo’n jaren dertig geluid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden