NIETSONTZIENDE AMBITIE

Deze week verschijnt Steven Bachs meeslepende biografie over Leni Riefenstahl. De propagandafilms die ze voor de nazi’s maakte, zijn verguisd en tegelijk geroemd....

Leni Riefenstahl (1902-2003), ‘de filmdiva áchter de camera’, klinkt het aan het eind van de biografie die Steven Bach over haar schreef, stierf op 101-jarige leeftijd zoals ze had geleefd: zonder berouw, verliefd op zichzelf en geharnast.

Als jong meisje had ze, halfweg de jaren twintig, een figurantenrol gespeeld in Wege zu Kraft und Schönheit, een ‘culturele documentaire’ waarin lichamelijke vitaliteit werd aanbevolen als de weg naar ‘de wedergeboorte van het menselijk ras’. Later heeft ze altijd ontkend in die film te hebben meegespeeld, sterker nog: ze had die film nooit gezien of er zelfs maar van gehoord. Riefenstahl, klaagden journalisten, klonk haar hele leven als een ‘kapotte grammofoonplaat’: haar waarheidszin was weggekwijnd, haar geheugen was door ambitie gecorrumpeerd.

Riefenstahl was in Berlijn het buurmeisje geweest van Marlene Dietrich, haar rivale, die net als zij verwoed de aandacht probeerde te trekken met bijrolletjes in kostuumdrama’s. Ze liet een reeks intieme diners met Josef von Sternberg ‘arrangeren’ omdat ze de femme fatale wilde spelen in Der blaue Engel.

Het is haar hele leven een bron van ergernis geweest: Dietrich kreeg de rol, het meisje uit haar straat dat – schrijft Bach in zijn biografie – ‘een diametraal tegengestelde verhouding had met de toekomst die zich zelfs toen al aan Duitsland opdrong’. Dietrich keerde zich tegen nazi-Duitsland, Riefenstahl werd ‘de geheime koningin van de Berghof’, die weliswaar geen maîtresse van Hitler was, maar sluw genoeg was om te laten geloven dat ze dat wel was.

Toen na de oorlog met sensationele krantenkoppen de publicatie van het intieme dagboek van de jaloerse Eva Braun werd aangekondigd, dat zo overduidelijk een vervalsing was, ging het in de commentaren niet over Braun maar vooral over ‘de verleidster’ Leni, ‘een manipulator, een parvenu en een nietsontziende opportuniste’. Ze zou naakt voor Hitler hebben gedanst, ze was een exhibitioniste die ‘het niet kon laten met haar kont te draaien’, een bemoeial die ‘mensen afbekt’. Toen al wilden producenten het leven van Riefenstahl verfilmen en deden ze voorspellingen: ‘Marlene speelt Leni’, alleen haar aartsrivale Dietrich kón die rol spelen.

Onlangs is, zoveel jaar later, in Berlijn een filmproject voor een biografische film over Leni Riefenstahl voorgesteld. Maar wie kan dit karakter aan? Wie voelt zich geroepen? Tweevoudig Oscar-winnares Jodie Foster had eerder al plannen voor een biografische film waarin ze zelf de hoofdrol zou spelen. Haar voornemen liep stuk op een conflict met Riefenstahl die vond dat niet Hollywood, maar zij het recht had om te bepalen hoe haar leven zou worden verfilmd. Foster ‘was in elk geval niet mooi genoeg om haar te spelen’, alleen Sharon Stone vond ze geschikt voor de rol.

Haar hele leven nam ze de regie van haar carrière zelf in handen. Bach, die eerder een spraakmakende biografie van Dietrich schreef, speurde in bibliotheken en filmarchieven naar niet onthulde geheimen en niet ontwarde raadsels. Zijn meeslepende boek schetst aan de hand van getuigenissen van zowel bewonderaars als felle tegenstanders het leven van een uiterst getalenteerde vrouw met een nietsontziende ambitie. Ze loog alsof het gedrukt stond; ze bagatelliseerde haar nazistische sympathieën en noemde haar documentaires Olympia en Triumph des Willens ‘puur historische films’. Ze behoorde tot de intimi van Hitler, ze ging om met de belangrijkste nazistische partijbonzen. Na de oorlog verklaarde het tribunaal haar in politiek opzicht ‘nicht betroffen’, omdat ze geen lid was geweest van de NSDAP; ze was, hield ze vol, alleen maar een Mitläuferin, niet iemand die willens en wetens het Derde Rijk had gediend.

Ze verdonkeremaande de geschiedenis van haar uitgesproken propagandistische en onmiskenbaar racistische documentaire Sieg des Glaubens over de partijdagen in Neurenberg. De film werd na de ‘Nacht van de Lange Messen’, waarbij Hitler met Ernst Röhm en zijn ‘bruinhemden’ afrekende, uit roulatie genomen omdat de vele beelden van een breed lachende, naast de Führer marcherende Röhm compromitterend waren voor de nazi’s. Toen de film jaren later werd teruggevonden, bleef ze ontkennen. Ze had, beweerde ze, na de inval in Polen als een soort ‘oorlogsverslaggeefster’ Hitlers overwinningsfeest ‘op het terrein’ meegemaakt, maar had er nooit oorlogsslachtoffers aangetroffen.

Voor een van haar films kon ze uit in een kamp weggestopte zigeuners een groepje figuranten kiezen, schrijft Bach, die als ‘dwangarbeiders’ werden opgevorderd en waarvan er velen later zijn vermoord. Namen van haar joodse medewerkers in de Berlijnse filmstudio’s werden geschrapt, maar ze hield vol dat ze nooit anti-joods is geweest. Ze had het allemaal nooit gezien, noch geweten.

Ze heeft altijd het bed gedeeld van mannen die haar in haar filmcarrière konden helpen, eerst als diva in ‘alpenfilms’, later bij haar partijdocumentaires, na de oorlog bij haar rehabilitatie en filmplannen in Afrika. De lijst van bedgenotes en ‘skivriendjes’ is lang, in de Berlijnse bierlokalen werd ze de ‘Landesgletscherspalte’ genoemd, ‘nationale gletsjerspleet’. Toen ze bij de nazikopstukken werd gesignaleerd, werd ze gepromoveerd tot Reichsgletscherspalte.

Bach evenwel heeft het niet uitsluitend over haar ambities en grenzeloze verheerlijking van de Führer, maar ook over haar door veel filmmakers geroemde technisch vernuft. Toen ze vele jaren later bij de Nuba-stammen ging filmen en fotograferen, ging ze op eenzelfde manier te werk als in haar vroegere documentaires: ze dramatiseerde en transformeerde. Ze sprak nu eens van ‘tableaus’, schrijft Bach, dan weer van ‘opwindende motieven’; ze beschreef bij één gelegenheid ‘een legerkamp vol fantastisch gedecoreerde mensen – een eindeloze stroom vlaggen en speren’, wat toch akelig deed denken aan een beeld uit haar Europese verleden.

Susan Sontag noemde haar beroemde fotoboek The Last of the Nuba (waarvoor Albert Speer optrad als ghostwriter) ‘het derde onderdeel van haar fascistische drieluik’ waarin de ‘afstandelijke, godgelijke Nuba’ motieven belichaamden die de thematiek van ‘haar naziwerk voortzetten’. Fascistische kunst, betoogde ze in het essay Fascinating Fascism, verheerlijkt de overgave, prijst de geesteloosheid en idealiseert de dood. Leni Riefenstahl was de zelfverklaarde ‘ontembare priesteres van de schoonheid’ die altijd met haar Führer heeft gedweept, in haar ogen ‘de kunstzinnigste man van Duitsland’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden