Nietig, bijna uit iets halfs geschapen

Twee jaar na de bloemlezing Uitzicht met zandkorrel zijn de verzamelde gedichten van Wislawa Szymborska verschenen. Ook Einde en begin werd vertaald door Gerard Rasch....

ER BESTAAN concordanties op het werk van dichters: een alfabetische woordenlijst met verwijzingen naar de plaatsen waar een bepaald woord voorkomt. Dat kan bij bepaalde woorden tot opeenhopingen leiden; dichters leven vaak maar op enkele grote metaforen. Ik vermoed dat een concordantie op de poëzie van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska even ongewoon zal zijn als haar poëzie. Hoe klein van omvang die ook is - zo'n tweehonderd gedichten -, de woordenlijst zou wel eens heel lang kunnen blijken en opeenhopingen zullen ontbreken (het woord 'steen' zal nogal wat verwijzingen krijgen). Ontelbare woorden, en vaak ongewone, zullen maar één keer voorkomen.

De woordenrijkdom is hiervan het gevolg: de dichter is er niet een van grote (die zijn er niet zoveel), maar van kleine woorden, voor een groot deel alledaagse. De verscheidenheid is ook gevolg van wat ik nu maar noem haar superieure opportunisme: zij is in de allerhoogste zin gelegenheidsdichter, bij wie het toeval de gedachten op dichten zet. Daardoor lijkt het, en dat is de grote charme van haar werk, dat ze bij elk gedicht opnieuw begint.

De opportunist is altijd zeer concreet (abstractie is met de gelegenheid in strijd). Ik ken weinig zo concrete dichters als Szymborska; Leo Vroman is er ook zo een. Ook die concreetheid brengt het grote aantal woorden mee. Als bij meer 'concretisten' lijken de woorden dingen, die zij soms, als het plezier bijna te groot wordt, als strooigoed gebruikt: ze schudt een spaarpot van woorden leeg. Dat heeft de werkelijkheid allemaal opgepot. Voor haar, zou ik haast zeggen.

In de gedachte woordenlijst zal één woord toch wel voor een opeenhoping zorgen: 'niet', al of niet in combinatie met 'weet'. Nogal eens wordt de vertrouwde wereld voorgesteld in de ontkenning ervan. Dat is geen grapje - hoe geestig het soms ook gebeurt. De ontkenning maakt de toevalligheid en willekeur van de per traditie geordende wereld zichtbaar. Ze ontkent even het systeem ervan. Men kan zeggen dat Szymborska zich tegen elke systematisering, elke hoger geachte ordening verzet, al is dat laatste weer een wat zwaar woord. Systeem maakt elke verwondering onmogelijk; systeem zorgt ook voor een oeuvre door grote gedachten bijeengehouden. Wie 'ik weet het niet' als belangrijkste houvast gebruikt, blijft nieuwsgierig en bereid steeds opnieuw te gaan denken en dichten. Wat er ten slotte staat, weet de dichter. Even. Er staat in haar verzamelde poëzie één gedicht met een overbodige titel; het heet 'Verwondering'.

Het kan een grote sprong zijn, maar afwezigheid van systeem, van abstracties ook (niet de mensheid, maar de mens), concreetheid dus, brengt humanisering mee en dat ook in de zin dat dieren en ook voorwerpen menselijk bezield raken. Je klopt bijvoorbeeld op de deur van een steen (in 'Gesprek met een steen', een superieur gedicht), je legt het wezen of niet-wezen van een zandkorrel bloot, je pelt een ui af en die blijft steeds maar ui, zonder een kern te laten zien. Heel voorzichtig, zonder de minste nadruk, ontvouwt zo'n tekst zich tot een metafoor van het menselijk bestaan. Soms gebeurt het zichtbaar, als in het gedicht 'Autonomie', misschien wel een der somberste uit het oeuvre:

Bij gevaar deelt de zeekomkommer zich in tweeën: zijn ene zelf staat hij de wereld af om op te eten, terwijl hij met zijn andere vlucht.

Hij valt heftig uiteen in ondergang en overleven, in boete en beloning, in wat was en wat zal zijn.

Dat leidt dan midden in het gedicht tot de regels: 'Sterven zoveel als nodig is, binnen de proporties./ Aangroeien zoveel als nodig is, uit de behouden rest.' Dat is zonder meer superieur, misschien vooral door dat licht-humoristische 'binnen de proporties', dat elke grootspraak aan de gedachte ontneemt. 'Binnen de proporties' - het zou een mooie omschrijving zijn van deze poëzie. 'Sterven zoveel als nodig' is trouwens ook niet gering. De poëzie van Szymborska lijkt met de losse hand geschreven, de traditionele poëtische regels laat ze bijna altijd achterwege - geen rijm, geen strofen in de aangepaste zin, geen metrum, maar, voorzover dat uit vertalingen is op te maken, meer een eigen ritme per gedicht.

Geen systemen dus, en dat is typerend. Die 'losse hand' is schijn, die praattoon ook: de gedichten zitten meestal heel weloverwogen in elkaar, al kan men zeggen dat ze soms te lang zijn: dan wordt een enkele schitterende vondst te zeer herhaald. 'Met andere woorden', denkt de lezer dan. Maar bijna geen gedicht of het levert een aantal superieure regels op. 'De Echo neemt ongeroepen het woord', staat in het gedicht 'Utopia'; het gedicht 'Spookdiertje' (een heel kleine halfaap) begint zo:

Ik spookdiertje spookdiertjeszoon spookdiertjeskleinzoon en -achter kleinzoon, een nietig schepseltje, besta uit twee pupillen en verder alleen de hoogstnoodzake lijke rest;

En dan staat er in de laatste strofe de regel: 'nietig schepseltje, bijna uit iets halfs geschapen.' Dat is niet alleen grandioos (een groot woord voor zoveel kleins), maar ook een prachtige omschrijving voor de aard van de door de dichter gebruikte woorden, of voor haar poëzie in haar geheel. Zij lijkt in haar gedichten van alles te houden wat op haar taal lijkt!

Relativering lijkt deze poëzie eigen, relativering ook van de poëzie zelf! Is het relativering? Ik citeer hier het begin van het gedicht 'De foto van een menigte':

Op de foto van de menigte is mijn hoofd het zevende van opzij, misschien het vierde meer naar links of twintigste van onderen;

mijn hoofd, ik weet niet welk, is niet meer één, is niet meer enig, lijkt al op soortgelijke, vrouwenhoofd noch mannenhoofd;

de kenmerken die het me geeft, zijn bij uistek geen bijzondere.

Dat is pas identiteitsverlies, men is zichzelf helemaal kwijt in de menige, wordt gelijk aan anderen. De ongeordendheid, die haar kracht als dichteres is, is paradoxaal ook haar grote probleem. Niets is uniek, zoals de unieke gedichten te verstaan geven. Misschien zijn haar gedichten over mensen, dieren, voorwerpen, wel grote reddingspogingen: voor even worden ze uit de anonimiteit - dat moet voor haar een geliefd woord zijn - gehaald en in hun betekenisvolle grootheid getoond. Gebrek aan uniekheid maakt ook onsterfelijkheid onmogelijk, het voorbijgaan (zonder weemoed geconstateerd) is een thema in deze poëzie. Leven is een vitale vorm van sterven; men laat van alles na, maar niemand kan het meer thuisbrengen, zoals de mens tijdens zijn leven ook weer van alles verliest. Leven is een verzameling momenten - ook hier geen systeem. Dat is heel mooi verwoord in het gedicht 'Toespraak in het kantoor voor gevonden voorwerpen'. (De dichter kan de beheerder van zo'n kantoor zijn!)

Szymborska's Nederlandse vertaler, Gerard Rasch, heeft uitgerekend dat zij gemiddeld vijf gedichten per jaar heeft geschreven. Dat kan de zwaarte van de lichtheid, de gevolgen van het gebrek aan systeem (waarbinnen zich gedichten gemakkelijk in series laten schrijven) laten zien. Haar officiële debuut - er gingen verloren voorwerpen geworden bundels aan vooraf - was in 1957. Zeven bundels schreef zij tot 1993; het lijkt erop dat zij in 1957 zichzelf en haar wereld (die een wereld moest worden) ontdekte. Men kan op een toenemende soberheid wijzen, maar veel ontwikkeling vertonen de gedichten niet, hoe verschillend ze ook allemaal lijken.

Sinds l993 schreef de nu 76-jarige dichteres nog vijf gedichten. In 1996 kreeg zij de Nobelprijs voor literatuur. Een jaar later verscheen Uitzicht met zandkorrel, een keuze uit haar gedichten, in de vertaling van Gerard Rasch. De bundel kreeg een heel informatief nawoord van de vertaler mee. Nu zijn onder de titel Einde en begin de verzamelde gedichten verschenen. Gerard Rasch, die nog maar net die meesterworp van de vertaling van alle gedichten van Zbigniew Herbert achter zich heeft, is de vertaler. De complete gedichten kunnen overigens bewijzen hoe bijzonder goed de keuze in Uitzicht met zandkorrel was. Als bij elke goede vertaling van poëzie wordt in de vertaling van Szymborska's poëzie de Nederlandse taal op nog onbekende manier geactiveerd. 'Verjaardag', dat een schitterend gedicht blijft, kan het bewijzen (alleen al de eerste regel):

Ineens zoveel wereld uit alle wind streken: een morene, een murene, een merel en meer, een otter en dotter, en noten en loten, waar zet ik het op, waar zet ik het neer?

Die winde en wikke, die zijde en zeg ge, die dravik en havik - waar moet ik ze leggen?

Dat is vertaalkunst!

In Einde en begin is ook het dankwoord opgenomen dat Szymborska uitsprak bij het in ontvangst nemen van de Nobelprijs. Een groot deel ervan behelst dat over poëzie niets te zeggen valt. Zij weet het niet. Maar zij weet het precies, zoals het slot bewijst. Wat ze daar over het dichten zegt, is, dunkt mij, het beste wat over haar poëzie te zeggen valt. Voor elke dichter is poëzie zijn poëzie! Haar laatste woorden waren:

'In de taal van het dagelijks leven gebruiken we (. . .) uitdrukkingen als 'de gewone wereld', 'het gewone leven', 'de gewone gang van zaken'. In de taal van de poëzie daarentegen, waarin elk woordt gewogen wordt, is niets gewoon, is niets normaal. Geen steen en geen wolk boven een steen. Geen dag en geen nacht na een dag. En boven alles niemands bestaan op deze aarde. Het ziet ernaar uit dat dichters altijd veel te doen zullen hebben.'

De dagelijkse taal: die is het smoesje voor ons niet-weten. Voor een systeem ook. Er is weinig poëzie die dat zo demonstreert als die van Wislawa Szymborska.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden