Niet behekst, wel betoverd

De hypermodern gerestaureerde cd-box met Alan Lomax’ opnamen van Haïti uit de jaren ’30 biedt een prachtige blik op een cultureel rijk en muzikaal bijzonder eiland; dat zo veel meer is dan de ellende waartoe de aardbeving het land heeft gereduceerd....

Het was de noodkreet na de noodhulp, en de hieraan gekoppelde invasie van westerse journalisten op Haïti. Laat de mythe over ‘het vervloekte eiland’ rusten, smeekte president René Préval de internationale pers. Er is geen vloek, we zijn niet behekst, nooit is een pact met de duivel gesloten.

De Haïtianen verafschuwen het westers onbegrip over hun cultuur, de sensationele verhalen over voodoo-riten met spektakelseks, over de zombieverschijningen op het eiland. De Amerikaanse ‘liedjesjager’ Alan Lomax (1915-2002) werd in 1936 dan ook stevig tegengewerkt toen hij in Port-au-Prince aanmeerde voor langdurig onderzoek naar de muzikale traditie van de Haïtiaan.

‘De overheid is erg wantrouwend ten aanzien van etnologen en onderzoekers zoals ik’, schreef Lomax vanuit de hoofdstad aan zijn opdrachtgever, de Amerikaanse staatsbibliotheek Library of Congress. Lomax werd een week vastgehouden alvorens hij op rondreis mocht voor zijn veldopnamen. Hij moest wachten op goedkeuring van de president, ‘Papa Vincent’, die helaas voor Lomax net even ‘op reis’ was.

Het voor zijn missie verwoestende voorwerk op Haïti was volgens Lomax verricht door een zekere William Seabrook, een Amerikaanse occultist en avonturier die na een Caribische reis het boek The Magic Island (1929) had geschreven, een racistisch werk over voodoo (inclusief pikante tekeningen) dat als ongekend beledigend werd ervaren door de Haïtianen. Het boek was een bestseller, dankzij welk de wereld voor het eerst kennis kon maken met de ondode ‘zombies’, die daarna al snel door filmzalen en pulpliteratuur zwalkten (en dat nog steeds doen).

De correspondentie van Lomax gedurende zijn onderzoek in ’36 en ’37, de notities in zijn dagboeken, uitvoerig documentatiewerk met landkaarten en schetsen, een schijf met filmopnamen en een tiendelige cd-box met Haïtiaanse volksmuziek verschenen eind vorig jaar bij muziekuitgever Harte Recordings.

De collectie is van groot cultuurhistorisch belang: voor het eerst zijn de Haïtiaanse opnamen van ’s werelds meest prominente etnomusicoloog en folklorist toegankelijk voor publiek, na nauwgezette en hypermoderne restauraties. In het licht van de actuele rampspoed die zich over Haïti heeft gebogen biedt de verzameling nu bovendien een prachtige blik op een cultureel rijk en muzikaal bijzonder eiland; een welkom imago na het synoniem voor ellende waartoe de aardbeving van 12 januari het land heeft gereduceerd.

Lomax, nog maar 21 jaar in 1936, trok naar Haïti om bewijs te vinden voor de destijds controversiële theorie dat de muziek van de zwarte Amerikanen in de zuidelijke staten gebouwd was op een fundament van Afrikaanse cultuur en ritmiek. Veldwerk op de Bahama’s en Jamaica was al gedaan, Haïti was een logische vervolglocatie, als voormalig Spaanse en Franse slavenkolonie en opstapland naar de Verenigde Staten.

Lomax vond op Haïti een weldadig en maagdelijk onderzoeksgebied. Hij hoefde het hoofd maar uit het raam van zijn hotel te steken, zo schreef hij in een brief aan de Library of Congress, om een wereld aan muzikale invloeden te kunnen registreren. ‘Dit is het rijkste en meest onontgonnen veld waarin ik ooit onderzoek heb kunnen doen. Ik hoor vijftien tot twintig verschillende straatliedjes door mijn hotelraam komen, elke ochtend als ik mij aankleed. De mannen zingen satirische ballades als ze koffie op de schepen laden in de haven. Bij de bovenklasse worden de oude Franse ballades in ere gehouden. De merengue, een populaire dans hier, is onbekend in Amerika en heeft wortels in de vermenging van Spaanse en Franse folktradities. De boerenorkesten spelen marsen, blues en merengue. De drumbands spelen verschillende dansen – de congo, de voodoo en de mascaron. (...) Al deze categorieën bevatten letterlijk honderden melodieën – Franse, Spaanse, Afrikaanse, een mix van die drie.’

Lomax merkte op dat de te onderzoeken stijlen van grote puurheid waren, want: ‘De radio, geluidsfilm en de grammofoon hebben nog nauwelijks een culturele invloed hier, voor zo ver ik het kan beoordelen, behalve misschien bij de kleine bourgeois in de kustplaatsen. (...) Dus ik denk wel dat ik kan stellen dat ik – tenzij de hemel op mijn hoofd valt – straks thuiskom met een aantal waardevolle opnamen voor de Library of Congress.’

En Lomax bracht inderdaad ruim 1500 opnamen naar de bibliotheek, opgenomen op aluminiumschijven. Fraai liedmateriaal, maar van beroerde kwaliteit. Lomax had zich in zijn correspondentie al beklaagd over de apparatuur waarmee hij op reis was gestuurd, en zijn veldopnamen zaten inderdaad vol white noise, plopjes, krassen, en compleet gewiste stukken. Het zou tot vorig jaar duren voor de erven Lomax en de Library of Congress een hightech-restaurateur vonden die de opnamen kon omwerken tot uitgeefbaar materiaal. Op de tien cd’s zijn nu aangrijpende straatopnamen te horen van Mardi Gras-bands, begeleid door batons (ritmestokken), chacha’s en tambours, dansmuziek en voodooliedjes, merengue, kinderliedjes, troubadours en erediensten.

Bijzonder moet de ontmoeting zijn geweest die Lomax had met de zangeres Francilla, een boerenmeisje zonder achternaam maar met gulle lach, die op Lomax’ verzoek uit het hoofd meer dan honderd voodooliedjes begon te zingen. Het zevende deel van de cd-collectie is geheel gewijd aan deze ‘Francilla, Ren Chante/Queen of Song’. Duidelijk hoorbaar is dat het klikte tussen Lomax en Francilla: soms barst ze tijdens een liedje in lachen uit, zo te horen na een opmerking van Lomax. Dan zingt ze hartverscheurend verder in de mengtaal Kreyòl: ‘Menaj mwen jalou, wap a manyen tete-m’ (Mijn vriendje is jaloers, jij voelt aan mijn borsten).

Behekst werd Lomax niet, betoveren liet hij zich wel, blijkens een bijna surrealistische passage in zijn dagboek. ‘We liepen de hoek om bij een hutje, en zagen vier of vijf paartjes een langzame one-step dansen in het steegje tussen een hoge cactushaag en het huis. Aan de haag hing een brandend fietswiel, dat een zachte oranje gloed verspreidde, en een flakkerend gouden licht wierp op de dansers. Ik wou dat ik kon omschrijven hoe mooi dit beeld was, hoe melancholiek en gracieus. De muziek ging van click, chatter, tinkle en een diep brommend thump thump.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.