Niet beginnnen bij het hoofd

Steeds meer been en meer dan been

Gerbrandy Piet

Niet beginnen bij het hoofd, zo luidt de titel van de debuutbundel van Hélène Gelèns (1967).

Niet bij het hoofd, maar waar dan wel? En beginnen met wat? Het laatste gedicht geeft uitsluitsel. Niet alleen mag er niet begonnen worden met het hoofd, ook de voet, de hand en de pink van de linkerhand zijn taboe. De ik neemt zich voor te beginnen bij vingertoppen, niet 'de'

of 'mijn' vingertoppen, maar bij toevallige, die van een meisje bijvoorbeeld:

bij vingertoppen die glijden zoals

ze zouden glijden en prikken

zoals ze zouden en kittelen

Dan trekken ze een krullende lijn in de lucht en schrijven: 'in vingertoppen tintelt gemis'. Vervolgens neemt de dichter die schrijvende vingertoppen over, 'ze tintelen / tot ik tast'.

Gelèns laat zich met een zekere onbevangenheid meevoeren met wat ze ziet en wat haar verrast, de taal neemt de beweging van het geziene over en vormt patronen die een eigen leven gaan leiden. Dat maakt haar poëzie speels en ondanks de hier en daar zware thematiek tamelijk opgewekt, alsof het construeren van taalmechaniekjes helpt de wereld hanteerbaar te maken. Voor Gelèns is schrijven een ambacht. Dat betekent dat ze haar denken weliswaar niet uitschakelt, maar dat ze doordrongen is van de aanwezigheid van een motorische wijsheid die vaak betere beslissingen neemt dan het vermaledijde hoofd.

Er wordt in deze bundel dan ook volop geademd, gelopen, gerend, gevlogen, gebladerd, gezwegen en gekeken. Zelfs het dode lichaam heeft persoonlijkheid, zoals blijkt uit een gedicht naar aanleiding van de tentoonstelling Körperwelten, waar geprepareerde lijven de toeschouwers verleiden: 'ook al lonk jij met lange wimpers naar mijn metgezel/ laat je hem om je heen draaien in je ogen zinken/ zacht je billen beroeren (...) je bent dood'. Ook al zijn jullie dood, concludeert de dichter, 'jullie zijn'.

Ook van een oude vrouw die zich kennelijk in de schemertoestand van haar laatste dagen bevindt, weet Gelèns de schoonheid op te roepen: 'ze lichtte haar deken op/ ik dacht wat een benen zo mooi'. Het lijkt alsof het sterven de uiteindelijke vervulling van een lang gekoesterde potentie is:

steeds meer been en meer

dan been

ik dacht wie wil ze dat ik ben

ik aaide

haar wangen haar slapen

aaide

het zijden haar aaide

Dit gedicht balanceert op de rand van de sentimentaliteit. Wat dat betreft gaat een tweedelig gedicht over een verloren liefde misschien net een stap te ver. In 'Staketsel van dagen' bladert de ik in oude agenda's, waarin de naam van de geliefde alleen genoemd is 'onder waarschuwen in geval van ongeval'. Toch duikt ook hier een fysiek beeld op dat het sentiment in het gareel dwingt: 'waden door die massagraven vol regelmaat/ lijstjes en doorgeschrapte taken/ vergeten staket van onmatige dagen/ wat er mist beademen.' De reanimatie van het gemis: iedere dokter kan je vertellen hoe riskant dat is.

Een van de sterkste gedichten heet 'Daar is de man'. Vier massieve strofen fungeren als passages in een raadselachtig spel waarvan de regels tijdens het lezen - of schrijven - ontstaan. In de eerste strofe begint een man te spreken: 'hij noemt zijn vier namen', want dit gedicht is zijn lichaam. Zijn stem tekent 'het land van de bloemen/ de moeder de vader de heuvels van daken/ de raven die cirkelend hoger en hoger zweven.' Even later verschijnen slangen die een straat afsluiten. In de volgende strofen ontwikkelen deze beelden zich op een manier die aan een fuga van Bach doet denken, want geen element gaat verloren, terwijl er steeds nieuwe combinaties ontstaan. De man banjert door de straat, 'hij noemt jouw vier namen', zijn stem tekent kamers, waarvan er één uitzicht op raven biedt. Het gedicht eindigt zo:

hier is de man

noem zijn vier namen

steel je stem teken en speel

Het spel dat hier gespeeld wordt heeft magische trekken. Met wie de verkeerde namen uitspreekt zou het weleens slecht kunne

n aflopen.

De gedichten van Gelèns vormen een poging door middel van taal de werkelijkheid te manipuleren. Dat die poging tot mislukken is gedoemd, blijkt al uit het eerste gedicht, dat begint met de verzuchting: 'schreef ik mijn gedichten maar niet zo traag'. Volgt een opsomming van wat er eigenlijk had moeten staan, en wat daarvan het effect zou zijn geweest. De laatste regels luiden echter: 'maar ik schrijf mijn gedichten traag/ en vertel iets anders dan ik je zou vertellen'. Er staat wat er niet staat. En het staat als een huis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden