'Niemand kan zeggen: ik was in de gaskamer'

Al schrijvend wekt hij zijn geheugen tot leven, en zo ontstond Le mort qu'il faut (De dode met mijn naam; Meulenhoff; A 18,50), zijn vierde roman over Buchenwald....

Hij dacht dat hij klaar was met Buchenwald. Drie boeken had Jorge Semprun geschreven over zijn ervaringen in het concentratiekamp, en hij had niet de intentie er nog eens op terug te komen. Maar plotseling, toen hij al tegen de tachtig liep, drong het kamp zich weer aan hem op, en bijna voor hij het wist had hij Le mort qu'il faut geschreven, zijn vierde roman over Buchenwald.

'Dat was niet voorzien of geprogrammeerd. Na Leven of schrijven, mijn derde boek over mijn herinneringen aan het kamp, dacht ik niet dat ik alles had geschreven wat ik te zeggen had, want het verhaal van de kampervaringen is oneindig. Ik denk dat ik nu meer dingen te zeggen heb dan toen ik in 1964 aan mijn eerste roman De grote reis begon, want al schrijvend wek ik mijn geheugen tot leven. Maar ik dacht dat ik een cyclus had voltooid, ik had een zekere distantie bereikt tegenover de gebeurtenissen, een zekere sereniteit. Wel, en vervolgens komt Le mort qu'il faut, een herinnering die zich aan mij opdrong. En ik sluit niet uit dat, als ik tijd van leven heb, ik nog een keer over het kamp schrijf.'

Jorge Semprun is inmiddels tachtig jaar, maar alleen zijn witte haardos verraadt zijn leeftijd. De Spaanse schrijver is dezelfde geestdriftige en begenadigde prater van altijd, die tijdens het gesprek in het statige vertrek van zijn uitgever in Parijs, waar hij het grootste deel van zijn leven woont, voortdurend op het puntje van zijn stoel gaat zitten, heftig gebarend om zijn betoog kracht bij te zetten.

Hij heeft veel te vertellen, deze representant van de 20ste eeuw, aan wie de verschrikkingen van die eeuw niet voorbij zijn gegaan. Hij heeft het allemaal meegemaakt: ballingschap, verzet tegen de Duitsers, bijna twee jaar concentratiekamp,organisator van de communistische ondergrondse tijdens de dictatuur van generaal Franco in Spanje, uit de communistische partij gegooid wegens burgerlijke denkbeelden, en een laatste politiek avontuur als minister van Cultuur in de socialistische regering van Felipe Gonzalez, dat eindigde met slaande deuren.

Dit leven heeft Semprun de bestanddelen geleverd voor een omvangrijk literair oeuvre, van filmscenario's tot essays en romans. De literatuur heeft volgens Semprun de belangrijke taak om de meest dramatische gebeurtenissen in de geschiedenis (en in zijn eigen leven) levend te houden. In tegenstelling tot andere schrijvers meent Semprun dat de fictie zich ook zal dienen te ontfermen over de concentratiekampen.

'Dat is niet alleen mogelijk, maar ook noodzakelijk. Want we naderen een historisch moment, waarop de getuigen van de kampen zijn verdwenen. Van de overlevende getuigen die ook kunnen en willen schrijven, zal niemand meer over zijn. Wat gebeurt er als er geen fictie meer over wordt geschreven? Dan zal er ook geen herinnering meer zijn van een van de meest betekenisvolle gebeurtenissen van de 20ste eeuw.

'Er zullen geschiedenisboeken zijn, sociologische boeken, allemaal absoluut onmisbaar en heel interessant, maar die zijn niet hetzelfde als het levende geheugen, de persoonlijke herinnering die de getuigenisliteratuur heeft overgedragen. Als er geen romanschrijvers zijn die deze herinnering literair durven te bewerken, zal die verdwijnen. De persoonlijke herinnering aan de concentratiekampen moet opnieuw uitgevonden worden door de fictie.

'Ik zeg niet dat dat gemakkelijk is. Maar als het niet gebeurt, wel, dan zullen de kampen slechts een episode zijn, verloren in de tijd, zoals zoveel andere. Van de Eerste Wereldoorlog resten ons nog de romans, want de getuigen daarvan zijn ook dood. De herinnering aan de concentratiekampen is nog gevaarlijker, dramatischer. Daardoor bestaat het gevaar dat die een beetje heilig verklaard wordt. Dat er mensen zijn die zeggen: nee, u heeft niet het recht daarover te schrijven. Bent u getuige geweest? Nee? Nou, schrijf er dan ook niet over. Ik ben het daar fundamenteel mee oneens. Voor de literatuur is niets heilig.'

Semprun spreekt in Le mort qu'il faut verschillende keren over 'storende getuigen', over de neiging de ware getuigen te veronachtzamen. 'Er zijn, laten we zeggen, misschien honderd boeken over de concentratiekampen die echt belangrijk zijn, van directe getuigenisliteratuur tot meer uitgewerkte literatuur, vermenging van fictie en getuigenis. Maar er zijn duizenden boeken met commentaren op die honderd. Het genre van het commentaar heeft de literatuur overvleugeld.

'Dat is een beetje het gevolg van een uitspraak van Primo Levi in De verdronkenen en de geredden, een heel mooie uitspraak, maar vanuit filosofisch oogpunt volkomen fout. Hij zegt, en ik citeer uit mijn hoofd: wij die getuigen zijn geweest, zijn niet de ware getuigen; de ware getuigen zijn dood, zijn degenen die tot het einde van de ervaring zijn gegaan, die het gezicht van de dood voor zich hebben gezien.

'Een heel aangrijpende uitspraak, maar Primo Levi wist net als ieder mens dat de getuigen altijd de overlevenden zijn. Om te praten over iets dat gebeurd is, moet je overleven. Daarom zijn de ervaringen van de gaskamers zo bijzonder, want daar zijn geen overlevenden van. De hele geschiedenis dóór zijn er getuigen geweest die konden zeggen: ik was in Thermopilae, ik was bij de plundering van Rome, ik was in de Spaanse Burgeroorlog. Maar niemand kan zeggen: ik was in de gaskamer.

'Niettemin, sinds die uitspraak van Levi, is de overlevende getuige verdacht. De filosofen en critici die dit zeggen, beseffen niet dat dit een typische stalinistische gedachtegang is. Voor het bewind van Stalin waren alle Russische overlevenden zo verdacht, dat ze direct van de nazi-concentratiekampen naar de kampen van de Goelag gingen. Overleven was verdacht, om een waardig Sovjet-mens te zijn was het nodig dood te zijn.

'De beste getuige voor de commentatoren, de historici, de sociologen, is degene die het meest op een dode lijkt. Bijvoorbeeld iemand die erin is geslaagd een boek te schrijven en daarna nooit meer een letter op papier heeft gezet. Of daarna zelfmoord heeft gepleegd.

'Soms word ik hierover heel boos, soms moet ik erom lachen. Alsjeblieft, sinds wanneer zijn de getuigen degenen die zijn gestorven? En waarom zou een overlevende schuldig of semi-schuldig zijn? Ik heb geen enkel gevoel van schuld. Ik heb het overleefd door geluk of door toeval, omdat ik in een heel politiek concentratiekamp zat, waar ook het politieke verzet goed georganiseerd was. In een ander kamp had ik dat geluk niet gehad.

'Ik begrijp natuurlijk wel het schuldgevoel dat de joodse overlevenden hadden. Iemand wordt gedeporteerd omdat hij joods is, niet omdat hij iets gedaan heeft – en samen met zijn hele familie. Bij het binnenkomen van het kamp staat een soort god van de Dood die zegt: jij naar links, jij naar rechts. En die joodse overlevende heeft zijn moeder, zijn kleine zusje naar rechts, dat wil zeggen: naar de gaskamer zien gaan. Zijn hele leven zal hij zich afvragen: en waarom ik niet, waarom leef ik? Maar dit is een specifiek joods probleem. Geen enkele politieke gedeporteerde heeft die twijfels, die is nooit aan zo'n selectie onderworpen geweest.'

Semprun is een vurig pleitbezorger van de literaire fictie, maar geeft de schrijver geen carte blanche. 'Ik verzin af en toe een personage, meestal een samenstelling van tientallen mensen die ik gekend heb. Maar 90 procent is gebeurd precies zoals ik het vertel. Mijn grens is dat ik nooit iets zal verzinnen dat door de zogenoemde revisionisten of negationisten gebruikt kan worden om te zeggen: dit is niet waar, hier zijn de documenten die aantonen dat dit niet is gebeurd, dus uw boek is vals.

'Het is heel moeilijk om de werkelijkheid van de concentratiekampen over te brengen, dus moet je je toevlucht nemen tot literaire technieken. Voor alle overlevenden, voorzover ik ze ken, is het meest karakteristieke, het eerste dat zij zich herinneren, de geur van de oven van het crematorium. Hoe breng ik over wat de geur van de oven van het crematorium is aan mensen die die nooit hebben geroken? Hier moet je een literaire vorm voor vinden, wat Primo Levi de gezuiverde of gefilterde vertelling noemde.'

Jorge Semprun heeft twintig jaar nodig gehad vóór hij voor het eerst over Buchenwald kon schrijven. 'Toen ik terugkwam uit het kamp, wist ik zeker dat wanneer ik hier direct over ging schrijven, ik zou blijven vastzitten in de herinnering aan de dood, en uiteindelijk zelfmoord zou plegen. En op dat moment wilde ik mij storten in het project leven. Vandaar mijn politieke betrokkenheid, mijn besluit te gaan werken in de clandestiniteit in Spanje.

'De politiek is voor mij de beste vorm van therapie geweest. Morgen valt Franco, kon je elke dag denken, en misschien niet morgen, dan overmorgen. De volgende dag of het volgend jaar was wat telde. De politiek wist het verleden constant uit.

'Het is geen toeval dat ik kon gaan schrijven precies op het moment dat ik uit de directe politiek ging, dat ik uit de Communistische Partij werd gezet. Toen ik later weer terugkeerde in de politiek, stopte ik met schrijven. Voor de politiek moest ik mijn verleden vergeten, en voor de literatuur moest ik terug naar mijn herinnering en mijn politieke ervaringen vergeten.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden