Niemand gaat meer uit om iets te kopen

Op 25 december 1943 schreef Ina Boudier-Bakker in haar dagboek: 'Wat een Kerstmis. Verleden jaar was het al erg...' Toch konden de Utrechters nog redelijk in hun primaire levensbehoeften voorzien....

Op de avond van 14 mei 1940 - toen de ondergaande zon een bloedrode gloed over de stad Utrecht wierp - verwerkte de schrijfster Ina Boudier-Bakker (1875-1966) op de stoep voor haar huis aan de Oudegracht het 'verpletterende' nieuws van de Nederlandse capitulatie. 'De gracht is leeg en verlaten', noteerde zij in haar dagboek. 'Dan komt bij ons, onze buurman, de Joodse dokter Perel, en zegt zacht: Nu begint het voor ons.'

Voor het gros van de Utrechters zou de capitulatie waarvan Ina Boudier-Bakker zo onder de indruk was, geen plotselinge omslag markeren. Akkoord, er zou zich betrekkelijk snel materiële schaarste gaan manifesteren. Op 28 april 1941 schreef Boudier-Bakker in haar dagboek: 'Ik ging de Oudegracht op, daar was het zo leeg en rustig als vroeger op zondagmorgen. Ik kwam in de Lijnmarkt, waar 't altijd vol is met winkelbezoekers - daar liep niemand; de straat leeg, de winkels leeg. In de Choorstraat niemand. Niemand gaat meer uit om iets te kopen, want er is niets meer. Utrecht is een verlaten, doodstille stad geworden.'

Maar het duurde nog jaren voordat de eerste levensbehoeften in het gedrang kwamen. De keuzevrijheid van de Utrechtse consument kwam ten einde, maar honger leed hij niet, vooralsnog. Vanuit het naburige tuinbouwgebied in Vleuten-De Meern werden de stedelingen van groenten en vruchten voorzien. Deze producten waren tot in 1943 vrij, dat wil zeggen: buiten het distributiestelsel, verkrijgbaar.

Zij het dat de vooroorlogse waar gaandeweg werd aangevuld door gewassen die voorheen niet als eetbaar werden beschouwd, zoals brandnetels (die in 1943 voor vijftien cent per halve kilo werden aangeboden). In de kranten trachtte keukenprinses Mien Bakgraag de huisvrouw met vindingrijke recepten tot aankoop van deze lekkernij te verleiden. Zonder veel succes overigens. Pas in de uitloop van de hongerwinter zetten de consumenten zich over hun schroom heen.

Voor schaarse producten - boter, melk en eieren - stond men daarentegen in de rij. De prijs van een ei steeg van 35 cent in juni 1942 tot 1,35 gulden in mei 1944. Voor een pondje boter moest in oktober '42 vijftien gulden worden neergeteld. In mei '43 was de prijs opgelopen naar 35 gulden. De prijs van melk was stabieler, maar dit hing ook samen met de toevoeging van water - een streng verboden handeling waar veel verkopers zich in die jaren aan bezondigden. Zo maakten de lokale kranten in maart 1943 melding van de veroordeling van de Utrechtse melkverkoper Jan Baas tot een boete van dertig gulden of veertien dagen hechtenis 'wegens het verkopen van taptemelk waaraan op honderd delen ongeveer veertig delen water waren toegevoegd'.De beschikbaarheid van brood en aardappelen bleef tot het najaar van 1944 redelijk op peil. Het broodrantsoen bedroeg tweeduizend gram in 1940, en 1800 gram per week in september '44. De toewijzing van aardappels steeg van 1538 gram per persoon in 1941 tot 4150 gram in de zomer van 1944. En daarmee konden de Utrechters zich kennelijk redden. Zij maakten althans op beperkte schaal gebruik van de diensten van de Centrale Keuken - waar tegen geringe kosten warme maaltijdenwerden verstrekt. Van 1941 tot 1944 nam de gemiddelde Utrechter slechts drieënhalve liter voedsel (meestal soep) van deze instelling af.

De Utrechtse historicus Gerard Trienekens durfde in 1985 zelfs de stelling aan dat de kwaliteit van het voedsel - en daarmee de gezondheidstoestand van de gemiddelde Nederlander - gedurende de eerste jaren van de Duitse bezetting toenam. Dit hing samen met de nivellerende invloed van het distributiestelsel (de rijken aten minder en de armen aten meer), en met de vervanging van suikers en vetten door minder ongezonde surrogaten. Trienekens kon zijn these uitbundig documenteren, maar oogstte - vooral

oudere landgenoten - veel onbegrip en woede. Zij waren nog niet bereid of in staat om de ontberingen van de oorlog te relativeren.

Dat de statistische werkelijkheid van de Duitse bezetting niet altijd strookt met de waarnemingen van de tijdgenoten, blijkt ook uit economische ontwikkelingen in die jaren. De werkloosheid in Utrecht nam af van 8382 mensen in oktober 1939 (12 procent van de beroepsbevolking) naar 123 in december 1943. Maar deze cijfers zijn nogal geflatteerd: de groei van de werkgelegenheid werd in eerste instantie bevorderd door bestellingen van de Duitse Wehrmacht. Hiervan profiteerde vooral de, in Utrecht goed vertegenwoordigde, metaalsector. In tweede instantie had de gedwongen tewerkstelling van jonge mannen in Duitsland een vertekening van de werkloosheidsstatistieken tot gevolg.

Wat zagen Ina Boudier-Bakker en haar Utrechtse tijdgenoten dan wél? Zij zagen dat de joodse medeburgers eerst werden gemarginaliseerd, en vanaf 2 mei 1942 een davidster moesten dragen. 'Het is een zwarte dag voor de Joden - voor ons allemaal', commentarieerde Boudier-Bakker. 'Van schaamte, dat zoiets in ons land kan gebeuren.' De slotakte van de tragedie volgde binnen een jaar. 'Ik ben de jonge mevrouw Herschel en haar man gaan goedendag zeggen', noteerde BoudierbijBakker. 'Ik kon er niet overheen, en ben de hele dag doodsbedroefd geweest. En 's avonds zijn ze weggetrokken; om acht uur trokken ze langs de grachten, de straten, met hun bundeltje, sommigen schreiend, anderen zich goed houdend - wetend: de dood tegemoet.'2n 1943 verdwenen ook de studenten uit het straatbeeld van IUtrecht. Zo'n negentig procent van hen weigerde de zogenoemde loyaliteitsverklaring - de belofte zich van verzet te onthouden - te tekenen, dook vervolgens onder, of werd in 'het oosten' tewerkgesteld. Op den duur waren alle mannen 'van weerbaren leeftijd' feitelijk vogelvrij.

De achterblijvers zochten vertier in uitgaansgelegenheden. Ina Boudier-Bakker en haar echtgenoot bevonden zich in de schouwburg toen, vanwege de Duitse nederlaag bij Stalingrad, drie dagen rouw werden afgekondigd. 'Het effect was dat het publiek begon te applaudisseren, en in de hal aan het hossen is geslagen. Er is luchtalarm gemaakt. Later begrepen we dat dit blijkbaar is gedaan om de Hollanders van de straat te houden, want er was geen vliegtuig in de lucht.'

Het Centraal Museum registreerde in het seizoen 1943-'44 ruim 21 duizend bezoekers, tegen ruim elfduizend in het voorafgaande jaar. Er werden op verschillende plaatsen in de stad 27 kunsttentoonstellingen belegd. De (in 1941 geopende) Stadsschouwburg ontving in dit 'culturele topseizoen' ruim negentigduizend mensen, twintigduizend meer dan in 1942-'43. De Nederlandse bioscopen verkochten in 1943 circa 55 miljoen kaartjes.

Het waren de enige vormen van escapisme die de bevolking nog restte. Ina Boudier-Bakker maakte zich al in november zorgen over de voedselvoorziening tijdens de naderende feestdagen. 'We zullen met Kerstmis extra bonnen krijgen voor olie, suikerwerk en stroop', schreef zij op 23 november in haar dagboek. 'Geen thee, zoals verleden jaar. Thee is nergens meer. Wat is er wél?' Negentig ton sardientjes, beschikbaar gesteld door het London Committee of the Netherlands Red Cross. Maar dit gebaar bleef in Utrecht onopgemerkt. Wel waren er tijdelijk sigaretten van redelijke kwaliteit uit de Oekrai¿ne beschikbaar. Hiervan werden er overigens meer aan de mannen toegewezen dan aan de vrouwen.

Het officiële nieuws werd gedomineerd door berichten over de 'taaie weerstand'

van de Duitse troepen tegen het Rode Leger. In alles klonk de vermaning aan de lezer door 'dat 1943 géén 1918 is'. Het stil beleden vertrouwen in de nabijheid van de Duitse nederlaag was, met andere woorden, ongegrond. Boudier-Bakker vreesde dat deze pretentie was ingegeven door het bezit van een geheim wapen.

Mussert bracht in december een bezoek aan Hitler, 'niet vermoedende dat dit de laatste maal zou zijn', schreef hij later. Het was een aangenaam samenzijn geweest, meende de 'leider' van de NSB. Er werden taartjes en thee geserveerd en Hitler zou enige ontvankelijkheid aan de dag hebben gelegd voor Musserts standpunten. Vlak voor 'het afscheid in hartelijke verbondenheid' had de gastheer zich nog kostelijk geamuseerd over Musserts vertaling van het gezegde 'de beste stuurlui staan aan wal'.

In Utrecht schreef Ina Boudier-Bakker op eerste kerstdag in haar dagboek: 'Wat een Kerstmis. Verleden jaar was het al erg, maar toen vermoedden we nog niets van evacuatie, en was dat afschuwelijke nog niet gebeurd, dat de mensen uit hun huizen gejaagd worden. [...] Wij zijn rustig alleen geweest vandaag. Ik heb geen kerstboompje gemaakt dit jaar, had er geen lust in - al die kerstbomen van de Duitsers stuiten me te veel.'

Een week later, tijdens de viering van oud en nieuw, was de stemming in huize-Bakker niet veel opgewekter. 'Zo doods en stil de straten nu na twaalf uur. Anders de vrolijke saluutschoten van het Nieuwe Jaar. Wat lijkt dat alles onmogelijk lang geleden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden