NEWGRASS OP ZEGETOCHT

Geen muziekgenre is zo onooglijk als bluegrass, en toch is het genre ongekend vitaal. Enthousiasme, techniek en avontuur klinken door in newgrass....

DOOR ARIEJAN KORTEWEG

Het begint met de artiesten, die als ze al zin hebben om zich voor een concert in iets schoons te hijsen, doorgaans naar een bloemetjesjurk van oma grijpen, of anders het hemd aantrekken waarin vader altijd ganzen ging schieten. Op het podium zetten ze geen stap te veel. De vormgeving van de albums in dit genre is zo suf dat je ook bij kersverse releases te maken denkt te hebben met een heruitgave uit het grijze verleden: iets met bloemen, instrumenten op een veranda, gekke brillen of pentekeningetjes van vogels – dat is zo ongeveer het idioom. Geen muziekgenre oogt zo onaantrekkelijk als bluegrass.

Aan die vormgeving en presentatie herken je nog de oorsprong. Bluegrass is ontstaan – of liever gezegd: bedacht – in de binnenlanden van Kentucky, waar elke vreemdeling als een potentiële paardendief werd bekeken. Voor zover bekend is het de enige muzieksoort die willens en wetens is bedacht door één persoon. Het was mr. Bill Monroe (1911–1996), mandolinereus en eigenheimer, die het genre muntte, de instrumenten verordonneerde, thema’s, sfeer en tempo vastlegde. Bluegrass, dat klinkt als ruzie in het kippenhok. Mandoline, fiddle, gitaar en vaak ook banjo verkeren in grote staat van opwinding en kakelen om het hardst, terwijl de boer met hoge stem orde probeert te houden. Het is, om het wat eerbiediger te zeggen, een high, lonesome sound: een felle tenor, gepareerd door stekelige instrumenten. In de beste bluegrass gaan virtuositeit en emotie hand in hand; de muzikanten kunnen laten horen wat ze waard zijn, terwijl de luisteraar een traantje wegpinkt, of juist een week van zwoegen van zich af danst.

Door de jaren heen waren er dissidenten genoeg. In de jaren zeventig mengde bluegrass zich met marihuanarook tot een ruimtelijke, trage variant. In de jaren tachtig was er een technocratische bluegrass. Maar al die tijd bleef het woord van Monroe wet.

Ondanks die ogenschijnlijke rigiditeit is bluegrass onwaarschijnlijk vitaal. Juist de laatste paar jaar duiken allerlei bandjes van frisse, eigentijds ogende jongelui op die beweren dat ze óók bluegrass spelen. En inderdaad, ze leggen een grote liefde aan de dag voor de akoestische instrumenten die een halve eeuw geleden al in Kentucky werden klaargelegd. En vaak genoeg spelen ze bij wijze van eerbetoon nog wel Blue Moon of Kentucky, of Mule Skinner Blues of Orange Blossom Special. Newgrass is de verzamelnaam die voor hen is gereserveerd – een term uit de jaren zestig die nu nieuw leven wordt ingeblazen.

De bandjes heten Nickel Creek, Crooked Still, Harkensaw Boys, Old Crow Medicine Show, The Duhks, Astrograss, Donna the Buffalo of Yonder Mountain String Band. Wat ze gemeen hebben is een tomeloos enthousiasme, grote beheersing van hun instrumenten en een avontuurlijke geest. Bluegrass is voor hen een soort terugkeer naar de moederschoot van onbespoten, oer-Amerikaanse muziek. Intussen hebben ze hun oren wijd open. In newgrass hoor je de Beatles (Yonder Mountain: Yonder Mountain, Vanguard), Ierse folk (The Duhks: Migrations, Sugar Hill), en strijkkwartetten (Crooked Still: Shaken by a low sound, Signature) terug. Er is zelfs newgrass met klezmer-invloeden (The Bad Livers, beste en wildste act in het genre) en newgrass waarin je zowat de hele planeet terughoort. Dat laatste geldt voor Nickel Creek, een groepje dat bestond uit neef en nicht Watkins plus mandolinewonder Chris Thile. Nickel Creek staat na drie juichend ontvangen albums op non-actief, zodat vooral Thile zich aan solo-projecten kan wijden. Geen zee gaat hem daarbij te hoog. Mandoline-epos, duel met rockgitaar, halsbrekend uitstapje naar de jazz en countryballade – Thile, 22 jaar pas, heeft het allemaal al achter de rug (Chris Thile & Mike Marshall: Live duets, Sugar Hill. Chris Thile: How to grow a woman from the ground, Sugar Hill). Andere virtuozen met solo-albums waarop de expansiedrang van bluegrass doorklinkt zijn Sam Bush (Laps in Seven, Sugar Hill) en Casey Driessen (3D, Sugar Hill).

Inmiddels heeft godfather Monroe een opvolgster. Zangeres en violiste Alison Krauss zet al jaren de norm in de bluegrass. Ze is gezegend met een hartverscheurend mooie stem, heeft een fantastisch gehoor en haar band, Union Station, is niet te overtreffen. Hoe goed ze zijn hoor je op hun live-dubbel album, een absolute standaard in het genre, ook omdat de bluegrass hier door gospel- en soulinvloeden zachte randen krijgt. De dvd van dezelfde concerten laat zien wat een ontroerende onhandigheid ook zo’n supergroep op het podium aan de dag legt.

Hoe is die vitaliteit van bluegrass te verklaren? Bluegrass is van oorsprong mountain music, boerenmuziek. Zoals alles van het platteland was ook de bluegrass voorbestemd ooit koers naar de grote stad te zetten. Die reis ging met het tempo van paard en wagen. Maar inmiddels is de bluegrass als newgrass gearriveerd in New York, in Austin, in Boston, in Los Angeles, en trouwens ook in heel wat steden van Europa. Daar dansen de newgrassers hand in hand met hiphoppers, folkies, urban-adepten, verlate grungers en conservatoriumstudenten. Daar kan nog veel moois van komen.

O ja, en echte bluegrass-vedetten debuteren doorgaans rond hun vijftiende, dus ze gaan lekker lang mee.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden