New Orleans danste altijd op hellend vlak van corruptie en wanbestuur

Sinds Frankrijk het Amerikaanse militaire optreden in Irak met kritiek overlaadde, staat het land er niet goed op bij veel Amerikanen....

Maar op één plek hebben de anti-Franse sentimenten geen vat gekregen: New Orleans. Nooit is er overwogen om het French Quarter te herdopen in het Freedom Quarter, niemand is met een onberispelijke Amerikaanse naam op de proppen gekomen voor het jaarlijkse Mardi Gras-feest. Dat zou ook bijzonder vreemd zijn geweest in een stad waar zoveel Frans bloed door de aderen stroomt.

New Orleans is de ziel van Amerika, zei jazztrompettist Wynton Marsalis, die zelf uit de stad afkomstig is. Als emotionele reactie op de schokkende beelden is zon opmerking begrijpelijk, maar ze klopt niet. New Orleans is veeleer de joyeuze, buitenissige neef van de Amerikaanse familie, die vooral op feestjes en partijen een gevierde gast is, maar wiens levensstijl toch ook aanleiding geeft tot veel misprijzen.

Of anders kan het karakter van Blanche DuBois, hoofdpersoon van het in New Orleans gesitueerde (en in 1951 door Elia Kazan verfilmde) toneelstuk A Streetcar Named Desire van Tennessee Williams, fungeren als metafoor. Ze mijdt het volle licht om te verbergen dat haar schoonheid is aangetast door de jaren. Ze doet alsof ze zich in een voornaam milieu beweegt, maar in werkelijkheid is haar familie aan lager wal geraakt. Ze gaat vrijmoedig om met de waarheid. Ik wil geen realisme, zegt Blanche. Ik wil magie, ja ik wil de mensen magie schenken. Ik stel de dingen soms wat anders voor dan ze zijn. Ik spreek niet de waarheid, ik spreek wat de waarheid zou moeten zijn.

New Orleans is altijd een stad met twee gezichten geweest. Het gezicht van Franse gratie en dat van Angelsaksische bravoure. Dat is dan nog een attractieve vorm van kruisbestuiving, maar er zijn ook combinaties met een schrijnende inslag. Want er zijn weinig Amerikaanse steden waar de tegenstellingen zo scherp zijn, al onttrekken ze zich aan de waarneming van bezoekers die zich beperken tot het zwoele leven van het French Quarter en de statige luxe van het Garden District.

New Orleans is de bakermat van de jazz, waar musici van diverse raciale pluimage triomfen hebben gevierd, maar de stad is ook de broedplaats van schimmige spirituele groepen en ranzige politieke bewegingen (de racist David Duke had jarenlang zijn thuisbasis in de voorstad Metairie). Tegenover het New Orleans van de enerverende muziekfestivals en het bruisende nachtleven staat het New Orleans waar misdaad en corruptie welig tieren. Wat aan de buitenkant glanst en glimt, blijkt aan de binnenkant vaak vergane glorie. In dezelfde stad die haar straten namen heeft gegeven als Abundance, Joy, Desire (zie Tennessee Williams) en Amour, heersen bittere armoede en ongeletterdheid.

Een substantieel deel van de zwarte inwoners die tweederde van de bevolking vormen leeft op de grens van criminaliteit en illegaliteit. Achtereenvolgende zwarte burgemeesters hebben daaraan weinig kunnen veranderen. Het stadsbestuur wordt vanouds geteisterd door nepotisme en vriendjespolitiek. Ook op het niveau van de staat Louisiana is bestuurlijke competentie een schaars artikel. Een van de redenen waarom een betere bescherming van de kwetsbare Mississippi-delta niet van de grond is gekomen, ligt in het feit dat deelbelangen altijd weer prevaleren en de plaatselijke politici zich nooit sterk hebben gemaakt voor een totaalplan (dat wel degelijk bestaat), om vervolgens de nodige federale steun los te peuteren. New Orleans heeft de bijnaam Big Easy, maar het zijn vooral de verkeerde dingen die met groot gemak verlopen.

Deze notie zal veel Amerikanen ongetwijfeld door het hoofd spelen wanneer ze kijken naar de beelden van de verwoestingen die orkaan Katrina heeft aangericht. De terreuraanslagen op New York en Washington, ja die raakten Amerika in de ziel, niet in de laatste plaats vanwege de complete overrompeling. Maar in dit geval zullen de gevoelens van ontzetting en mededogen bij menigeen toch op z'n minst vermengd zijn met een lichte meewarigheid over de politieke en bestuurlijke incompetentie van het Diepe Zuiden.

Zo bezien hoeft president Bush niet bang te zijn dat hij bij uitstek verantwoordelijk wordt gehouden voor alles wat voor en na de noodlottige komst van Katrina is misgegaan. Het zijn in de eerste plaats de plaatselijke politici die hebben gefaald. Maar er is nog een factor in het geding. De chaotische en mensonterende taferelen in het rampgebied hebben een grote smet geworpen op de Amerikaanse can-do-reputatie, en dat straalt wel in hoge mate af op het Witte Huis. En terecht. Want bij een ramp van deze omvang, die uiteindelijk het hele land raakt (al is het maar economisch), dient de president leiding te geven. Hij moet de juiste toon aanslaan en laten zien dat hij de regie heeft.

Daar ontbrak het hevig aan toen Bush woensdagavond voor de camera's verscheen. Hij begon hulpactiviteiten te prijzen, terwijl de televisiebeelden duidelijk maakten dat de slachtoffers daar nog niets van hadden gemerkt. Het leek haast wel of hij de in de huid van Blanche DuBois was gekropen: Ik spreek niet de waarheid, ik spreek wat de waarheid zou moeten zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden