Netwerk van bollebozen

Hans Bots, De Republiek der Letteren (****), non-fictie. Vantilt; 223 pagina’s; €24,50.

Wie had de differentiaalrekening uitgevonden? Newton of Leibniz? Heel Europa wilde het weten. Waar het precies over ging, wist bijna niemand, maar de grootste geleerden van het continent stonden als kemphanen tegenover elkaar. Woedende brieven vlogen heen en weer, en werden driftig gekopieerd en verspreid. Newton beschuldigde Leibniz van plagiaat; volgens Leibniz leed Newton aan grootheidswaan. Uiteindelijk wierp de Royal Society zich op als scheidsrechter. Er zou een diepgravend onderzoek komen. En de opdracht daarvoor ging naar... het zeer geëerde Society-lid Isaac Newton. Die schreef een dik rapport, met als conclusie: ik heb gelijk.

Het was ook meer een vriendenclub, de Society. Of beter, de club van bewonderaars van Newton. En bang waren ze ook. De auteur van de Principia duldde geen tegenspraak. Maar hoe amateuristisch ook, verenigingen als de Royal Society vormden de eerste stap op weg naar georganiseerde wetenschap. Het waren de eerste echte onderzoeksinstituten in de ‘Republiek der Letteren’. Dat begrip was toen zo’n anderhalve eeuw oud. In die denkbeeldige republiek was iedereen gelijk, mocht iedereen zeggen wat hij wilde en werd iedereen met respect behandeld. En iedereen mocht meedoen. Dat wil zeggen, als je de portokosten kon betalen, want de Europese postdiensten waren betrouwbaar maar ook duur. Zo groeide er in de 16de eeuw een uniek netwerk van geleerden, edelen, hoge ambtenaren en geestelijken, die elkaar op de hoogte hielden van de laatste nieuwtjes. Niet alleen op wetenschappelijk gebied. Actuele politieke ontwikkelingen en roddels werden ook grif gelezen.

Duizenden schreven mee. De een had twee correspondenten, de ander tweehonderd. Het beschaafde ideaal werd daarbij niet altijd gehaald. Regelmatig braken er fikse ruzies uit. Maar daar wil Hans Bots het in zijn De Republiek der Letteren niet over hebben. Hij vertelt liever over het immense succes van de Republiek. Over de intensieve uitwisseling van ideeën, waardoor wetenschappelijke vooruitgang mogelijk werd. En hij wil het hebben over de cruciale rol van die andere republiek, die van de Zeven Verenigde Nederlanden.

Ten eerste was daar Erasmus, die in zijn tijd al ‘de vorst van de Republiek der Letteren’ werd genoemd. Erasmus is als geen ander verantwoordelijk voor het idee dat geleerden religieuze geschillen in alle rust moesten kunnen bespreken.

Dan was er de Leidse universiteit. De traditionele Europese universiteiten speelden in het intellectuele netwerk nauwelijks een rol. Daar waande je je nog in de Middeleeuwen. Maar Leiden kreeg de kans om een compleet andere universiteit te stichten. En geld speelde geen rol. Voor enorme ‘transferbedragen’ werden de grootste geleerden overgehaald om zich daar te vestigen. Sommigen waren weer snel verdwenen, maar de basis was gelegd. Leiden werd de eerste universiteit die volop deel uitmaakte van dat revolutionaire netwerk. Andere geleerden (Descartes, Locke, Bayle) zochten hier vooral vrijheid. Hier konden ze hun revolutionairste werk laten drukken. Zo werden Nederlandse drukkers toonaangevend in Europa. Amsterdam werd, in de woorden van Voltaire ‘de boekwinkel van Europa’. Terwijl de Franse douane zijn best deed om alle schandalige Franstalige titels tegen te houden, bestelde Jean-Paul Bignon, hoofd van de koninklijke bibliotheek in Parijs, karrevrachten vol met diezelfde boeken. Hij wilde alles.

Wie nu in de Bibliothèque nationale gaat kijken, treft daar nog een ‘project’ van Bignon aan: de compleetste collectie van de vroegste kranten. Ook een Nederlandse uitvinding. Caspar van Hilten publiceerde vanaf 1618 een Courante in het Nederlands, en vanaf 1620 een in het Frans. Ongecensureerd nieuws uit heel Europa. Met dank aan een netwerk van correspondenten. De smokkelaars én de douane kregen er een dagtaak bij.

Bignon sprak met Nederlandse boekhandelaren af dat ze regelmatig pakketten met kranten zouden sturen. De Franse hoofdstad had wél de primeur van het eerste wetenschappelijke tijdschrift, het Journal des savants uit 1665. Maar negentien jaar later lanceerde de naar Rotterdam gevluchte Pierre Bayle zijn Nouvelles de la république des lettres, dat al snel de voornaamste concurrent werd.

Bots besteedt in zijn boek geen aandacht aan die vreselijke Newton, aan de vetes, het kleinzielige gezeur, kortom, aan alles wat afbreuk deed aan het ideaal. Hij wil een ander verhaal vertellen. Zonder ons land was de Republiek der Letteren er nooit gekomen. Zonder de typisch Nederlandse verdraagzaamheid en vrijheid was de moderne wetenschap nooit van de grond gekomen nou ja, nooit zo snel. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden