Nette heer met klein gebrek

CORPORALE studententypes zijn doorgaans nogal bedreven in het verhaspelen van nette achternamen. De Utrechtse notabele die er genoegen in schepte om onder alle denkbare omstandigheden uit zijn neus te peuteren, genoot lokaal faam als Jonker Onfris....

Sander van Walsum

Curieus was het wel, een telg uit een voornaam katholiek geslacht die zich ontpopte als een - allengs radicaliserende - rebel. Eentje die nota bene de bolwerken van behoudzucht - adel, kerk en studentencorps - tot zijn werkterrein verkoos. De ongerijmdheden in zijn korte leven - Michiels stierf in 1991 op 34-jarige leeftijd aan aids - maakten hem tot een kleurrijke figuur. Tot een identificatie-object van de 'nette homo'. Tot de laatste grote wegbereider van de roze emancipatie.

'Homo-activist.' Dat was de enige hoedanigheid die Floris Willem Marie Michiels van Kessenich op zijn grafsteen - gehouwen uit roze marmer - liet aanbrengen. De voorganger van de begrafenismis prees hem als 'een bewogen profeet, een voorvechter die in eigen kerk, maatschappij en familie niet altijd geëerd werd. Zo gaat dat met profeten.' Nu, bijna negen jaar nadat deze lofzang werd gepreveld, heeft Michiels zijn biografie: De Roze Jonker van Jos Versteegen. Hij zou het als een passend monument hebben opgevat.

De omslag toont de grand seigneur waarvoor hij zo graag doorging: donker pak, nette das, dubbele manchetten, een ietwat verwaten blik, glas wijn in de hand, de pink enigszins naar voren. Ongeveer de outfit waarmee hij zich aansloot bij de tuinbroekenbrigade van homo's en lesbo's die in 1983 tijdens Roze Zaterdag door Leiden trok. Hij detoneerde nogal. Hetgeen voor Michiels geen reden was de schutkleur van zijn medebetogers aan te nemen. Integendeel. Hij verliet de stoet, rende naar huis, voorzag zich van een kleine roze driehoek en een groot vel karton met het opschrift 'Adel loopt ook mee', en voegde zich bij de manifestanten. De ultieme coming out was een feit. Hij manifesteerde zich nadrukkelijk als homo, maar wilde de vormelijkheid die hem eigen was niet verloochenen.

Aan deze bevrijdende daad ging een langdurige en kwellende worsteling met zijn seksuele identiteit vooraf. Al tijdens zijn verblijf op een Bussumse basisschool ving hij in het voorbijgaan wel eens het woord 'homo' op. Hij kende er de betekenis niet van, maar wist dat er geen vriendelijke bedoelingen mee werden uitgedrukt. Toen zijn begripvolle moeder hem eenmaal had uitgelegd dat homo's mannen waren die van elkaar hielden en daarom, 'net als joden en negers', werden gediscrimineerd, rijpte het besef dat ook hij tot die groep behoorde. Op zijn dertiende jaar wist hij het zéker, en hij stelde zijn vader van dat inzicht in kennis. Die volstond met een opmerking die lang is blijven nagalmen: 'Dat komt in ons milieu niet voor.'

De jonge Michiels voelde zich afgewezen door de voornaamste representant van zijn peer group. En dat stak. Hij situeerde de mannenliefde buiten zijn eigen kring, en daar vónd hij haar ook. In homobosjes en in de wc's van de Nederlandse Spoorwegen. Maar fijn was anders. Hij gruwde van de liefdeloosheid en de banaliteit van het vluggertje. 'Wat ik erg miste, was die prachtige sfeer van buitens en parken', zei hij in een interview dat Stephan Sanders in 1985 hem afnam. 'Mijn zusjes gingen leuk naar partijtjes, werden uitgenodigd voor alle mogelijke galafeesten. Als homoseksueel ging ik daar niet naar toe. Ik viel erbuiten.'

Zijn leven besloeg vele domeinen, en overal voelde hij zich ontheemd. Op de duistere plekken waar hij wildvreemde mannen ontmoette, bij familieleden die 'denken dat je thuis zult komen met een excentriekeling of een kapper', bij het Leidsch Studenten Corps waarvan hij in 1978 lid was geworden, en binnen de rooms-katholieke kerk waarmee hij een haat-liefde verhouding ontwikkelde. Desondanks zocht hij aansluiting bij degenen die hem afwezen.

Michiels richtte eerst zijn pijlen op de homovijandige cultuur die hij aantrof in het Leidse corps. Eerst wat schuchter, gaandeweg steeds vermeteler. Het begon met zijn spontane deelname aan Roze Zaterdag. Vervolgens liet hij zich door mannelijke partners vergezellen bij gala's en cortèges. Ten slotte beijverde hij zich - met succes - voor uitbanning van het woord 'homo' als studentikoze verwensing.

Daarnaast stond hij aan de wieg van de zogenoemde Donderdagavond Eet Club - een COC-variant - en het homodispuut Antinoüs - eertijds door de Gay Krant omschreven als 'een club voor nette heren met een klein gebrek'. Hier trof Michiels de soulmates die hij zo zelden in de ruwe homobars had ontmoet. De leden kenden hun klassieken. Ze werden in elk geval geacht Symposion van Plato en Les Mémoires d' Hadrien van Marguérite Yourcenar te hebben gelezen. De anglofielen onder hen verlustigden zich aan Maurice van E.M. Forster. Zij amuseerden zich met picknicks en met fietstochten en autorally's die langs stadskastelen en buitenplaatsen voerden. Michiels was, zo ervoer hij, thuisgekomen.

De belangstelling die hij als voorganger van de nette homo's bij de media genoot, werkte echter verslavend. Hij verlegde zijn werkterrein naar de homovijandige katholieke kerk, en ervoer de beschaafde acties die hij hier ontketende als succesvol zodra ze door journalisten werden opgemerkt, en Michiels weer eens met een schone jongeling aan zijn zijde in de krant stond. Zijn bedaagde medestanders - die in Michiels een mediageile Albert Mol herkenden - zaten niet verlegen om zoveel aandacht. Zij ambieerden niet meer dan een periodiek besloten samenzijn met gelijkgestemde soortgenoten.

Maar Michiels ontwikkelde zich gaandeweg tot beroepsactivist. Zeker nadat, in 1985, bij hem aids was geconstateerd. Zijn opleiding - hij studeerde Engels en Duits - ontleende haar betekenis niet langer aan een beroepsperspectief, en boezemde hem op den duur nog nauwelijks belang in. Hij voerde actie. Steeds veelvuldiger, steeds verder van huis, en in een steeds radicaler verband. Hij opponeerde tegen de repressieve homowetgeving in Engeland, protesteerde - als uitvloeisel daarvan - tegen het staatsbezoek van koningin Elizabeth aan Nederland, en ging ten tijde van de verschillende verkiezingen in 1989 voor in de campagne Stem Roze. Die cumuleerde in een betoging in Amsterdam, op de avond van 2 september. Michiels had, uit eigen zak, 5000 fakkels voor de deelnemers besteld. Hij raakte er slechts een paar honderd van kwijt.

Daarna was het voorbij. Zijn gezondheid verslechterde, en hij bracht steeds meer tijd door in het ziekenhuis. Hier wisselden diepe neerslachtigheid en hyperactiviteit elkaar steeds geregelder af. Hij ontwikkelde een wantrouwen tegen de medische stand, die hij ervan verdacht vooral aan zijn ziekte te willen verdienen. Hij bestookte medepatiënten met briefjes waarin hij wilde samenzweringstheorieën ontvouwde. Maar hij stelde ook nog een daad: op 15 september 1991 liet hij, te midden van vele vrienden en medestanders, zijn relatie met de Amerikaan Michael Kovner in de Amsterdamse Dominicuskerk inzegenen. Twee maanden later stierf hij.

De Roze Jonker is een ontroerend boek. Ondanks de hagiografische elementen, ondanks de vele doublures, en ondanks het houterige Nederlands waarvan auteur Jos Versteegen zich bedient. Floris Michiels van Kessenich was een kleurrijke figuur. Te kleurrijk om door een onhandige biograaf te kunnen worden omgebracht.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden