Nero

Een bloedige dichter en een dichter van het licht

Hoe een monster zó te beschrijven dat het een mens lijkt? Niet echt een mens, maar het soort van wezen waarin wie wij ons, als mensen, kunnen verplaatsen. Dit vraagstuk is met aan een literair genre verbonden, waartoe bijvoorbeeld Dracula en Frankenstein behorenkunnen worden gerekend. De schrijver van zulke literatuur schippert niet tussen Scylla en Charybdis, dat zijn immers allebei monsters, maar tussen één van die twee en de mensen of mens-achtige goden waaruit ze voortkwamen.



Aan de ene kant moet het monster monsterlijk blijven - we willen gruwelen - en aan de andere kant moet de lezer denken: 'Als ik zo'n jeugd had gehad, en zulke hoektanden, dan had ik net zo gehandeld'.


Het monster is vaak ook oorspronkelijk een mens. Zo is Dracula gebaseerd op Vlad Tepes, meedogenloos heerser van Walachije die, naar verluid, twintigduizend soldatenhoofden op spiesen bij de grens liet plaatsen, teneinde het Ottomaanse leger af te schrikken. Nu draait het in Bram Stoker's Dracula (1897) voornamelijk om griezelen, en is het dus niets anders dan Scylla en Charybdis aan beide kanten.



Interessanter is het als de schrijver een mens inleefbaar weet te maken, excentriek dieet ten spijt, die door legende of realiteit in een monster is veranderd.



In zekere zin behoort ook Nero, de bloedige dichter, van de Hongaarse schrijver Dezso Kosztolányi (1885-1936), tot dit genre. Achtergrond: de Romeinse keizer Nero was behalve tiran en moedermoordenaar tevens dichter. Niet zo'n heel goede dichter, volgens de overlevering. Kosztolányi vermenselijkt Nero door de nadruk op dat dichterschap te leggen. Zijn Nero is zowel een gefrustreerde dilettant als een wilde, gevoelige jongeman.



Nero slaat wild om zich heen en Rome golft om hem heen; allebei komen tot leven. Nero, de bloedige dichter is de vierde roman van Kosztolányi die in het Nederlands verschijnt. Het origineel verscheen in 1922; de vertaling, van de debuterende Rogier van der Wal, leest laat zich lezen alsof een hedendaagse stilist aan het werk is.



Hoewel met Nero als dichter enigszins de spot wordt gedreven is hij toch, zoals Thomas Mann het verwoordde in een brief aan de auteur, 'bij tijd en wijle groots in zijn vertwijfelde onmacht'. Onmacht omdat hij nooit kan krijgen wat hij het liefst wil: dichterlijke inspiratie. Groots vooral vanwege zijn romantisch verlangen. Hij daalt af naar de sloppenwijken en vermomt zich als koetsier. Hij haalt practical jokes uit, raast dronken door de straten, maakt van het paleis een hangplaats voor het Romeinse equivalent van Gerard Reve's 'slecht dichtende hasjiesjknagers (...) kunstenaars en andere overjarige moeilijk lerende kinderen', en dit alles omdat hij zoekt naar het gevoel van volheid dat hem, in het begin, overmant als hij denkt een goed gedicht te hebben geschreven: 'Hij was vervuld van onuitsprekelijke vreugde, trots en rust. Hij joeg de stad door, onder hem vloog de aarde, boven hem de hemel, aan weerszijden de huizenrijen, alles leek te bewegen en te leven en de koetsier moest de paarden opzwepen zodat ze nog sneller vooruit stormden, dat onbekende en niet te bevatten leven tegemoet, dat nu aan zin had gewonnen.'

In deze zoektocht is hij voor de lezer herkenbaar en daardoor slaagt Kosztolányi er dus in het monster te vermenselijken. Nero's uiteindelijke moordlust komt, paradoxaal genoeg - en anachronistisch wellicht, maar wat kan het schelen - voort uit een romantisch verlangen naar het volle leven.



De band tussen Nero en de lezer wordt vanaf het begin bewerkstelligd. Agrippina, de stiefmoeder van Nero en wellicht het enige karakter in de roman dat niet geheel menselijk is, vermoordt de dan nog heersende keizer Claudius, in Nero's bijzijn. De jongen ziet voor het eerst iemand sterven. 'Alleen in boeken had hij erover gelezen', schrijft Kosztolányi, om nog eens te b

enadrukken dat Nero bij hem een dromerige kunstenaar is, op de verkeerde plek terecht gekomen.

'Was hij ziek?' vroeg Nero.
'Weet ik veel.'
'Ik denk dat hij ziek was,' stamelde de jongen, alsof hij een verklaring zocht voor wat hij had gezien.'

De filosoof Seneca, opvoeder van Nero, vervult een sleutelrol. Conform zijn reputatie wordt hij als een erudiete maar gladde spreker neergezet. In één van de meest vermakelijkste scènes lezen Nero en Seneca elkaar hun gedichten voor. Nadat Nero het werk van Seneca uitgebreid heeft geprezen, zegt hij schuchter dat hij ook een gedicht heeft geschreven, over Agamemnon. Seneca: 'Een lastig thema. Een opgave van de eerste orde. Als je misschien...maar ik durf het niet eens te vragen...ik dacht dat jij ook jouw gedicht zou kunnen voorlezen.' Overigens ligt de ironie er bij Kosztolányi bijna altijd dik bovenop. Wellicht doet hij hierdoor zo modern aan.



Het karakter van Seneca maakte ook indruk op Thomas Mann. Seneca's sterfscène had hem geraakt 'zoals maar weinig dingen in het leven of de kunst'. Tikkeltje overtrokken wellicht, maar het is inderdaad een prachtige scène. Seneca blijft tot het laatste moment verslag doen van zijn ervaringen, nu zo dicht bij het geheim waar hij zijn hele leven over heeft nagedacht. Als zijn aders, in bijzijn van echtgenote Paulina, meermalen zijn doorgesneden in het bad, valt hij flauw. 'Seneca gaf geen antwoord. Zijn hoofd rustte op Paulina's op en neergaande, jonge boezem, op het zoete, levende doodskussen.'



Kosztolányi verrast de lezer niet met originele vergelijkingen of onverwachte beelden. Zijn verteltrant heeft de eenvoudige directheid van het sprookje, wat in dit geval ook uitstekend met de inhoud samengaat. Maar hoe simpel de zinnen ook zijn, telkens roepen ze een glashelder beeld op, alsof het licht er van alle kanten op schijnt.


Soms gaat het continue licht van Kosztolányi vervelen. Dan verlang je als lezer naar een wat meer enigmatische schrijver, die je het gevoel geeft dat je bij herlezing iets nieuws zult ontdekken. Meestal weet hij echter te boeien door de transformatie van de gevoelige dichter in een bloeddorstige tiran, de gestileerde zinnen, en de vaart van het psychologisch voortgedreven plot.

'Altijd ging hij naar de doden kijken. Ze lagen in een rij voor hem uitgestrekt en hij ging op zoek naar wat er in hen omging, in hun starende ogen en in hun hersens. Maar hij vond het niet.'



Dezso Kosztolányi: Nero, de bloedige dichter. Uit het Hongaars vertaald door Rogier van der Wal. Uitgeverij Van Gennep; 287 pagina's; € 19,90.
ISBN 9789055159567.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden