Nergens meer thuis in de wereld

WIE DE ROMAN Das Provisorium van Wolfgang Hilbig begint te lezen - benieuwd als hij is naar het alweer geruime tijd geleden aangekondigde boek van deze dwarskop, die met 'Ich' en Die Weiber zoveel indruk heeft gemaakt - zal verrast worden door de agressieve inzet (die niet veel later overigens...

Maar al spoedig, juist als je er eens goed voor gaat zitten, verandert de toon. Wat zich - na die schitterende opening - aandient, dat denk je althans, is het gezeur van een man, een schrijver bovendien, die het niet best met de wereld heeft getroffen en, erger, van plan is ons daarvan driehonderd bladzijden lang deelgenoot te maken. Dat is een weinig opwekkend vooruitzicht.

Toch lees je door, en de verklaring daarvoor zal wel zijn dat Hilbig heel goed kan schrijven, maar helemaal bevredigend is dat - bij dit boek - niet.

Waarom dat in dit geval niet zo bevredigend is, zal degenen die álles van Hilbig hebben gelezen (dus óók zijn poëzie) niet meteen duidelijk zijn: het boek gaat immers over zijn leven als schrijver in het boeiende overgangsgebied tussen de literatuur van de (voormalige) DDR en die van de Bondsrepubliek. Maar voor anderen is dat nu juist de moeilijkheid.

Dat verhaal is bekend. We weten hoe Hilbig in de DDR opgroeide, in een fabriek te werken kwam, ging schrijven, in West-Duitsland werd gepubliceerd (en daar met die merkwaardige positieve discriminatie ten opzichte van de literaire kameraden uit het Oosten werd bewierookt). Op zichzelf is dat niet spannend genoeg om handenwrijvend voor te gaan zitten.

Als reactie op deze verwachting kan ik alleen maar zeggen dat het in Das Provisorium niet (uitsluitend) om dat levensverhaal gaat. Er is meer aan de hand. Het boek is inderdaad één ononderbroken klaagzang over het wrede lot dat deze ene mens, deze in de DDR opgegroeide schrijver, deze vroegere arbeider met z'n krachtige corpus heeft getroffen. Flessen 'Schnaps', die vaak in één teug worden geledigd, sigaretten die kettingrokend worden opgestookt - in een mate die je als lezer regelmatig een lichte misselijkheid bezorgt -, het verblijf op stations, tussen zwervers, in peepshows, of kroegen met pornovideo's boven de tap - Hilbig spaart ons geen detail waaraan we zouden kunnen aflezen hoezeer zijn alter ego lijdt en daarvoor lijkt hem de sfeer van de zelfkant geëigend (een romantische traditie die alleen nog in Amerikaanse B-films lijkt voort te bestaan).

Maar dat is niet het hele verhaal. Wie gelezen heeft hoe deze bokser (want ook dát is deze schrijvende arbeider in het verleden geweest) een belager in een westerse boetiek met een paar rechtse hoeken en uppercuts de kaak verbrijzelt (om dan, nadat het stof is opgetrokken, te merken dat het om een etalagepop gaat), weet dat behalve afweer en agressie ook paranoia tot de innerlijke huishouding van dit drankorgel behoren. Daarmee begint een ander liedje dan dat van de goot en zelfbeklag mee te zingen: we krijgen heel voorzichtig, nagenoeg verborgen, het geluid te horen van een heel bange, bedreigde man.

Gaandeweg worden daarvoor niet alleen de argumenten (beter gezegd: de beelden) aangedragen, maar wisselen ook de instrumenten: de klaroenstoot van de eerste bladzijden dwingt een stilte af voor een veelheid van klanken en daarmee wordt Das Provisorium een eigentijdse, laat-twintigste-eeuwse symfonie, waarin gefluister (of gehijg) op subtiele wijze kan overgaan in de scheurende geluiden van een woede-uitbarsting of gebraak (na weer akelig veel drank). En omgekeerd.

Zonder wanhoop gaat het niet, schreef onze eigen Roland Holst al eens in de kwatrijnen die hij met Simon Vestdijk uitwisselde, en daarmee wil ik maar zeggen dat de wanhoop van de man in Das Provisorium eerder 'existentieel' is (deel uitmaakt van het leven zoals het is) dan dat ze door historische omstandigheden wordt veroorzaakt. Daarin zit ook de kracht van dit boek, waarin de poëzie onmiskenbaar de min of meer bekende realiteit tot iets anders omvormt.

Dat wil niet zeggen dat die historische omstandigheden worden afgezwakt, of zelfs verdwijnen. Het tegendeel is het geval. Alles wat te maken had met De Muur, een begrip dat je haast alweer moet uitleggen (aan jezelf en je snel levende medemens in het comfortabele Westen) wordt in dit 'levensverhaal' verdiept, anders gezegd: het krijgt ineens door het persoonlijke licht dat erop valt, de betekenis van iets wat iemand uit je eigen omgeving is overkomen.

De man om wie het hier gaat, woont in wat toen nog de DDR heette. Op een dag krijgt hij toestemming om een jaar in West-Duitsland te verblijven. Zijn verhaal wordt dus, voorspelbaar, het verhaal over de gescheiden Siamese tweeling die Duitsland vanaf de Tweede Wereldoorlog was.

Over de DDR heeft deze man niet veel goeds te melden, behalve dat zijn moeder er woont en zijn vriendin (met wie hij het uit wil maken). Je hebt de neiging om te denken: dat weten we inmiddels wel, we weten nu wel dat het niet zo leuk was in Oost-Duitsland, laat maar. Toch slaagt Hilbig erin je dit op niets berustende cynisme af te nemen door je beelden te geven uit de intimiteit van het dagelijkse leven, en die zijn (zoals altijd, daarvoor hebben we de literatuur) aanzienlijk verontrustender dan wat we (met de gebruikelijke spot en ironie) over de dagelijkse gang van zaken in de DDR vernemen.

Datzelfde gaat op voor het Westen. Wat Hilbig zijn schrijver in Berlijn, Frankfurt en München aan walgelijk consumentisme, fascistoïde autoterreur (zo zégt hij het, in bijna dezelfde woorden als eerder in Nederland H.J.A. Hofland) en 'misbruik' van de literatuur laat constateren, zal ons niet uit de slaap houden (al kan het geen kwaad het weer eens te horen), maar ook hier heeft dat betrekking op een buitenkant, het is een globaal beeld, waarmee hij weliswaar aangeeft dat voor een geëmigreerde inwoner van de DDR het Westen niet de utopie is die men er in zijn somberste ogenblikken misschien in heeft willen zien, maar er treedt ook iets anders aan het licht, alweer door ons een blik te gunnen in het innerlijk van deze man, zijn intieme leven, zijn gefnuikte dromen, zijn herinneringen, zijn doodsangst en zijn impotentie (zijn verlangen naar liefde en zijn onmacht om die te geven).

Uit al die beelden, denkbeelden, gevoelens en machteloze handelingen, waaruit deze man is opgetrokken (en ten dele zullen die een door de schrijver Hilbig ervaren werkelijkheid dekken) ontstaat - door de geraffineerde rangschikking van dit materiaal - een samenhang, die ons een hartverscheurend zicht biedt, niet op deze ene man, noch op de 'actuele problematiek' van de Muur en wat deze scheiding met zich meebracht, maar op iets veel omvangrijkers, dreigenders en aangrijpenders: de ontworteldheid van de moderne mens, nergens thuis in de wereld, niet in de intimiteit van de liefde, noch in de warmte van de samenleving - alles, om het in goed Duits te zeggen 'kaltgestellt' door het alomtegenwoordige materialisme.

Of het zo erg is als Hilbig het doet voorkomen, zal aan de ontvankelijkheid van de lezer liggen. Het is een interpretatie, die door de zorgvuldige vormgeving van deze klaagzang wordt ingegeven.

De titel, Das Provisorium, geeft al aan dat in dit boek een 'overgangssituatie' wordt geschetst. De verteller bevindt zich tijdelijk tussen twee werelden. Dat wordt gesymboliseerd door 'het station', waaraan een belangrijke rol is toebedeeld, en dat aan het eind van het boek schitterend wordt beschreven, met zijn geuren, geluiden, lawaai en mensengewemel. Hilbig verbindt deze nostalgische Bahnhof-lyriek heel onnadrukkelijk, maar daardoor des te sprekender, met de afloop van het industriële tijdperk, waarvan zijn verteller als arbeider nog het bloed, zweet en tranen heeft gekend. En daarmee raken we aan de kern van dit boek: in Das Provisorium wordt afscheid genomen van een era die er misschien nooit is geweest.

Dat klinkt raar (behalve voor degenen die de Anton Wachter-romans van Simon Vestdijk hebben gelezen), maar wat ik bedoel is dit: de man over wie Hilbig vertelt, wiens innerlijk Hilbig in deze lange klaagzang voor ons zo overtuigend blootlegt (alsof hij die man van haver tot gort kent), die man is een dromer die al vanaf zijn jeugd een verscheurd wezen is. Opgegroeid in de letterlijk beklemmende omstandigheden van zijn communistische Heimat (tot zijn twaalfde sliep hij bij zijn moeder, een oorlogsweduwe, in bed, waardoor hij al jong zijn erecties leerde vrezen, en later werd hij geteisterd door het onmenselijke geweld van de staalfabriek), wilde hij maar één ding: ontsnappen, weg.

Het schrijven werd daartoe een middel (én de liefde, waartoe hij niet in staat is, én de roes), maar eenmaal in het Westen, de regio van het vrije woord, moet hij constateren dat er helemaal geen literatuur meer bestaat, alleen nog maar rotzooi die verkocht moet worden. Dan is ook die uitweg afgesneden en kan deze man geen kant meer op. Hij kan niet meer naar links, noch naar rechts, hij kan niet meer vooruit, noch achteruit. Hij kan de literatuur niet meer in, en hij kan er ook niet meer uit. Gulag & Holocaust noemt hij de door hem gekoesterde doos met twintigste-eeuwse meesterwerken, die ergens op hem liggen te wachten. Das Provisorium is het verhaal van een man die wacht op de dood, de milde dood, zoals een ándere dichter, Leo Vroman, het eens heel mooi gezegd heeft.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden