Nepnieuws is wel degelijk te stoppen: dit kunnen we ertegen doen

Nepnieuws

Fakeberichten beïnvloedden al de Brexit-campagne en de strijd tussen Trump en Clinton. En in de VS werd zondag een gewapende man opgepakt die reageerde op nepnieuws. Wat moet er gebeuren om de toenemende stroom onzin in te dammen?

Beeld Studio Vonq

De overheid: voorlichter in de strijd tegen het relativisme

De overheid heeft op dit moment nog weinig maatregelen genomen om nepnieuws te bestrijden. Het verbieden van websites, zoals China bijvoorbeeld doet, ligt in Nederland vanwege de vrijheid van meningsuiting erg gevoelig. Er is mogelijk wel een rol weggelegd voor de overheid als voorlichter van de burger.

'We vinden het allemaal volstrekt logisch dat de overheid een antidiscriminatiecampagne voert. Maar ik vind een antirelativismecampagne minstens zo belangrijk', zegt Kees Kraaijeveld, filosoof en directeur van de Argumentenfabriek. Hij heeft er zijn missie van gemaakt het relativisme te bestrijden.

De overheid moet hierin het goede voorbeeld geven. 'Zij moet zich keren tegen het relativisme en teruggaan naar de feiten. Want die zijn er wel degelijk. Ik pleit niet voor een terugkeer naar Waarheid met een hoofdletter W, maar er zijn dingen ook gewoon wél waar.' Het moge duidelijk zijn, Kraaijeveld moet niets hebben van het modewoord post-truth.

Het ondermijnen van de waarheid kwam in de jaren zestig van de vorige eeuw in zwang onder filosofen en andere intellectuelen. Met Nietzsche in de hand betoogden zij dat de waarheid (net als God) dood was en dat alles slechts interpretatie is. Het postmodernisme ging hiermee succesvol aan de haal.

Volgens Kraaijeveld is deze stroming populair geworden in alle lagen van de bevolking en ondermijnt ze ook de wetenschap en de politiek. Hij ziet dit dagelijks gebeuren. 'Ik zag laatst partijvoorziter Ron Meyer van de SP bij Buitenhof. Hij vroeg zich af of we het Centraal Planbureau wel moeten geloven. Zo'n opmerking is spelen met vuur: het voedt het wantrouwen tegen feiten.'

Maar wat kan de overheid dan doen aan nepnieuws? China constateerde onlangs op een internetconferentie triomfantelijk dat het de wind mee lijkt te hebben: internetregulering is zo gek nog niet. De staat bepaalt wie wat mag zeggen en wat de bevolking mag weten. Zit daar niet wat in? Kraaijeveld is resoluut: nee, natuurlijk niet, dan ga je censureren. 'Het gaat om het hogere doel van de Verlichting: de burger moet zelf zin en onzin van elkaar weten te scheiden.'

Beeld Studio Vonq

De zorgen van Kraaijeveld worden gedeeld door Tweede Kamerlid Jeroen Recourt van de PvdA. 'Met nepnieuws en manipulatie wordt er gemorreld aan de waarde van de waarheid. Hoe moeten we dichter tot elkaar komen als leugens feiten worden? Onder het mom van de vrijheid van meningsuiting wordt het eigen gelijk dwingend aan de ander opgelegd. De overheid staat erbij en kijkt ernaar', verzuchtte hij vorige week tijdens de begrotingsbehandeling van Veiligheid en Justitie. De oplossing zal lastig zijn, denkt Recourt: 'Er ligt een valkuil, waar we in vallen als we doorschieten in censuur, politieke correctheid of manipulatie.'

Een woordvoerder van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zegt dat de eerste verantwoordelijkheid bij de journalistiek ligt. 'Wij hebben geen wetsbepaling waarin staat dat je geen nepnieuws mag brengen.'

Na de eerste nepnieuwsaanslag: hoe gaan we fake berichten tegen?

Nepnieuws beïnvloedde al de Brexit-campagne en de strijd tussen Trump en Clinton. En wie weet straks ook de Tweede Kamerverkiezingen. Nadat dit weekend zelfs de eerste ‘nepnieuwsaanslag’ plaatsvond is de vraag: hoe gaan we de stroom aan fake berichten tegen? Kijk hier de video.

De traditionele media: journalistiek moet vertrouwen terugwinnen

Kunnen de traditionele media iets doen om de opmars van nepnieuws te bestrijden? Of zijn ze onderdeel van het probleem? 'De main-stream media' worden immers niet meer vertrouwd.

Nepnieuws heeft veel verschillende gedaanten. Er is overheidspropaganda, als gewoon nieuws vermomde satire (zoals in Nederland de Speld), geblunder van media of gewoon onzinnieuws dat met maar één doel wordt geschreven: geld. Hoe afwijkender het nieuws, hoe meer clicks, hoe meer geld. In Macedonië weten ze precies welke berichten hiervoor geschikt zijn. Veel gaan over politiek.

In Nederland hebben onder andere NRC Handelsblad, de Correspondent en de Volkskrant factcheckrubrieken waarin vooral collega-media onder de loep liggen. Moeten zij het vizier niet veel breder richten en veel meer nepnieuws bestrijden? Bart Brouwers, hoogleraar journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen, vindt van wel. 'De journalistiek is onderdeel van het hele probleem, dus moet alles doen wat binnen haar mogelijkheden ligt.'

Beeld Studio Vonq

Dat betekent concreet: 'Daar waar het van ons verwacht mag worden gefundeerd weerwoord geven aan nepnieuws.' Brouwers voegt daaraan toe dat hij niet de illusie heeft dat de opmars van fakenieuws hiermee geheel gestopt kan worden. 'Het is gewoon te veel. Je kunt net zo goed op het strand gaan roepen op het moment dat de tsunami eraan komt. Maar alles helpt.'

Een nog fundamenteler probleem is het gebrek aan vertrouwen van veel mensen in de traditionele media. In sommige kringen bestaat er geen erger scheldwoord dan 'de mainstream media', ook wel MSM genoemd. Deze MSM zijn onderdeel van het grote probleem: 'alles wat gekoppeld kan worden aan instituties, aan wat we niet kennen, wordt gewantrouwd.'

Om dit vertrouwen terug te winnen, moeten de traditionele media onderdeel worden van de gemeenschappen waarop ze zich richten, meent Brouwers. 'De Volkskrant zou bijvoorbeeld een redactie moeten hebben die fysiek verdeeld is over het hele land en over alle belangrijke subgroepen en -culturen.'

Maar het allerbelangrijkste? Je stinkende best doen. 'Zolang media ook zelf berichten verspreiden die niet geheel correct zijn, ben je nergens. En áls dat gebeurt, moet je volledig transparant over je fouten zijn.' Een laatste onderdeel in de medicijncocktail tegen het universele wantrouwen ligt volgens Brouwers in het brengen van nieuws dat optimisme voedt. 'Die balans kan veel beter. Nu blijven mensen hangen in het gevoel dat er toch niets deugt, ook de waarheid niet.'

De hoofdredacteur van de Volkskrant, Philippe Remarque, zegt dat de functie van de serieuze journalistiek belangrijker dan ooit is. 'Wij scheiden de zin van de onzin. Dat doen we in onze hele berichtgeving, maar ook expliciet in onze rubriek Klopt dit Wel. Wij binden iedere dag de strijd met ruis aan.'

De gebruiker: de onzin herkennen en laten verwijderen

Het heeft iets geks om dezelfde mensen die nepnieuws groot maken door het te liken, delen en becommentariëren, de gebruikers dus, te vragen nepnieuws te bestrijden. Toch kan iedereen die weleens nieuws leest via sociale media wel degelijk iets tegen valse berichten doen. Door onzin te herkennen, allereerst, maar ook door het te laten verwijderen.

Naast open deuren als 'check, dubbelcheck' en 'neem een abonnement op een betrouwbaar nieuws-medium' zijn er ook digitale handvatten die tegen nepnieuws kunnen helpen. Zo verschenen de afgelopen weken meerdere browser-programma's die nepnieuws detecteren aan de hand van een lijst met onbetrouwbare bronnen, samengesteld door jonge ontwikkelaars. Facebookgebruikers die deze extensies installeren, krijgen een seintje als er 'nieuws' van deze bronnen op hun tijdlijn staat en zijn dus in ieder geval geïnformeerd, al valt over de definitie van een onbetrouwbare bron ook vast te twisten.

Beeld Studio Vonq

Al deze programma's hebben nu nog kinderziekten, maar waren volgens ontwikkelaars in een mum van tijd gebouwd. 'Mijn snelle plug-in is vooral een antwoord op Mark Zuckerberg en zijn dubieuze claim dat Facebook nepnieuws zo lastig kan tegengaan', aldus de ontwikkelaar van de B.S. Detector. B.S. staat voor bullshit.

Maar wie onzin herkent, moet er nog er nog steeds tegenaan kijken en toezien hoe razendsnel nepnieuws zich verspreidt. Nu hebben Facebook en Twitter al knoppen waarmee gebruikers ongewenste berichten en ook nepnieuws kunnen aangeven, zodat de bedrijven ze kunnen verwijderen. Maar, zo blijkt steeds weer, iets van sociale netwerken laten verwijderen is zo makkelijk nog niet. Volgens EU-onderzoek wordt maar 40 procent van de gerapporteerde berichten binnen een dag door sociale netwerken bekeken en blijft 60 procent van alle aanstootgevende inhoud dus langer dan 24 uur onbewaakt staan.

En 24 uur, dat is voor een nieuwtje - zeker een knisperend, sensationeel nepnieuwtje dat toevallig precies bevestigt wat veel complotdenkers altijd al vermoedden - meer dan genoeg tijd om viral te gaan en miljoenen tijdlijnen te infiltreren. Als gebruikers écht zelf nepnieuws moeten gaan bestrijden, vergt dit wel sneller en effectiever optreden van, jawel, wederom sociale media.

Het onderwijs: leer het ontwikkelen van een bullshitdetector

De school lijkt de bes-te plek om kinderen te leren nepnieuws van echt nieuws te onderscheiden. Zulke informatievaardigheden staan dan ook vrijwel overal op het programma. Maar volgens kenners mag er wel een schepje bovenop.

Veel basisscholen kijken naar het Jeugdjournaal en bespreken vervolgens het nieuws. Onlangs speelden circa 150 duizend kinderen uit groep 7 en 8 een week lang een interactieve game, Mediamasters, waarin ze kennismaken met verschillende media. En de stichting Nieuws in de klas levert zowel aan basisscholen als aan middelbare scholen lesmateriaal waarmee kinderen leren het nieuws te interpreteren.

Dus ja, scholen doen er van alles aan om kinderen te leren omgaan met klassieke en moderne media. Maar is het voldoende? Peter Nikken, hoogleraar mediaopvoeding aan de Erasmus Universiteit, vindt van niet. 'Het is nu heel ad hoc', zegt hij. 'Hoeveel aandacht scholen hebben voor mediawijsheid en informatievaardigheden hangt vooral af van de docenten. Vinden die het nuttig? Hebben die er zin in?'

Beeld Studio Vonq

'De vrijblijvendheid moet eraf', zegt ook Remco Pijpers van Kennisnet, een publieke organisatie voor onderwijs en ict. 'Deze vaardigheden liggen niet vast in het curriculum, scholen zijn niet verplicht er aandacht aan te besteden. Daardoor zie je grote verschillen tussen scholen.'

Nikken en Pijpers zijn niet de enigen die willen dat mediawijsheid en informatievaardigheden een prominente plek in het curriculum krijgen. In het eindadvies van Onderwijs2032, waarin een nieuw schoolcurriculum wordt voorgesteld, neemt het hoofdstuk 'digitale geletterdheid' een prominente plek in. 'Leerlingen leren op school hoe ze kunnen beoordelen of informatie betrouwbaar is', meldt de website. 'Dat is nodig, want digitale informatie kan snel gekopieerd, gemanipuleerd en verspreid worden.'

En hoe moeten scholen dat aanpakken? Een apart vak ligt niet voor de hand - daar zitten scholen niet op te wachten. 'Deze vaardigheden moeten dus in alle vakken terugkomen', zegt Pijpers. 'Bij Nederlands, bij maatschappijleer, bij geschiedenis. Daar praat je over bronnen en de kwaliteit daarvan. Daar moet iedere leerling een soort bullshitdetector ontwikkelen.'

De sociale media: geen neutrale platforms meer, maar het kan beter

Ze kregen de 'schuld' van de Amerikaanse verkiezingsuitslag: Twitter, Facebook en Google. Twitter is Trumps lievelingsuitlaatklep, waar hij graag met complottheorieën strooit. Op Facebook werd een dubieuze pagina van het rabiaat rechtse Breitbart in de verkiezingsnacht beter bezocht dan die van CNN en The New York Times. En op Google werd misschien nog wel het pijnlijkst duidelijk hoe nepnieuws en objectieve informatie door elkaar heen zijn gaan lopen. Wie daags na de verkiezingen googelde welke kandidaat de meeste stemmen had gekregen, zag bovenaan zijn nieuwsfeed: Popular vote goes to Trump. Het juiste antwoord is Clinton.

De kritiek die volgde was zo hevig dat Google en Facebook de starre houding die zij jarenlang innamen - 'wij zijn slechts een neutraal platform' - voor het eerst loslieten. Hun aanpak is tot nu toe tweeledig. Zo hebben beide bedrijven aangegeven hun algoritme aan te passen, zodat berichten van onbetrouwbare bronnen uit de nieuwsfeed verdwijnen of lager komen te staan. Daarnaast willen ze het verdienmodel van de verspreiders van nepnieuws wegnemen door hun advertentiebeleid aan te scherpen.

Beeld Studio Vonq

Google weerde al misleidende advertenties van zijn eigen sites (denk aan reclame voor afvalpillen of nepmerkkleding), maar adverteert nu ook niet meer op sites die nepnieuws verspreiden. Daarmee neemt het techbedrijf een deel van het verdienmodel van deze sites weg. Op die manier kunnen situaties als in Macedonië worden voorkomen, waar jongeren in een dorpje slapend rijk werden van de advertentie-inkomsten op 140 sites met Amerikaanse nepnieuwtjes. Facebook neemt gelijksoortige stappen.

Critici gaan deze maatregelen niet ver genoeg. Zij vinden dat Facebook zijn nieuws-selectie nooit aan een algoritme had moeten overlaten en eisen dat het bedrijf weer journalisten aanneemt, ook al is dat duur. De Britse krant The Guardian zette de voor- en nadelen van tien oplossingen voor nepnieuws op een rij, van rode vinkjes bij nepberichten tot samenwerkingsverbanden met factcheckers. Terugkerend nadeel bij alle plannen: elk systeem, mens- of computergestuurd, kan van partijdigheid worden beschuldigd en dus van censuur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.