Neopatriotten moeten niet liegen

Je hebt historische kennis, je hebt historisch besef - en je hebt op een aangepaste versie van de eigen geschiedenis gebaseerde vaderlandsliefde....

De samenleving is enigszins van de kook, de vraag naar haar eigenaardigheden zou beantwoord kunnen worden door te formuleren wie wij zijn en hoe dat zo gekomen is. Maar die vraag is niet ideologisch neutraal - en dus het antwoord ook niet. In het akeligste geval bedient het zich van een nieuwe vorm van patriottisme.

'Wij liberalen kunnen het neopatriottisme de kleuren geven van de democratie en van de vrijheid', sprak Jozias van Aartsen op 17 december jongstleden, bij gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Teldersstichting. De leider van de liberalen heeft de afgelopen tijd al een aantal keren opgeroepen tot een dergelijk 'neopatriottisme' en hij staat er niet alleen in. Aan het begin van de overtuiging dat een krachtiger historisch besef wenselijk is, ligt de crisis die er is opgetreden in de verhouding tussen staat en burger.

De moderne staat is zoekende, als het om die verhouding gaat, en de burgers met haar, want zij zijn de staat. Wat mag de staat nog van zijn burgers verlangen en wat hebben omgekeerd die burgers van de staat te verwachten? Het is de vraag naar de invulling van het burgerschap in een tijdperk dat sterk gekleurd is door de neoliberale triomfen van de jaren negentig. Dat neoliberalisme heeft met ongekend succes de rol van de staat, die in onze contreien de verzorgingsstaat was, uitgehold en teruggedrongen. Het 'markt-denken' kreeg de overhand, al was er eerder sprake van een haast religieuze overtuiging dan van serieus denkwerk.

De achtergrond daarvan is bekend en bestaat in feite uit twee verschillende ontwikkelingen.

De eerste is die van wat wel de modernisering van de samenleving wordt genoemd en is daarom van sociologische of cultuursociologische aard. De precaire balans van een waaier aan overtuigingen die de verhouding tussen burger en staat in het lange tijdperk van de verzuiling kenmerkte is de afgelopen kwart tot halve eeuw verstoord geraakt, onder invloed van de grote revoluties van de jaren zestig en zeventig. Die revoluties manifesteerden zich als ontzuiling, individualisering en verandering van de samenstelling van de bevolking door massale immigratie. De traditionele, in de eerste decennia van de wording van de democratische samenleving geijkte verhouding tussen staat en burger kwam er door in moeilijkheden. De geëmancipeerde en ontvoogde burger maakte zelf wel uit hoe hij zich tot de staat verhield en de van ver afkomstige burger bracht een geheel eigen opvatting over burgerschap mee in het busje met zijn schamele inboedel en rijke familieschaar.

De tweede ontwikkeling is in gang gezet door de Val van de Muur in 1989. De ondergang van het reëel bestaande socialisme maakte in een keer een eind aan een politieke cultuur die bij uitstek op de toekomst was gericht, op de maakbaarheid van de samenleving. De utopie werd erdoor in diskrediet gebracht en het denken bepaalde zich bij de onmacht zinvolle ontwerpen voor een wenselijke toekomst te kunnen maken; bepaalde zich, anders gezegd, bij het hier en nu. Het is zowel het einde van de geschiedenis als het einde van de politiek genoemd, maar dat zijn inmiddels danig te ruim bemeten termen gebleken. De opkomst van het neoliberale en anti-statelijke denken is wel sterk bevorderd door het op agegapen vallen van de sociaal-democratie.

Wie niet meer kan kijken naar een ooit te verwezenlijken burgerschap, gaat haast vanzelf terugkijken. Als we niet meer weten waarnaar we onderweg zijn, kunnen we altijd nog proberen na te trekken waar we eigenlijk vandaan komen. Dat lijkt bovendien een stuk makkelijker. Misschien kunnen we, als we het afgelegde tracé hebben vastgesteld, de lijnen bovendien wel eenvoudig doortrekken.

Het is daar waar zich in allengs sterkere mate twee verlangens voordoen: het verlangen naar historisch bewustzijn en het verlangen naar een sturende rol voor dat historisch bewustzijn. Het is te zien aan een zich breed manifesterende honger naar kennis van de geschiedenis, kennis die dat historisch bewustzijn zou moeten bevorderen, en het is te zien aan enkele officiële uitspraken. Twee weken geleden publiceerde de Nationale Onderwijsraad een advies, waarin hernieuwde zorg voor de gemeenschappelijke geschiedenis in het onderwijs werd bepleit. Aan historische kennis schort het nogal onder de Nederlanders en behalve dat dat allemaal rarigheid teweegbrengt - Pim Fortuyn die tot grootste Nederlander wordt verkozen, vooraanstaande Nederlanders die malle antwoorden op simpele vragen geven - wordt daardoor misschien ook een mogelijkheid onbenut gelaten, de mogelijkheid om vanuit een collectief gedragen beeld van ons verleden, een op kennis gebaseerd historisch bewustzijn, iets zinnigs te zeggen over ons burgerschap.

Daar beginnen die twee verlangens door elkaar te lopen, zeker zodra diagnose en aanbevelingen in handen van politici vallen. De eerste is de behoefte aan vergroting van historische kennis, de tweede is het zoeken van toevlucht bij trots op onze gemeenschappelijke kennis als formatief voor het hedendaagse burgerschap. Dat tweede kan uit het eerste voortkomen, maar dat hoeft niet. Het komt er bovendien louter uit voort wanneer het programmatisch wordt gemaakt, wordt bevorderd door overheden en onderwijsinstellingen.

Mij lijkt dat onwenselijk en anachronistisch. In zijn onlangs verschenen Il bisogno di patria ('De noodzaak van vaderland') legt de Italiaanse geschiedfilosoof Walter Barberis precies uit waarom je op zoek naar een richtsnoer voor de verhouding tussen de hedendaagse staat en de eigentijdse burger het negentiende-eeuwse patriottisme niet simpel kunt oppoetsen. Het verschil zit in het onderscheid tussen demos en ethnos, tussen de De bevolking van een democratische staat met en het volk van een nationale staat. Die is dat ze nationale staat, staat onmiskenbaar onder altijd maar druk, van buiten (de Europese eenwording, de globalisering) en van binnen (de toegestroomde migranten en de veranderde verwachtingen van de geëmancipeerde burger).

Dat een overheid zich beroepen wil op een collectieve mythe om een samenleving bijeen te houden, uit vrees voor al te veel zelfzuchtigheid, onverschilligheid en individualisme onder haar burgers, is niets nieuws. Wijlen de Amerikaanse politiek filosoof Leo Strauss, die vooral populair is onder de neo-cons, is de inspirator-legitimator van dit denken. Hij sprak van 'nobele leugens'.

Het valt gemakkelijk in te zien hoe vruchtbaar die zijn: het succes van de nationale staat gaat er op terug, maar ook dat van de Europese samenwerking. Alle treurnis om wat verloren ging, alle nostalgie en alle pogingen tot herstel wijzen op de vruchtbaarheid van die gedachte.

Maar rechtvaardigt die doelstelling de aanpak? En hoe ver mag de leugen worden doorgevoerd alvorens zijn nobele karakter te verliezen? Anders gezegd, waar wordt de historische waarheid, omgevormd tot mythe, ergerlijke of zelfs gevaarlijke nonsens?

Hier verschaffen de voorbeelden die Van Aartsen ter ondersteuning van zijn pleidooi gaf helderheid. 'Wat zou hier toch een formidabele kans schuilen voor een invulling van het Nederlandse burgerschap!', zei hij, doelend op het herstel van historisch bewustzijn met patriottistische oogmerken. 'Want ook wij hebben een eeuwenlange bijdrage geleverd aan de totstandkoming en verbreiding van de moderne vrijheid. Daarop kunnen wij onze nationale trots baseren. Te denken valt aan de inspirerende rol van de 17de-eeuwse Republiek, aan de invloed van de Amsterdamsjoodse filosoof Spinoza, of aan de vluchthaven die ons land bood aan verlichte denkers als René Descartes, Pierre Bayle of John Locke. Nederland heeft gouden materiaal voor een liberale heldengalerij, waaraan álle inwoners van dit land zelfbewustzijn zouden kunnen ontlenen.'

Dat is geen onzin: die filosofen zijn indertijd naar Nederland gekomen, zij hebben hier in betrekkelijke vrijheid en onafhankelijkheid kunnen werken aan hun belangrijke en invloedrijke boeken en dat is, behalve iets om van op de hoogte, ja, doordrongen te zijn, beslist iets om trots op te zijn. De Nederlandse traditie van verdraagzaamheid jegens andersdenkenden, van respect voor een pluriforme intellectuele en politieke cultuur, ze is het waard om geboekstaafd, herdacht, verdedigd en doorgegeven te worden.

Maar de narigheid met patriotten is, dat ze altijd maar het halve verhaal willen vertellen. Behalve de zaken waar een cultuur als de Nederlandse trots op kan zijn, zijn er de voorvallen en ontwikkelingen waarvoor zij zich diep dient te schamen. De grote verdienste van de Europese cultuur, waarmee de Nederlandse onlosmakelijk verbonden is, is dat zij niet alleen haar triomfen herdenkt, maar ook haar teleurstellingen, haar ontgoochelingen. Daar ontworstelt het historisch bewustzijn zich aan een al te simplistisch optimisme - en wordt patriottisme in Europees perspectief iets armzaligs.

Aan Van Aartsens andere voorbeelden is goed te zien wat er gebeurt wanneer je dat veronachtzaamt. 'Je moet spreken over Rembrandt en Van Basten', zei hij, 'over Lobith en de Deltawerken. Je moet aan burgerschap (...) substantie geven, emotie'.

Het is mijn sterke punt niet, maar als bij de vorming van een nieuw historisch bewustzijn de geschiedenis van het vaderlandse voetbal een bepalende rol zou moeten gaan spelen, dan zou ik toch eerder wijzen op het miraculeuze vermogen van het Nederlands elftal om het op het kritieke moment af te laten weten. Dat lijkt mij karakteristieker voor de aard van onze cultuur en geschiedenis, dan die enkele naar het buitenland uitgeweken topscorer. Ik herinner mij de verslagenheid onder mijn vrienden, kennissen en buren wanneer er weer eens een belangrijke finale in de soep gedribbeld was.

Zo het voetbal, zo Rembrandt, zo de Deltawerken; over dat naargeestige Lobith past het te zwijgen. Rembrandt heeft in dat veel geroemde zeventiende-eeuwse Amsterdam zijn inboedel en zijn huis moeten laten veilen, omdat hij geen cent had. Van Vermeer, nu wereldwijd beschouwd als zijn meest illustere tijd-en vakgenoot, werd, derde kwart negentiende eeuw, vrijwel het gehele oeuvre naar het buitenland verpatst omdat niemand er meer wat in zag: ook dat is Nederland. De Deltawerken zijn een reactie op een afschuwelijke watersnoodramp, die mede door veronachtzaming kon plaatsvinden, en de uiterste consequentie ervan verwoestte het afgelopen decennium het Nederlandse rivierenlandschap.

Terug naar de buitenlandse denkers die hier ooit een vrijhaven vonden. Hun optreden werd tot op zekere hoogte getolereerd, maar van die verdraagzaamheid maakt onverschilligheid en eigendunk een aanzienlijk deel uit. Bij gelegenheid van de herdenking van de bevrijding van Auschwitz, verleden week, hebben in alle Europese kranten weer de kaartjes en staatjes gestaan waar Nederlanders zich diep voor dienen te schamen: percentueel een van de hoogste scores als het om de door de nazi's afgevoerde en vermoorde joden gaat. Ook dat is Nederland, hoe akelig het ook is. De voorbeelden van drie gruwelijke Atjehoorlogen in de negentiende eeuw en, een eeuw later, een falend optreden in Srebrenica bevestigen dat beeld.

Daar kan het neopatriottisme niet mee uit de voeten. Het bevordert, in de ogen van de neopatriotten, het gevoel van betrokkenheid en het plichtsbesef tot burgerschap niet. Maar het is wel de historische werkelijkheid die onder ogen gezien dient te worden bij het bevorderen van historisch besef. Het is daarom beter om die doelstelling van instemming en trots te vervangen door het doel inzicht te bevorderen, begrip, ja, zelfbegrip te kweken met behulp van kennis.

Van Aartsen wil de samenleving 'kleuren met emotie' en het historisch besef dient deel uit te maken van die procedure. Nog daarvan afgezien dat de Nederlandse samenleving mij de afgelopen paar jaar eerder gekenmerkt lijkt te worden door een teveel aan emotie en zodanig over haar toeren is aan het dat het mij onverstandig lijkt daar nog buitenland wat aan toe te voegen, doet een dergelijke onderneming precies het verkeerde. Bevorderen van historisch besef zou een ander doel moeten dienen dan opwinding bij allerlei gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis.

Het gaat erom dat burgers een min of meer gemeenschappelijk referentie-kader wordt verschaft, door middel van het onderwijs in de geschiedenis. Dat is, mede gezien het grote aantal nieuwe deelnemers aan die samenleving, die geen rechtstreekse band met de geschiedenis daarvan hebben en dus al die wonderlijke emoties hooguit geforceerd zouden kunnen nabeleven, een veel grotere uitnodiging om er met respect en een zekere hartstocht aan deel te nemen.

Alle menselijke geschiedenis begint dicht bij huis; daar wordt 's mensen identiteit in eerste instantie gevormd. Dat mensen zich verbonden voelen met hun familie, hun straat, hun dorp, hun stad en ten slotte hun streek en land, is niets vreemds en ook niet iets verdachts. Maar het is ook niet iets om trots op te zijn. De natuurlijke verbondenheid van mensen met hun historische omgeving zou buiten die emotionele en morele en ten slotte propagandistische termen gehouden moeten worden. Werkelijk historisch besef, historisch besef dat geen loze feestelijkheden in gang zet maar maatschappelijke verplichtingen oplegt - de verplichting die erfgoed altijd stelt: bewaren, beheren en doorgeven - staat niet te juichen, maar ziet de voors én de tegens van de gemeenschappelijke geschiedenis onder ogen. Alleen wie de morele complexiteit van zijn geschiedenis tot zich heeft laten doordringen heeft iets aan zijn historisch bewustzijn bij het tegemoet treden van een complex heden.

Dat wordt nog versterkt door de omslag die de samenleving heeft gemaakt van ethnos, een min of meer homogeen 'volk' in culturele zin, in demos, een zeer heterogeen gezelschap, dat haar burgerschap moet vinden in een democratische samenleving. Het gaat erom bij die samenleving, een rechtsorde, te willen horen, met alle rechten en plichten, het gaat er niet om van een volk en zijn mythologische zelfbeelden deel te willen uitmaken.

Zonder mythen gaat dat vermoedelijk niet, maar laat die mythen wel zo ver mogelijk blijven afstaan van klinkklare leugens, hoe nobel die ook bedoeld zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden