Column Onno Blom

Negenentwintig jaar na de grootste kunstroof aller tijden hangt de lijst waaruit de dieven De storm sneden nog op z’n plek

Rembrandt woonde de eerste 25 jaar van zijn leven in Leiden. Onno Blom werkt aan een biografie van die jaren en doet daarover hier een jaar lang verslag. 

Rembrandt, De storm. 1633. Beeld Isabella Stewart Gardner Museum, Boston.

De grootste verhuizing in het leven van Rembrandt was die van Leiden naar Amsterdam, al was het maar omdat het de enige verhuizing van zijn leven was. Hij ging van zijn geboortestad naar de stad waar hij zou sterven. De Nederlanden verliet hij nooit. Reizen deed hij alleen als hij een imaginair landschap schilderde.

De eerste keer dat Rembrandt afreisde naar Amsterdam, ergens in 1625, moet grote indruk hebben gemaakt op de 18-jarige molenaarszoon. Hij ging in de leer bij de beste historieschilder van de Republiek: Pieter Lastman, wiens werkplaats zich bevond in de Breestraat van Amsterdam, een zinderend centrum van kunst en kunsthandel.

Naar Amsterdam moest je met de boot. Je was de hele dag onderweg. En als je pech had – de wind draaide of er brak een storm uit – nog een dag. De veerdienst ging driemaal daags. De eerste schuit vertrok om zes uur ’s morgens vanaf de kade van de Oude Rijn, als de stadspoorten van Leiden opengingen. De route voerde via de Kaag en Braassem, daarna ging de reis scherp aan de wind over het Haarlemmermeer.

Het Haarlemmermeer bestaat niet meer. Er ligt nu een strakke polder. Maar in Rembrandts tijd lag er tussen Leiden, Haarlem en Amsterdam een uitgestrekte watervlakte waar het flink kon spoken. Als het stormde nam het water zulke grote happen uit de wal dat het Haarlemmermeer ‘de waterwolf’ werd genoemd.

Klampte Rembrandt zich vast aan de stag toen de wind opzette, witte koppen op de golven stonden en het bruisende water over de boeg sloeg? Hield hij zijn muts stevig vast? Als dat het geval was, zag hij er net zo uit als die ene passagier die ons recht en dodelijk kalm aankijkt op zijn eigen schilderij uit 1633 van de storm die Christus overviel op het meer van Galilea.

‘En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd. En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan? En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte.’ (Marcus 4: 35-37.)

Dit schilderij werd op de vroege ochtend van 18 maart 1990 gestolen uit het Isabella Stewart Gardner Museum in Boston. De dieven vermomden zich als politieagenten, knevelden de bewakers en stalen dertien topstukken met een opgetelde waarde van 500 miljoen dollar, waaronder een Vermeer, een Degas, een Flinck en drie Rembrandts.

De storm werd nooit teruggevonden. Miljonairsdochter Gardner bepaalde bij testament dat aan de inrichting van haar huis, waarin het naar haar genoemde museum werd gevestigd, niets mag worden gewijzigd. Precies negenentwintig jaar na de grootste kunstroof aller tijden hangt daarom de lijst waaruit de dieven De storm sneden nog op z’n plek: een leeg vlak, strak als een Hollandse polder.

‘En de wind ging liggen, en er werd grote stilte.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.