Nederlandse stropop feestelijk gevloerd

Met smaak dienen Jan Blokker en zoons Jan en Bas twaalf moorden uit de zeer oude en nabije geschiedenis op....

Moord en doodslag hebben een grote aantrekkingskracht op fatsoenlijke mensen. Zo slaan zij op de kermis graag op de Kop van Jut. De naam van deze attractie verwijst naar een echte moordenaar, Henricus Jacobus Jut, die in 1872 de Haagse weduwe M.Th. van der Kouwen-ten Cate en haar dienstbode, Leentje Beloo, om het leven bracht. Na enige tijd werd hij tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Velen wensten hem de doodstraf toe, maar die was zojuist afgeschaft. Uit angst voor een lynchpartij werd hij ver weg opgeborgen, in de gevangenis te Leeuwarden.

Hoe komt het nu dat een misdaad van de rubriek ‘gemengde berichten’ overgeheveld wordt naar de nieuwspagina’s? Hoe valt te verklaren dat een betrekkelijk overzichtelijke moordpartij uit 1872 vervolgens geritualiseerd voortleeft? Misschien omdat een moord een donkerbruin vermoeden bevestigt dat het bergafwaarts gaat met de samenleving.

Vandaar ook dat het op zijn minst interessant is eens dieper in te gaan op een aantal moorden in het verleden. Dat geeft aanleiding om er eens goed voor te gaan zitten en te genieten van de gruwelijke details, waarmee moord en doodslag doorgaans gepaard gaan.

Dat is de draaggolf waarvan de firma Blokker, Vader & Zonen, zich bedient in het boek Nederland in twaalf moorden. De weduwe Van der Kouwen-ten Cate komt er niet in voor, Willem Endstra is ook overgeslagen; de selectie is bepaald door de vraag of de slachtoffers een wat grotere historische relevantie hadden. En met smaak worden ze opgediend: van de moord op het meisje van Yde (rond het begin van onze jaartelling) en die op Bonifatius (754) tot en met die op Carlo Picornie (1997) en Theo van Gogh (2004). Weinig bloederige details worden ons bespaard, we krijgen ook allerlei bespiegelingen over de motieven van de daders en ten slotte enige beschouwingen over het ‘naleven’: op welke manier is een moord de geschiedenis ingegaan, wat deugt daar aan en wat niet (doorgaans blijkt dan het laatste het geval). En daarmee is het een overzichtelijk boek, gebaseerd op een degelijke kennis van de literatuur. Het leest bovendien lekker weg.

De schrijvers hadden echter een grotere ambitie dan het bij elkaar brengen van een aantal korte verhalen over misdaden uit het verleden. De eerste zin van de inleiding luidt kloek: ‘Het onderwerp van dit boek is de Nederlandse identiteit.’

En daar beginnen dan de moeilijkheden. Want waar hebben we het over, bij het begrip ‘identiteit’? De eenvoudige opvatting is dat er een vrijwel onveranderlijke wezenstrek in een volk, natie of cultuur valt op te merken, óf vol overtuiging wordt beweerd dat die identiteit allemaal onzin is, een ‘constructie’. Maar eenvoud is niet altijd een kenmerk van het ware. In het eerste geval, een onveranderlijke wezenstrek, kan gemakkelijk aannemelijk worden gemaakt dat daar geen sprake van is. Dit kan gebeuren door te wijzen op de enorme veranderingen in aard en kenmerken van een natie in de loop der tijden, of door te laten zien dat er binnen een natie of cultuur zulke grote verschillen zijn dat er geen sprake is van een nationale identiteit.

Maar de gedachte dat zoiets als nationale identiteit slechts een illusie is, is ook te gemakkelijk. Een dergelijke opvatting immers miskent het belang van de geschiedenis, de wijze waarop het heden afhankelijk is van het verleden. Elke zinvolle opvatting over identiteit zal dus rekening moeten houden met het ‘eender en anders’, de verandering én de continuïteit. Vervolgens zal dan, min of meer los van de inhoud, vooral aandacht geschonken moeten worden aan de functie van het praten over identiteit.

De godsdienstsocioloog L. Laeyendecker heeft er in 1974 al eens op gewezen dat het praten over identiteit in een organisatie of cultuur sterk toeneemt als iets in verandering is, maar men tegelijkertijd toch zichzelf wil blijven. Eigenlijk gaat het gesprek dus vooral over de vraag wat er wel en wat er niet mag veranderen. De sprekers gaan er daarbij dan van uit dat er een essentie is én dat zij met een speciale kwaliteit zijn uitgerust om deze essentie te doorvorsen. Op grond daarvan zijn zij dan ook bij uitstek gerechtigd om een oordeel uit te spreken over de vraag in welke mate veranderingen zijn toegestaan. Het is dus al snel een nogal elitaire bezigheid, gericht op het behoud of het verwerven van dominantie.

Juist vanwege deze functie van het identiteitsdebat brengen de critici naar voren dat identiteit niet bestaat en dat het vooral gaat om een onaangenaam machtsvertoon, bedoeld om onderscheid te maken tussen binnen- en buitenstaanders. Daarmee lijken ze echter op mensen die het betreuren dat de mens het vermogen heeft verworven om te spreken, op grond van het feit dat de mens daardoor ook in staat is gesteld om te vloeken of te liegen (zoals de psychologen Duijker en Frijda in 1960 al eens naar voren hebben gebracht). Kortom, identiteit is nogal een lastig begrip dat noch simpel opzij te schuiven valt, noch gedachtenloos te omhelzen is. En hoe hebben de Blokkers zich door dit mijnenveld bewogen?

Die bewegingen zijn om te beginnen nogal gecamoufleerd, om in de militaire beeldspraak te blijven. In de inleiding wordt eerst een soort nationaal zelfbeeld ontworpen, waarin het wordt voorgesteld alsof ‘wij’ vinden dat ‘Nederlanders’ altijd ‘nuchtere, open en tolerante’ mensen zijn geweest. Nadat deze stropop is opgericht, wordt hij feestelijk omver gehaald. Veiligheidshalve wordt daar echter aan toegevoegd dat de auteurs niet het omgekeerde vinden, ‘alsof we onszelf voortaan zouden moeten zien als een volk van louter intolerante, heibel zoekende, dweepzieke enkelingen.’ De moraal van het verhaal is niet meer en niet minder dan dat we in de loop der geschiedenis ‘vaak’ hebben gezondigd tegen het ideaalbeeld: om de lezer daarvan te overtuigen worden vervolgens de twaalf moorden als evenzovele bewijsstukken op het toneel gebracht.

De twaalf bewijzen van ons zondigen worden om te beginnen in volstrekt willekeurige volgorde opgevoerd: eerst Van Gogh, daarna het meisje van Yde. Het afwijzen van de chronologische volgorde is pleit-technisch wel interessant, omdat zo elke moord geheel op zichzelf al voldoende is om te laten zien dat Nederlanders niet ‘altijd’ nuchter, tolerant en open voor het vreemde en de vreemdeling zijn geweest. Maar de keerzijde van deze methode is dat op deze manier wordt gesuggereerd dat het zondigen van alle tijden is, relatief los staat van specifieke historische omstandigheden en eigenlijk diep verankerd is in ‘onze’ samenleving. En dat vanaf de allervroegste tijden.

Over de mensen die het meisje van Yde hebben vermoord weten we vrijwel niets – zelfs niet of ze niet weer uit de Lage Landen bij de zee verdwenen zijn, met een van de talloze migratiebewegingen uit die periode. Desondanks beweren de Blokkers dat ze niet ‘verdwenen zijn zonder iets van hun genetica na te laten voor later eeuwen’. Te vrezen valt dat hiermee een soort culturele genetica bedoeld wordt, namelijk een sluimerende bereidheid om op religieuze gronden tot moord over te gaan.

Niet alleen wordt de chronologie losgelaten, de auteurs trekken met enige regelmaat ook sprintjes door de hele geschiedenis heen. Zo wordt de Beeldenstorm van 1566 vergeleken met de ‘revolutie van 1968’; de Hoekse en Kabeljauwse twisten met de vechtpartijen tussen de hooligans van Feyenoord en Ajax; Johan de Witt met Ad Melkert; Bonifatius én Jan van Speijk met ‘een moslimterrorist die zijn bomvest al heeft omgegord’; een pogrom uit 1349 met de deportaties uit 1942 en de reactie op de Belgische Opstand in 1830 met die op de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring in 1945. Dit zijn allemaal geen verhelderende vergelijkingen, maar stijlmiddelen om duidelijk te maken dat de Nederlandse mens in wezen onveranderlijk is gebleven.

Betekent dit dat de Blokkers toch een beeld presenteren van ‘de’ Nederlander, van iets kenmerkends dat dwars door alle tijden heen gelijk is gebleven? Met andere woorden: gaat het niet over het begaan van twaalf zonden maar over twee millennia zondigheid? In de inleiding was het ontkend, maar te vrezen valt dat dit toch de boodschap is. Bij het stuk over Bonifatius wordt al breed uitgehaald: ‘Zijn ernst, humorloosheid en verwaten bekrompenheid lopen als een rode draad door de Nederlandse geschiedenis. Ze verbindt een reeks van oer-Hollandse mannen die in dit boek voorkomen, van Jan Pieterszoon Coen via Cornelis de Witt tot aan Hendrik Colijn en eigenlijk moet je premier Balkenende er ook nog bij rekenen.’

En wie denkt dat het oordeel beperkt blijft tot gereformeerde ambtsdragers vergist zich. Want in een stuk dat moet gaan over het doodslaan van Willem II in 1256 wordt, om vast in de stemming te komen, ons in het allereerste begin voorgehouden vooral goed naar tv-series te kijken als De Rijdende Rechter: ‘Daarin vertonen doorsneeburgers staaltjes van de volksaard: hebzuchtig, zelfgenoegzaam, verongelijkt, onverzoenlijk.’ We waren er al bang voor, zo blijkt er ineens toch een volksaard te zijn.

De Blokkers hebben een onderhoudend boek geschreven. Het is ook origineel te noemen om verhalen te vertellen uit en over het Nederlands verleden aan de hand van moord en doodslag. Maar het zou een stuk aardiger zijn geweest als ze zich wat minder gemakkelijk hadden afgemaakt van een centraal begrip in de analyse, die lastige identiteit.

De historicus Kossmann heeft dat niet voor niets eens waarschuwend aangeduid als ‘een tuchteloos probleem’. Dan zou het niet alleen een onderhoudend boek zijn geweest, maar ook een bijdrage aan de discussie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden