Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays

Zwagermans literaire glasnost

Joost Zwagerman stelde een bloemlezing samen van 200 Nederlandstalige essays. Na twee eerdere bloemlezingen is daarmee een imposante serie voltooid van Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 volgens Zwagerman.

Het heten 'moeilijke genres' te zijn: het verhaal en het essay. Uitgevers en boekverkopers willen er niet aan. Geheide winkeldochters: iedereen die weleens bij De Slegte komt, kan het beamen. Dat bloemlezer Joost Zwagerman zich uitgerekend op deze genres heeft gestort, is niet alleen dapper, maar ook zeer welkom. Want het klopt niet. Het beknopte verhaal is in deze jachtige tijd veel kansrijker dan de uitgesponnen roman. En in een wereld die dagelijks een overdonderende behoefte aan duiding aan de dag legt, is het essay misschien wel urgenter dan ooit.

In de inleiding van het derde en laatste deel van zijn megabloemlezing vergelijkt Zwagerman de bijeengebrachte essays met het Pak van Sjaalman. Dat is een elegant eerbetoon aan misschien wel Nederlands grootste essayist, die buiten de tijdsgrenzen van De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays viel en dus in de bundel ontbreekt. Maar de verwijzing naar Multatuli's opsomming van de meest uiteenlopende geschriften, waarmee Droogstoppel in Max Havelaar zo verlegen zit, is ook programmatisch. Zwagerman wil ermee zeggen dat hij zichzelf geen inhoudelijke beperkingen heeft willen opleggen.

Toch denk ik dat aan de keuzes die Zwagerman maakt wel een agenda ten grondslag ligt, hoezeer de Sjaalman-vergelijking ook suggereert dat anything goes. Die agenda is erop gericht het essay te bevrijden uit zijn literaire isolement.

Omdat het essay een literair genre is, gelden literatoren doorgaans als 'betere' essayisten dan niet-literatoren. En omdat literatoren nu eenmaal graag over literatuur nadenken, gaan veel van de verondersteld betere essays over literatuur. Je zou kunnen zeggen dat het essay daardoor enigszins verliteratuurd is geraakt. Jaren lang waren het steevast literatoren die er met de P.C. Hooftprijs voor essayistiek vandoor gingen. Je kunt je afvragen of dat goed was voor de reputatie van het essay. Vooral bij de bekroning van Frédéric Bastet in 2005 was er gemor.

Rechtvaardigde het fijnzinnige, maar inhoudelijk beperkte oeuvre van de laureaat de toekenning van de belangrijkste Nederlandse essayprijs?

Met de P.C. Hooftbekroning van de socioloog Abram de Swaan is een andere koers ingezet. Het is een koers die ook Zwagerman vaart. Zijn keuze uit de moderne essayistiek laat zien dat Nederlandstalige essayisten meer aan hun hoofd hebben dan de literatuur. Slechts tien van de 200 essays zijn van het verliteratuurde type dat in de jaren tachtig zo populair was bij neerlandici: pure poëticale plaatsbepalingen op de vierkante millimeter van het Nederlandse literatuurdebat. Het betreft cruciale teksten in de Nederlandse literatuurgeschiedenis en kennelijk heeft Zwagerman gevonden dat die niet mochten ontbreken. Maar het zijn uitzonderingen.

Zwagerman bindt in deze bloemlezing opnieuw de strijd aan met wat hij in een van zijn eigen essays 'de literaire quarantaine' heeft genoemd: het in de Nederlandse literatuur vastgeroeste idee dat teksten die zich met het nieuws van de dag inlaten eigenlijk geen literatuur kunnen zijn. En dat de auteurs ervan een 'veredeld soort journalisten' zijn.

Zwagerman zoekt het spreekwoordelijke straatrumoer in zijn eigen werk wel op. Het maakt hem tot een van de meest zichtbare Nederlandse schrijvers van dit moment: een literaire intellectueel die niet terugschrikt voor de onderwerpen, de circuits en de media waarvoor de Letterdames en de Letterheren hun neus plegen op te halen. Een auteur die het publiek zoekt, ook als dat op plekken zit waar de literatuur normaal gesproken niet doordringt.

Als bloemlezer volgt Zwagerman dezelfde lijn. Essays zoeken bij voorkeur de wereld op, zo vindt hij. Ze gaan ergens over. De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays is

dankzij die geëngageerde schrijverspolitiek inderdaad een Pak van Sjaalman geworden. Als een eigentijdse Multatuli brengt Zwagerman de meest uiteenlopende onderwerpen bij elkaar. En de centrale notie die deze enorme variëteit bijeen houdt, is urgentie. De gebloemleesde essayisten móesten over hun onderwerp schrijven, omdat ze het van algemeen belang vonden.

De literaire essayistiek vindt in deze rijke, in veel opzichten ruimhartige bloemlezing aansluiting bij de wereld. En andersom: de wereld wordt de literaire essayistiek binnengetrokken. Ook op het personele vlak. Johan Huizinga, Pieter Geyl, E.J. Dijksterhuis, Jacques de Kadt, Jan Blokker, Abram de Swaan, Bert Keizer, Ger Groot: al deze niet-literatoren zijn in Zwagermans universum probleemloos literaire schrijvers. En dat is een enorme verrijking van het soms wat steriele domein van de literatuur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden