Interview Rushemy Botter en Lisi Herrebrugh

Nederlands ontwerpersduo naar de top in Parijs

Rushemy Botter en Lisi Herrebrugh, oprichters van het modehuis Botter. Beeld Marleen Daniels

Binnen vijf jaar na je ­afstuderen aan het hoofd staan van een vooraanstaand modehuis in Parijs: het lukte Rushemy Botter en Lisi Herrebrugh, hoofdontwerpers van Nina Ricci én oprichters van hun eigen merk Botter. Hoe speelden ze dat klaar?

Rushemy Botter (33) en Lisi Herrebrugh (29) zijn hét nieuwe Nederlandse succesverhaal in de mode. Hun eigen merk hangt vanaf september onder meer bij Dover Street Market in Londen, een modewinkel die alleen het coolste van het coolste verkoopt. Eind augustus werden ze ook nog eens benoemd tot hoofdontwerpers van het Franse modehuis Nina Ricci; vorige week gaven ze hun eerste show voor dat merk. Ze maken kleren die zeggen: kom maar op, ik ben niet bang. Kleren die vrolijk maken, als een strakblauwe lucht op zaterdagochtend. 

Hoe dat eruitziet? Een roze-groengestreepte polo met een capuchon die onder de kraag verdwijnt. Een sweater die ook als broek gedragen kan worden (dan worden de lange mouwen de pijpen). Een blauwe, gebreide wollen trui met een transparante spencer eraan vast. Een gestreept katoenen overhemd waarvan het linkerpand is omgedraaid zodat de kraag aan de onderkant zit. Hun ontwerpen zijn interessanter dan je in eerste instantie denkt. Zo is de gestreepte polo gemaakt van een combinatie van polostof en een stevig soort zijde, waardoor de stof stijver is en dus heel anders valt dan bij een gewoon poloshirt. De strepen zijn met de hand geknipt en er later opgeplakt. De transparante spencer die aan de blauwe trui vastzit, is gemaakt van gerecycled plastic met een kabelprint die erin gestanst is. Bewerkelijke kledingstukken kortom, maar dan wel met het comfort en – niet onbelangrijk – de coolfactor van streetwear. Botter en Herrebrugh werken als traditionele couturiers, ze doen veel met de hand en besteden veel tijd aan het maken van patronen. Maar in plaats van baljurken maken ze casual mannenkleding. En dat slaat aan. 

Hun aanstelling bij Nina Ricci was groot nieuws. Niet alleen omdat het hier gaat om een vooraanstaand modehuis met een lange geschiedenis en halfjaarlijkse shows tijdens de Parijse modeweek, maar ook omdat het maar zelden voorkomt dat jonge ontwerpers al zo snel meedoen op Champions League-niveau. Het was ook groot nieuws omdat, als je beide merken zou samenvatten in één kledingstuk, Botter een streetwise colbert is, en Nina Ricci een chique jurk. Eigenlijk zit in de basis niet zo veel verschil: voor Botter en Herrebrugh zijn pasvorm, snit en materiaal nu net zo belangrijk als voor Ricci ruim tachtig jaar geleden. Maar omdat hun kleding ook kleurrijk, sportief en comfortabel is, wordt er vaak het label streetwear opgeplakt (jargon voor casual kleding, zoals hoodies en T-shirts).

Botter en Herrebrugh aan het werk in hun atelier. Beeld Marleen Daniels

Hoe is het om de creatieve leiding over zo’n vooraanstaand modemerk te hebben? 

Botter: ‘Eigenlijk zijn we sinds de aanstelling zo druk dat we nauwelijks tijd hebben gehad om daarbij stil te staan. We zijn in augustus naar Parijs verhuisd en meteen begonnen. Wel merken we dat ons eigen merk meer aandacht krijgt en dat we serieuzer worden genomen door mensen waar we al jarenlang tegen opkijken. We kregen bijvoorbeeld een kaart van Dries Van Noten, waarin hij ons feliciteerde met onze aanstelling. Dries Van Noten! Toen we nog in Antwerpen woonden, liep ik zo’n vijf keer per week watertandend langs zijn winkel. Nu werken we voor hetzelfde concern (zowel Nina Ricci als Dries Van Noten zijn onderdeel van de Spaanse modegroep Puig, red.) en stuurt hij een kaart waarin hij laat weten dat hij ons waardeert. Dat is toch tof?’

Herreberugh: ‘Werken voor Nina Ricci is ook heel leerzaam. Sommige medewerkers werken al veertig jaar in het atelier in Avenue Montaigne, terwijl ik krap vijf jaar geleden ben afgestudeerd. Ik vind het fantastisch om hen aan het werk te zien. Ze kunnen alles maken. En als we een ingewikkeld ontwerp presenteren, vinden ze dat geen probleem, maar een uitdaging.’

Hoe combineren jullie je eigen merk met het werken voor Nina Ricci? 

Herrebrugh: ‘We zoeken nog naar een goede balans. Momenteel is het heel druk, want we zijn de eerste show aan het voorbereiden.’ (We spreken ze vóór 1 maart, de dag van hun debuutshow bij Nina Ricci, red.) ‘Maar gelukkig hebben we bij Botter nu iemand aangenomen om ons te helpen: Marijn Rikken, een oud klasgenootje van mij. Zij heeft haar vaste baan bij Viktor&Rolf in Amsterdam opgezegd en nu werkt ze voor ons in Parijs.’

Botter: ‘Daar zijn we superblij mee. Want het is lastig om iemand te vinden die we honderd procent vertrouwen en die ons werk begrijpt. Naarmate we bekender worden, komen er steeds meer mensen op ons af, maar niet iedereen is even zuiver. Er zitten ook mensen bij die jaloers zijn of die alleen maar uit zijn op snel geld.’

Een paar jaar geleden werkten de ontwerpers nog samen in een studio in Borgerhout, een opkomende – je kunt ook zeggen: morsige – woonwijk in Antwerpen, aan de collectie waarmee Botter in 2017 cum laude afstudeerde aan de Antwerpse Modeacademie. Daar was het bij vlagen zo koud dat ze warme lucht in hun handen moesten blazen voordat ze spelden op konden pakken. Nu hebben ze een atelier in Rue de Montreuil, een rustige straat in het elfde arrondissement van Parijs. De verwarming werkt. Er staan vijf naaimachines. Er is daglicht. Ruimte voor stagiairs. En koffie en croissants. Ze wonen zes metrohaltes verderop, ongeveer halverwege richting Avenue Montaigne, de glimmende winkelstraat waarin het atelier van Nina Ricci is gevestigd en waar het geld bijna van de stoeptegels afdruipt.

Botter kwam op zijn tweede van Curaçao naar Nederland en is opgegroeid in Vinkeveen. Herrebrugh woonde in het aangrenzende Mijdrecht, haar moeder komt uit de Dominicaanse Republiek. Ze leerden elkaar dertien jaar geleden kennen via de oudere broer van Herrebrugh, een vriend van Botter. Ze raakten aan de praat op een buurtfeest en hielden contact via MSN. Inmiddels hebben ze bijna tien jaar verkering; ze zijn zo goed op elkaar ingespeeld dat ze bijna achteloos elkaars zinnen afmaken. Herrebrugh wilde de mode in, terwijl Botter zoekende was. Hij was op de middelbare school nog van plan om zijn vader op te volgen, die werkt als directeur van een verzekeringsbedrijf. ‘Ik wilde net als hij in een pak en met een koffer aan het werk. Totdat ik aan een opleiding Verzekeringsbedrijf begon: dat vond ik zo saai dat ik ben gestopt en me heb ingeschreven voor een opleiding bij defensie.’

Aan het werk in het atelier. Beeld Marleen Daniels

Hoe heb je de stap van defensie naar mode gemaakt? 

‘Het besef dat het me meer om de pakken dan om het werk van mijn vader te doen was, kwam toen ik Vogue zat te lezen. Dat deed ik altijd stiekem, ik was de enige in de kazerne die Vogue las. Maar goed, ik las in een interview met Walter Van Beirendonck dat hij niet alleen zijn eigen merk heeft, maar óók hoofd is van de modeopleiding in Antwerpen. Pas toen realiseerde ik me dat ik best voor modeontwerper zou kunnen studeren.’

En toen ben je meteen begonnen? 

‘Ja, ik begon op mijn 20ste aan de vakschool Mode en Kleding in Hilversum. Daarna heb ik me ingeschreven voor modeacademie ArtEZ in Arnhem, maar daar werd ik niet aangenomen.’ 

Herrebrugh: ‘Dat weet ik nog goed. Ook ik had me ingeschreven en werd niet aangenomen. We waren allebei kapot van die afwijzing, maar het is goed afgelopen.’ Ze lacht. ‘Ik ben naar het Amsterdam Fashion Institute gegaan en ben daar in 2014 cum laude afgestudeerd. Ik heb veel aan die studie gehad, op technisch vlak én omdat ik er op een commerciële manier heb leren kijken en denken.’

Jij bent met je diploma op zak naar Rushemy gegaan, die toen inmiddels in Antwerpen studeerde. Waarom? 

Herrebrugh: ‘Die beslissing heb ik op gevoel genomen. Ik had niets te verliezen: ik was net klaar met mijn studie, ik had geen baan en ik was verliefd. Natuurlijk ben ik voor gek verklaard door mensen in mijn omgeving die waarschuwden voor een gat in mijn cv. Het leek hun verstandiger om voor een bestaand modemerk aan de slag te gaan dan de liefde en mijn dromen achterna te reizen. Maar voor mij was het op dat moment de enige logische beslissing. Ik heb altijd heel sterk in onze plannen en dromen geloofd, ook toen er nog helemaal niets was om in te geloven. Niet dat ik niet onzeker ben geweest; ik heb me vaak genoeg afgevraagd waar ik mee bezig was. Zeker op de momenten dat Rushemy op school zat en ik alleen thuis met de patronen voor zijn derdejaars-collectie bezig was. Financieel was het ook afzien. We aten wekenlang noedels en als we in het weekend naar een van onze ouders gingen, namen we een koffer vol tandpasta, wasmiddel en andere relatief dure boodschappen mee terug.’ 

Botter: ‘En toch had ik onze tijd in Antwerpen niet willen missen. Daar kwamen we erachter dat we heel goed kunnen samenwonen en -werken. Het is een goede basis geweest.’

Hoe belangrijk is het feit dat jullie een duo zijn voor jullie huidige succes? 

Botter: ‘Dat is alles. Volgens mij word je gek als je dit werk alleen doet. Ik had de academie in Antwerpen niet zonder Lis willen doen; mijn naam staat op het papiertje, maar eigenlijk hebben we die studie samen gedaan. Ook nu we voor Nina Ricci werken, is het fijn dat we met zijn tweeën zijn. Dat houdt ons met beide benen op de grond.’

Herrebrugh: ‘Dat we een duo zijn, heeft ons ook geholpen om op het juiste moment de juiste stappen te nemen en te blijven geloven in wat we willen bereiken. Het geld van de prijzen die Rushemy met zijn afstudeercollectie won (Botter won onder meer de Dries Van Noten Award en de Most Promising Graduate-award, red.) hebben we direct in ons bedrijf gestopt. Het ging om een paar duizend euro, daarmee hadden we ook onze studieschuld kunnen afbetalen of een dure tas kunnen kopen. Maar wij besloten om een showroom in Parijs te huren om ons werk daar onder de aandacht te brengen.’

Kledingstukken van het merk Botter. Beeld Philippe Olivier

Hoe ging dat? 

Herrebrugh: ‘We hadden niemand uitgenodigd, want we kenden niemand. We hebben ter plekke flyers uitgedeeld aan inkopers die de shows bezochten én we hadden geluk dat modemerk Acne Studios verderop in dezelfde straat zat, daardoor kwamen inkopers en journalisten toevallig ook langs ons.’

Wie zijn jullie klanten? 

Botter: ‘Iedereen die dat wil zijn. Je hoeft echt niet jong te zijn om onze kleding te dragen. Het is een kwestie van smaak: als jij je prettig voelt in een limoengroen donsjack, dan kun je dat bij ons kopen.’

Waarom heet jullie merk Botter en niet Botter & Herrebrugh of iets dergelijks? 

Herrebrugh: ‘Omdat het beter klinkt. Heb je weleens aan iemand in Parijs of New York gevraagd om mijn naam uit te spreken? Wij hebben bewust voor een naam gekozen die het internationaal goed doet.’ 

Hoe is jullie taakverdeling? 

Herrebrugh: ‘Ik ben realistischer en ik ben patroontechnisch beter.’ 

Botter: ‘Ja, ik dacht altijd dat ik best goed was met patronen vanwege mijn vakopleiding, maar wat jij doet is echt next level.’ 

Herreberugh: ‘Maar jij kunt groter denken, jij bent onverschrokken en trekt je niets aan van bestaande kaders.’

Op de catwalk van Botter Beeld Philippe Olivier

Levert dat soms strijd op? 

Botter: ‘Jazeker. Maar dat is niet erg, die spanning levert uiteindelijk betere ontwerpen op.’

Herrebrugh: ‘We houden elkaar scherp door kritische vragen te stellen en de discussie aan te gaan.’

Vorig jaar in mei wonnen ze de eerste prijs tijdens het jaarlijkse modefestival in het Zuid-Franse Hyères. Ze deden mee met de collectie Fish or Fight, waarmee Botter een jaar eerder cum laude was afgestudeerd aan de Antwerpse modeacademie en waarin streetwear-elementen als petten en sneakers werden gecombineerd met klassieke pakken én met oude visnetten en opblaasbeesten. Zo droeg een van de modellen een plastic opblaasdolfijn op het hoofd – een fotogeniek plaatje, maar ook een eigenwijze manier om commentaar te geven op het plasticprobleem in het Caribisch gebied, waar ze beiden graag komen. Van het prijzengeld, vijftienduizend euro, hebben ze naaimachines gekocht. Voor het Franse merk Petit Bateau mochten ze een kleine collectie ontwerpen, die binnenkort te koop is. Zeker, er worden grotere geldprijzen uitgereikt in de mode, zoals de LVMH-prijs ter waarde van driehonderdduizend euro. Ook daarvoor waren ze geselecteerd; ze behoorden tot de tien finalisten, een prestatie als je bedenkt dat hun werk uit meer dan driehonderd inzendingen werd geselecteerd. Aan de prijs die ze in Hyères wonnen, kleeft vooral prestige omdat het festival artistiek en creatief heel vrij is; het gaat niet meteen over mogelijke verkoopcijfers, zoals bij het beursgenoteerde LVMH. ‘Hyères is heel belangrijk voor ons geweest. Daar zijn we voor het eerst opgemerkt door de top van Nina Ricci,’ zegt Herrebrugh.

Zijn jullie daarvoor weleens door andere merken benaderd? 

Botter: ‘Ja, maar ik noem geen namen. We hebben altijd nee gezegd. Dat was misschien niet zo voor de hand liggend, want we konden het geld best gebruiken. Maar we hebben altijd een duidelijk doel voor ogen gehad: we willen een modehuis bouwen. Met Nina Ricci doen we mee op het allerhoogste niveau. En dat is precies wat we altijd wilden. We hebben ons vanaf het begin hoog gepositioneerd.’

Herrebrugh: ‘We maakten naam op het moment dat streetwear populair begon te worden en we werden ook als een streetwearmerk gezien. Dat snap ik wel: onze kleding is vaak oversized en kleurrijk, we zijn jong en we hebben Caribische roots.’ 

Botter: ‘Modemensen beginnen tegen mij bijna altijd over Virgil Abloh, die nu voor Louis Vuitton werkt. Ik snap niet zo goed waarom, want wij hebben een hele andere manier van werken.’

Herrebrugh: ‘Maar jij bent óók een jonge, donkere gast en dat is het eerste wat mensen zien. In de modewereld volgt dan al snel de aanname dat je vooral T-shirts en capuchontruien maakt, maar dat doen wij dus niet.’ 

Botter: ‘We weigeren zelfs inkopers die alleen maar T-shirts en capuchontruien willen bestellen, want we willen geen merk zijn dat even meesurft op een hype. We vinden het belangrijk dat mensen iets voelen als ze ons werk zien.’ 

Herrebrugh: ‘Snel geld verdienen is nooit een doel op zich geweest. Mode is voor ons een manier om ons uit te drukken, een soort dagboek. We willen dicht bij onszelf blijven. Maar we betalen inmiddels wel onze eigen tandpasta, hoor.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden