Nederlands is hun taal niet

Iwan Brave keerde ruim een jaar geleden terug naar zijn geboorteland Suriname. Wekelijks beschrijft hij zijn ervaringen...

Vroeger werd het ons thuis niet toegestaan 'Negerengels' te praten. En al helemaal niet tegen ouderen, want dat was onbeleefd. Pas als je goed Nederlands praat, ben je ontwikkeld, was bovendien het uitgangspunt. Je had dan ook het malle effect dat je moeder of oma je over iets in het Surinaams aansprak, en dat jij je in het Nederlands moest verantwoorden.

Behalve dat dit een van de oorzaken was dat bij menigeen gevoelens van minderwaardigheid over de eigen cultuur naar binnen slopen, schuilt hierin ook de ambivalentie in de houding van de Surinamer. Want terwijl men zich verzet tegen het overschaduwen van de eigen cultuur door alles wat Nederlands is, gold tegelijkertijd het Nederlands als maatstaf van beschaafd en ontwikkeld zijn. Vandaag de dag wordt steeds meer de eigen taal - Suriname kent er vele - in de woonkamers gesproken maar het Nederlands geldt nog altijd als de graadmeter van ontwikkeling.

Op straat geniet je gewoon van de wijze waarop Surinamers met hun warme, ronde klanken en eigen termen een swingende draai aan het Nederlands geven. Maar als de nieuwslezer, de parlementariër of de deskundige een en ander moet verduidelijken, dan klapperen je oren van het archaïsche gehalte en de geaffecteerde toon. Het eenvoudige publiek krijgt niet alleen wollige formuleringen - waarvan Gijsbrecht van Aemstel terstond zou verbleken - over zich heen, maar moet zelf maar uitzoeken wat 'missiven', 'contestanten', 'beursalen', 'attituden' en 'platituden' zijn.

Men zal niet zeggen: hallo, ken u ook effe normaal praten?, maar laat zich mak imponeren door zo veel 'geleerdheid'. Het is tragi-komisch hoe de goedbedoelende criticus - die natuurlijk ook wil bewijzen uit goed hout gesneden te zijn - de holle en dure frasen van de politicus met hetzelfde middel tracht te weerleggen. Terwijl het volk denkt 'wat een knappe koppen', is het land zo stuurloos als maar kan. Vooral president Wijdenbosch is een fervente toediener van de Nederlandse taal als opium.

Ik ben lange tijd van mening geweest dat het zogenaamde taalprobleem van het Surinaamse kind in Nederland niet opging. Onzin. Een Turks kind, natuurlijk, maar een Surinaams kind wordt prompt na de geboorte in het Nederlands geregistreerd. Totdat ik enkele jaren geleden in Nederland een toer langs diverse scholen in het speciaal onderwijs maakte, en pijnlijk met de realiteit werd geconfronteerd. Ik was niet alleen geschokt door het feit dat het voornamelijk zwarte tot pikzwarte scholen waren, ook boosheid bekroop mij. Ik vond het onrechtvaardig dat als kinderen thuis het Nederlandser zo ingehamerd krijgen, diezelfde Nederlandse cultuur niet in staat is hen hiervoor te belonen. Als ze uit het reguliere onderwijs tuimelen, wordt dat iets te gemakkelijk afgedaan met de 'thuissituatie' of 'taalprobleem'.

Een Surinaamse pedagoog wist mij met eenvoudige voorbeelden te overtuigen dat er wel degelijk een taalprobleem is, maar ook dat de IQ-tests slecht aansluiten op de belevingswereld van het Surinaamse kind. Als je tien jaar bent, kan de vraag hoeveel 'jaargetijden' er zijn, lastig zijn. Zeker als je tot dan toe alleen met de 'regentijd' en de 'droge tijd' te maken hebt gehad. 'Maar als je een Surinaams kind vraagt: het is nu zomer, welke seizoenen ken je nog meer? dan is de kans op een goed antwoord groter', zei de pedagoog, die kinderen succesvol in no-time weer in het reguliere onderwijs kreeg. 'Wil je kinderen straffen omdat ze een formulering niet begrijpen, of wil je weten hoeveel kennis in ze zit?' onderbouwde hij zijn testmethode.

Twee maanden geleden bezocht ik in het binnenland van Suriname een schooltje. Het maakte een vreemde indruk te zien hoe kinderen die diep-Surinaams met Afrikaanse invloeden spreken - en die nog nooit in Paramaribo zijn geweest, laat staan in Nederland - in de weer waren met aap-noot-mies-boekjes. Een jongetje had moeite met het schrijven van het woord 'aap'. Nadat de juf hem had geholpen, vroeg ze hem wat het was. De jongen wist het niet. 'Dat is een monki-monki', zei ze. Toen besefte ik dat Surinamers in eigen land met een nog groter taalprobleem kampen.

Onlangs was ik weer in het randje binnenland, voor een verslag over een vrouwvriendelijke houtwerkplaats. Omdat ik Nederlands sprak met de projectbegeleider, durfde ik bij een deelneemster niet over te schakelen op Surinaams, bang haar te beledigen. Een belachelijke overweging, maar ook ik ben beïnvloed door de misplaatste status die hier aan het Nederlands kleeft. Het gesprek verliep uiterst stroef. Bijna schuw zei de jongedame niet meer dan 'Ja meneer' en 'Nee meneer'. Citaten waar ik weinig mee kon. Een crèchehoudster die in de werkplaats speeltjes voor haar peuters maakte, gaf mij een wenk. Ik liep naar haar toe. 'Als je iets uit haar wil krijgen, dan zul je Sranantongo moeten praten', fluisterde zij mij in. Terug bij de jongedame schakelde ik over op Surinaams, en er ontstond zowaar een levendige conversatie.

'Het zijn eenvoudige mensen, het Nederlands werpt een drempel voor ze op', zei de crèchehoudster later. 'Ik begin ook met mijn kinderen eerst in het Saramaccaans en als ze lekker los zijn gekomen ga ik geleidelijk over op Nederlands.'

'Maar waarom werpt dat Nederlands zo'n drempel op?'

De peuterjuffrouw: 'Het is hun taal niet.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden