Nederland gidsland

Rechtse tegenpartijen doen het goed bij de ontevreden kiezer. Dat gold ook voor de moeder aller tegenpartijen, de Tegenpartij van Koot en Bie, zoals Jan Blokker jr....

De Hollandse tolerantie is over de hele wereld befaamd. Geen voorbeeld van het tegendeel kan het ideaalbeeld van een ruimdenkend en vrijheidslievend volk vernietigen. Zelfs in een uitermate kritisch artikel in Der Spiegel van 28 februari 1994 werd toch nog geschreven: ‘Van alle vooroordelen klopt alleen dat de Hollanders een van ouds tolerante natie zijn. In de 16de en 17de eeuw hielden ze hun deur wijd open voor Joden en hugenoten.’

Voor wie dat ideaalbeeld maar lang genoeg heeft gekoesterd, moet de aanblik van Nederland aan het begin van de 21ste eeuw, met politieke moorden, brandstichting, rassenhaat, religieuze intolerantie, en een oorverdovende roep om aanpassing van vreemdelingen aan ónze normen en waarden, wel bijzonder verwarrend zijn. Logisch dat er dan al gauw wordt gesproken van on-Hollandse toestanden.

Ergens in de zomer van 1980 werd, waarschijnlijk in Den Haag, de Tegenpartij opgericht door F. Jacobse en Tedje van Es, twee vrije jongens van achter in de twintig. In het begin van 1981 begon het er naar uit te zien dat de partij, als die met het programma Rugop ’81 daadwerkelijk zou meedoen aan de Kamerverkiezingen, misschien wel enkele zetels zou winnen.

De Tegenpartij was een exponent van het gelijkhebberig rechts-extremisme dat zich vanaf het einde van de jaren zeventig luidruchtig manifesteerde. Het ging om kleine partijtjes, soms met een expliciet nazisignatuur, vaak met een krijgshaftig voorkomen en doorgaans uitgesproken vijandig tegenover buitenlanders of gastarbeiders, zoals de allochtonen in die jaren met een vriendelijk eufemisme werden genoemd. De partijen maakten vaak meer ruzie met elkaar, dan dat ze zich sterk maakten tegenover de vijandige buitenwereld.

Eén van die splinters, de Centrum Partij, won in 1982, met de leuze ‘Niet rechts, niet links’ een zetel in de Tweede Kamer. De fractievoorzitter, Hans Janmaat werd volgens afspraak door de gevestigde partijen genegeerd. Wanneer hij sprak, stroomde de Kamer leeg, alleen de Kamervoorzitter, de weinig charismatische D. Dolman, bleef grimmig wachten op fouten of versprekingen van de besmette Janmaat. Hij bleef tot het eind van zijn Kamerlidmaatschap een paria in het door en door fatsoenlijke Haagse milieu.

De Tegenpartij van Jacobse en Van Es was (net als de Centrum Partij) anti-intellectueel, antiparlementair, egocentrisch en onverdraagzaam tegenover vreemdelingen in Nederland. De partij verzette zich tegen bureaucratie, belastingen en bezuinigingen. De slogan was: ‘Samen voor ons eigen * want alleen is maar alleen’, of ook wel ‘Geen gezeik, iedereen rijk.’ De partij was, zou je zeggen, te extreem, en de politieke statements van de beide leiders te absurd, om geloofwaardig te zijn. Het was dan ook een fictieve partij: Jacobse en Van Es waren creaties van het komische duo Kees van Kooten en Wim de Bie, bedoeld om de spot te drijven met het rechts-extremisme.

Maar in het voorjaar van 1981 bleek de fictie opeens politieke realiteit te zijn geworden. De partij werd in het land wel degelijk serieus genomen. Jacobse en Van Es dreigden de macht over te nemen van hun geestelijke vaders. In mei 1981, twee weken voor de verkiezingen, maakten Van Kooten en de Bie met harde hand een einde aan hun creatie. Zij lieten hun alter ego’s bij een mislukte couppoging omkomen.

De Tegenpartij was een project gebleken met dodelijke afloop.

Het beeld van Nederland als het vaderland van de tolerantie, een oase van vrijheid en vooruitgang, bleef door de affaire-Jacobse en Van Es ongeschonden. Dat gebeurt wel vaker met sjablonen: die zijn hardnekkiger dan de realiteit. Het Spiegel-artikel van februari 1994 formuleert het clichébeeld van Nederland in het buitenland in heldere bewoordingen: ‘Nederland is een schoongeveegd land vol tulpen, tolerantie en fietsende ‘doeners’ op klompen, die voortdurend maatjes eten en lekkere jenevertjes drinken.’ In het vervolg wordt dat idyllische beeld tot de grond afgebroken.

Het artikel, Frau Antje in de overgang, over de identiteitscrisis en het einde van de tolerantie in Nederland (voorzien van een illustratie waarop een kaasmeisje te zien is met een levensgrote joint) was een reactie op de toenemende anti-Duitse gevoelens in Nederland. De schrijver schetste een uiterst negatief beeld van het idyllische Nederland: rassenhaat, criminaliteit, drugsgebruik, verloedering van de steden, en dat alles bemanteld door het libertijnse Hollandse ‘gedoogbeleid’. ‘De Nederlanders’, schreef hij, ‘hebben zich eraan gewend, tolerant te zijn, ook tegenover intolerantie.’ Een verdraagzaam volk, ook tegenover onverdraagzaamheid. De schrijver kwam tot een interessante stelling: ‘Er is reden om aan te nemen, dat de regering en een meerderheid van de bevolking niet dezelfde tolerantiegrens hebben.’ Het zou wel eens voor het eerst kunnen zijn dat we hier de notie tegenkomen van een volk dat het spoor bijster is geraakt en van een kloof tussen de burger en de Haagse politiek.

Verbeelding

Verbeelding
Nederland stond sinds het eind van de jaren zestig bekend als het land waar alles kon en alles mocht, het land van de absolute vrijheid, bijna een nieuw Amerika met z’n onbegrensde mogelijkheden. Een land waar de verbeelding aan de macht was. Begin jaren tachtig bedacht een Amerikaanse historicus de term Hollanditis: aanvankelijk werd daarmee vooral bedoeld het endemische pacifisme van dit volk; maar als bijverschijnsel ontwikkelde de patiënt de neiging om alle traditionele waarden van de westerse beschaving om te keren: vrije drugs, vrije seks, onbeperkte mogelijkheden voor abortus en euthanasie; Amsterdam the gay capital of the world. En wat nog erger was, de ziekte was besmettelijk, en de Hollanders hadden de onbedwingbare behoefte, hun idealen aan de verbaasde wereld ten voorbeeld te stellen.

Verbeelding
Nederland wilde gidsland zijn.

Verbeelding
Niet alleen buitenlanders keken met verbazing en soms met afschuw naar al die onverwachte ontwikkelingen in het vroeger zo gemoedelijke Nederland, ook veel, heel veel Nederlanders voelden zich in hun eigen land niet langer thuis. Voor die mensen was er de Tegenpartij, ‘de partij voor alle Nederlanders die niet meer tegen Nederland kenne’.

Verbeelding
In de politieke werkelijkheid werd de roep om terug te keren naar traditionele waarden tegen het einde van de twintigste eeuw steeds luider. De idealen van het gidsland uit de jaren zeventig kwamen in een kwade reuk te staan; steeds vaker dook het adjectief doorgeschoten op, in combinatie met individualisme, vrijheidszin of tolerantie. Mét die nostalgie naar traditionele normen en waarden groeide de behoefte aan een helder profiel van wat ons Nederlanders bond, een canon van de vaderlandse geschiedenis; en dus ook wat ons onderscheidde van de velen die naar ons land emigreerden. Eén stap verder lag de plicht van de vele emigranten om zich te conformeren aan die gemeenschappelijke culturele waarden.

Verbeelding
Maar zo’n helder profiel was niet makkelijk samen te stellen. Nederlanders zijn het nooit eens geweest over de geschiedenis en het verleden is bij ons eerder breekpunt dan bindmiddel.

Verbeelding
En wat die wereldberoemde tolerantie tegenover minderheden betreft: die hoort op de keper beschouwd vooral bij het handelscentrum Amsterdam, waar je in onze Gouden Eeuw met verdraagzaamheid rijker kon worden dan met strenge normen en waarden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden