NEDERHOPPER OVERZEE

Het was een mooie symbiose: witte Europeaan maakt muziek met zwarte Amerikaan op het internet. Hiphopproducer Nicolay, echte naam Matthijs Rook, doet het goed in de VS, nu met zijn tweede soloplaat Here....

De verkeerde man op de verkeerde plaats. Dat was Matthijs Rook – hiphopproducer, dj, beat creator – in de nederhop. De Nederlandse hiphop had weinig op met de boomlange Utrechter uit de volkswijk-op-stand Witte Vrouwen, die zich heel Amerikaans ‘Nicolay’ liet noemen. Wederzijds was er van innige liefde ook niet echt sprake.

Als Rook begint te praten, begrijp je waarom. Nicolay is niet lauw, hij heeft met niemand een beef, hij is geen pappie en al helemaal geen baas. Nicolay spreekt bedachtzaam abn, opgeleukt met het begin van een Amerikaans accent. Want Rook is nu, na zijn derde Amerikaanse plaat in drie jaar, definitief nederhopper overzee, met het oerland van de hiphop als werkterrein.

‘Klinkt bizar hè?’, zegt Rook vanachter een bak ‘altijd weer te gekke’ Nederlandse koffie: reus van een witte Nederlander gaat in de States eens even wat zwarte muziek wegzetten. ‘Je zou zeggen dat ik helemaal gestoord moet zijn, omdat ik denk dat ik dáár hiphop kan maken, maar toch: het gebeurt.’ En wel vanuit een strandhuis op North Carolina Beach, met openslaande deuren richting zee. Daar bouwt Nicolay aan een Amerikaanse platenserie, en aan een Amerikaanser dan Amerikaanse hiphopsound, vol soul en zwart levensgevoel. Althans, voor Nederlandse oren. ‘In de States vinden ze me leuk omdat ik zo Europees klink.’

Nicolay maakte in 2004 als The Foreign Exchange de plaat Connected, met de Amerikaanse rapper Phonte Coleman. Hij verkocht 50 duizend cd’s. Er volgden twee soloplaten bij het Amerikaanse label BBE, vorig jaar City Lights, en nu ligt Here in de winkel. De Utrechter pakte zijn koffers. Nu toert hij door de States, van Chicago naar New York, hij doet dj-werk en live optredens met band. Hij wordt goed besproken in de Amerikaanse hiphopbladen. Nicolay leeft van zijn kunst. Nederland vervaagt voor hem en misschien ook daarom is Nicolay hier nog steeds een hiphopper zonder naam.

Je vermoedt een strategie achter zo’n muzikale carrière, een visie met verdwijnperspectief. Iedereen wil het maken in de States, en als je de kans krijgt dan werk je eraan. Maar echt, zeg Rook, ‘het ging per ongeluk’.

De muzikale loopbaan van Matthijs Rook (32) in Nederland begon op een drassig Smakkelaarsveld in Utrecht, een vergeten groenstrook tussen Centraal Station en kantoorschimmel, waar meestal junks rondscharrelen en soms een Utrechts popfeestje wordt gevierd dat doorgaans verregent. Daar stond Rook – muziekgeschiedenis gestudeerd – te bassen en keyboard te spelen in een funkbandje. ‘Het was halverwege de jaren negentig, de tijd van de hardbop: funkmuziek à la Prince, jammen en grooven, uren durende p-funk van George Clinton.’ Heel leuk, dat jammen, maar Rook wilde weleens iets uitbouwen: een nummer maken. Dat zat er met het genre van de p-funk niet in.

Rook sloot zich aan bij Bastian, het eerste bandje van Bas Bron, de latere producer van De Jeugd van Tegenwoordig. ‘We hadden een funky househitje, You’ve Got My Love. Die clip met die T-shirts, al die borsten die voorbij kwamen? Nou, dat waren wij.’ Ook een mooie tijd. ‘Jongens in een busje. We hadden best veel optredens, ook in België. Maar er werd niet nagedacht. Na het hitje was er geen follow-up. Er was geen management.’ Rook wilde de boel wel opschudden, aan de touwtjes gaan trekken. ‘Maar het was toch Bas’ ding. Ik wilde geen conflict met hem: prima gozer, dikke vrienden, nog steeds.’ Dus stapte Rook uit Bastian. ‘Ik wilde eens geconcentreerd en alleen in mijn eigen studio gaan werken.’

De koers werd gezet richting hiphop. Praktisch: ‘Omdat je die met beats en samples nu eenmaal goed kunt maken in je eentje.’ Maar vooral: ‘De zwarte muziek is altijd mijn grote liefde geweest. Stevie Wonder, Prince, funk, soul en jazz. Vanuit die soul raakte ik verzeild in de hiphop. Yo, MTV Raps op MTV, daar keek ik iedere dag naar. Fantastische hiphop werd daar één op één doorgegeven vanuit de States: A Tribe Called Quest en De La Soul.’

In zijn homestudio knipte en plakte Rook honderden hiphoptracks aan elkaar, tot hij in 2000 een knal te verwerken kreeg. ‘De plaat Voodoo van D’Angelo.’ Stilte. ‘Ik kon even geen muziek meer maken.’

Rook moest eerst gaan luisteren. Een paar maanden uitsluitend luisteren. Want hij hoorde in die sensationele plaat Voodoo precies die hiphop die hij altijd had willen maken. Gelaagd en meesterlijk gearrangeerd. Duister, duivels en soulvol. Sexy, spannend en onderhuids. Hiphop waar je van op het parket ging liggen kronkelen. Hiphop die oneerbiedig ook wel ‘neukmuziek’ werd genoemd.

Toen Rook bijkwam uit zijn trip liet hij de studio weer aangloeien. Geïnspireerd, of liever bezeten. ‘Ik ging eerst die D’Angelo nadoen, natuurlijk.’ Later vond hij een eigen draai. En met zijn nieuw ontdekte Nicolay-groove, vol jazzsamples, koortjes en zelf ingespeelde funky toetspartijen, wilde Rook weleens buiten gaan kijken. ‘In het cd-boekje bij Voodoo stond de naam van een website. Daarop posten D’Angelo en The Roots. Ik ben in de messageboards gedoken, en daar kwam ik in contact met Phonte Coleman, de rapper van de groep Little Brother die in Amerika net een beetje bekend werd. Wij vonden elkaar altijd in hetzelfde hoekje van de site, hadden dezelfde visie op hiphop. In een wilde bui heb ik toen een paar tracks voor hem online gezet. Ik wilde weleens weten wat een Amerikaan nu van mijn muziek zou vinden.’ Ommekeermoment in Rooks leven: ‘Phonte vond het helemaal te gek. Hij zei: ‘Ik weet niet wat je verder van plan bent, maar wij moeten hier iets mee gaan doen.’ Vanaf toen eigenlijk was ik een steen die van een berg afrolde.’

Connected, de plaat die Nicolay in 2004 maakte met Phonte, was een intelligent album dat werd gedragen door een romantisch verhaal. ‘We hadden elkaar nooit ontmoet. Ik stuurde tracks over het internet, hij rapte in zijn studio de rhymes in, ik legde daar weer een laag muziek over. In Amerika werd de plaat goed ontvangen, en niet alleen vanwege de muziek die daar heel Europees wordt gevonden omdat het invloeden heeft uit ambient en dance. Vooral het verhaal was prachtig: witte middle-class Europeaan werkt samen met zwarte Amerikaan over het internet.’ Het lag er misschien wat dik bovenop, zegt Nicolay, maar het was niet klef bedoeld. ‘Het was net na 9/11, een tijd van onverdraagzaamheid, van Bush en oorlog. Amerika voelde zich alleen staan. Er was terreurdreiging, ellende met het vliegverkeer. En daar kwam ineens zo’n positieve plaat Connected, met liefdevolle inhoud, van twee mensen uit twee werelden die elkaar nooit hadden gezien; op de cd-hoes houden een blanke en een zwarte hand elkaar stevig vast. Met ook nog een onderliggend idee: als we niet meer veilig kunnen vliegen, dan ontmoeten we elkaar toch online? Het werd een mediaverhaal, we kregen aandacht in kranten, tijdschriften, op de radio. Ik denk dat veel Amerikanen het verfrissend vonden.’

Nicolays subtiele hiphop, vol strijkjes en harmonieuze fluitparten, ging in de States door voor underground. ‘Dat klinkt misschien gek, omdat wij het eerder gelikt zouden noemen’, zegt Rook, ‘maar daar is het geluid niet bepalend voor wat je underground noemt. Het gaat om de content.’ En die inhoud van Foreign Exchange ging voorbij aan het gebruikelijke hiphopidioom. ‘It’s funny how we start out cool but get corroded, by our quest for power and the people that behold it’, dat soort teksten leverde rapper Phonte op de soms dromerige klanken van Nicolay, ‘our man from da nethalands’. Foreign Exchange kreeg airplay op de college radiostations. ‘De plaat is goed verkocht, al is 50 duizend in Amerika niet veel’, zegt Rook.

Zijn nieuwe plaat Here, zonder Phonte maar met Amerikaanse gastvocalisten als Black Spade en Darien Brockington, is net uit en begint al een mooi leven te leiden. ‘Hij is goed besproken, ik stond in een toptien van een college radiochart, en dat is niet verkeerd. Ik ben ook ergens plaat van de maand of zo. Maar zo goed als Connected zal het nu niet gaan, ik sta er even alleen voor, zonder mooi verhaal.’

Dat moet ook, vindt hij. ‘Ik moet mijn muzikale persoonlijkheid vinden in de States, en dan komt straks de tweede Foreign Exchange. Daarmee kunnen we het echt gaan maken, voor Europese begrippen dan. In Amerika blijft het in vergelijking met de Fifties en de Snoop Dogs natuurlijk klein.’ Daar kun je niet tegenop, zegt Rook, en dat heeft volgens hem te maken met die rare cultuur in de Amerikaanse muziekindustrie, en zeker in de hiphop. ‘De nadruk ligt niet op talent, maar op wie je bent en wat je kunt bereiken. Je kunt zo ontzettend groot worden als 50 Cent met een verleden en een street credibility. Aan dat verhaal wordt gewerkt. Iedereen accepteert dat, daar hoef je je niet voor te schamen.’

Krankzinnig natuurlijk, dat Matthijs Rook uit Utrecht zich vol overgave in die dog eat dog-hiphopstrijd heeft gestort. ‘Het is raar hè, dat ik dat opzoek. Maar ik moest echt weg uit Nederland. Ik kwam met mijn muziek totaal niet van de grond.’

Het was harken in het vaderland, zegt Rook. ‘Ploeteren, tegen de stroom in, en dat heb ik lang gedaan.’ De stroom, dat is de Nederlandstalige rap, sinds de Ali B- en Lange Frans-explosie. ‘Ik vind het te gek dat die jongens in hun eigen taal rappen, maar ik voel me niet comfortabel bij hun muziek.’ Hij zou zich er bijna voor verontschuldigen, maar hij vindt het simpelweg... ‘minder prettig klinken’, probeert Rook. ‘Een kwestie van smaak. Ik ben ook te oud voor die kennelijk erg diepe Nederlandse beweging dat iedere jongere half Surinaams en half Marokkaans praat. Ik heb niets met straattaal. Sorry. Ik voel er geen muziek bij. En wat ik hoor aan nederhopbeats, daar word ik niet enthousiast van. Bintjesbeats, hard en droog, grof en boertig. Heel erg Mondriaan ook, vierkant en scherp omlijnd.’

Een laatste optreden in het Utrechtse Tivoli, vorig jaar, maakte wat Rook betreft duidelijk dat hij en Nederland elkaar niet veel meer te bieden hadden. ‘Ik was geboekt in Tivoli en dat waardeerde ik zeer. Dat was echt mijn zaal, daar had ik Pearl Jam nog gezien. Ze wilden die Utrechtse jongen die succes had in Amerika toch eens horen dj-en. Ik deed ’s middags een soundcheck, heel goed: mooie nieuwe apparatuur. Maar ik kom ’s avonds een half uur voor het optreden het podium op, en daar blijkt alles te zijn omgewisseld voor oude wiebelige draaitafels. Ik snapte het niet. Al mijn platen skipten, het was verschrikkelijk al probeerde ik er het beste van te maken. Het publiek werkte ook niet mee, het stond met de rug naar me toe. Jongens, dacht ik, ik had met deze set een week geleden vierhonderd man op de tafels in Chicago. Ik voelde me echt iemand waarop hier niemand zat te wachten. Ik was ook boos en ik besloot me te gaan richten op Amerika, en daar ook te gaan wonen.’

Een goede beslissing want Nicolay, zo laat hij weten, mist ons niet. De zaaleigenaren krijgen de hartelijke groeten evenals de promotors van de Nederlandse muziek Conamus, – ‘daar heb ik ook nooit iets van gehoord’ –, en de hele scene die in Nederland als een natte deken om de nederhop heenhangt. ‘De nederhop neemt zichzelf veel te serieus. Het is een rare in zichzelf gekeerde wereld. Van die vechtpartijtjes die dan in de krant komen, ijsblokincidenten, baasjes die de vriendinnen van andere baasjes dissen.’ Irritatie: ‘Jongens van bandjes als dat Amsterdamse THC, die stoer bij een auto gaan hangen en denken dat ze gangsterrap maken... en jongens die vanuit de gevangenis raps maken. Je zou willen dat ze eens in het hiphopverleden doken. Waar komt gangsterrap vandaan? Je hebt hier vast slechte buurten, maar als je in Nederland aan de rand komt te staan, heb je het echt verknald met je uitkering, je studiefinanciering en je ziektewet. Als je als Amerikaan aan de rand zit, laat het land je daar ook zitten. Gangsterrap is een manier om de absolute ellende te ontstijgen, en die rap is gewelddadig omdat hij voortkomt uit een gewelddadige cultuur. Je bent geen gangster omdat je uit de Bijlmer komt, alsjeblieft.’ Een teug Hollandse koffie. ‘Ik ben blij dat ik niet meer in dat muzikale universum zit.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden