Nederbreeuws of burgermansproza

Ongetwijfeld trekt de afgelopen woensdag onder koninklijke belangstelling gepresenteerde Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) de meeste aandacht. Maar het zal de oplettende krantenlezer niet zijn ontgaan dat er dezer dagen meer nieuwe vertalingen verschijnen dan in de afgelopen vijftig jaar. Dat kan geen toeval zijn.

Een overzicht. Op 15 oktober de Naardense Bijbel, de eenmansvertaling van de Utrechtse predikant Pieter Oussoren, die daar ruim dertig jaar over deed. Tien dagen later Numeri, het derde bijbelboek dat door hebraïst Alex van Heusden en liturg en dichter Huub Oosterhuis in een nieuwe jas is gestoken. Tegelijk verschenen herdrukken van hun vertalingen van Genesis en Exodus. En op 27 oktober de niet te missen presentatie van de door haar makers alvast als 'uniek' en 'magistraal' bestempelde NBV. In november is de verschijning gepland van de Statenvertaling - 'het onversneden Woord' - in de oorspronkelijke 17de-eeuwse versie. En dan blijft nog ongenoemd De Hebreeuwse Bijbel, het eenmansproject van natuurkundige en vertaler Albert Koster, die eind 2005 wordt verwacht.

De verklaring voor deze opeenstapeling ligt voor de hand. Dat de NBV bij haar verschijnen veel publiciteit zou genereren was te verwachten: een door 23 kerkgenootschappen geïnitieerd en door het Nederlands Bijbelgenootschap, de Katholieke Bijbelstichting en twee Vlaamse zusterorganisaties gedragen vertaling, waaraan meer dan tien jaar is gewerkt door honderden betrokkenen- als vertaler, meelezer of supervisor, dan wel aansturend of begeleidend - en die in een eerste oplage van maar liefst 200 duizend exemplaren verschijnt. Men zou wel gek zijn om van die royale aandacht geen gebruik te maken bij de presentatie van het eigen, op bescheidener wijze tot stand gekomen en met een aanzienlijk beperkter budget te promoten product.

Wat tumult kan daarbij geen kwaad. Dus ging de samensmelting van verschijningsdata vergezeld van een aantal directe aanvallen op de NBV. Na eerdere negatieve reacties op proefvertalingen zette Nico ter Linden de toon in het oktobernummer van Onze Taal. 'Dit deugt niet', oordeelde hij onomwonden. 'Ontaal' was het, en 'burgermans proza' waarvan zijn maag omdraaide. Maar geen lezer kon zich aan de indruk onttrekken dat Ter Linden hier zijn eigen, veelvuldig in het artikel ten voorbeeld gestelde Het verhaal gaat. . . aan het promoten was. En ja, hij was door het NBV-team inderdaad genegeerd als deskundige.

De sfeer werd onverkwikkelijk toen dagblad Trouw Ter Lindens aanval oppikte en Nico's broer Carel en Huub Oosterhuis bereid vond zich achter dit negatieve oordeel te scharen. 'Beatrix' hofpredikers verwerpen de vertaling', kopte de krant op 28 september. Pikant, omdat de koningin precies een maand later het eerste exemplaar van de NBV in ontvangst zou nemen.

Ook het streven de NBV de komende vijftig jaar de standaardvertaling voor het Nederlands taalgebied te doen zijn, stuitte her en der op weerstand. Bisschop Hurkmans had al eerder laten weten de NBV een mooi product te vinden, maar onbruikbaar voor de katholieke eredienst.

Aan protestantse zijde kreeg het protest vorm in een Open Brief van verontruste theologen. Zij verzetten zich tegen de nagestreefde theologische neutraliteit van de nieuwe vertaling. Bij de kerkleiding van de Protestantse Kerk (PKN) drongen ze erop aan deze NBV niet zomaar tot 'kanselbijbel' te bombarderen. Het streven van de vertalers om alle theologische vooronderstellingen buiten de deur te houden, is zelf ook weer een theologische vooronderstelling, aldus de stellers van de brief. Zo loopt men 'het risico dat onder de noemer van neutraliteit onbenoemde vooronderstellingen gaan buikspreken'.

De auteurs zijn afkomstig uit kringen rond de Amsterdamse School, waar het woord voor woord vertalen belangrijker wordt geacht dan de begrijpelijkheid en de toegankelijkheid van het resultaat. Dat een van de ondertekenaars, de theoloog Rochus Zuurmond, de NBV afdoet als een 'kasteelroman', spreekt boekdelen.

De grote toegankelijkheid van de NBV, die als pluspunt werd aangemerkt, blijkt het centrale punt in de kritiek. De NBV zou in haar dubbele doelstelling - brontekstgetrouw én doeltaalgericht - te veel zijn doorgeslagen naar het laatste. In een ultieme poging de bijbel ook begrijpelijk te maken voor de kinderen van de laatste gelovigen, zou iedere plechtstatigheid overboord zijn gezet. Geen 'gij' meer, geen 'en het geschiede' of 'in den beginne', en zelfs geen 'kribbe' en geen 'herberg' meer.

De knusse herberg waar Jozef en zijn hoogzwangere Maria tevergeefs aanklopten, heeft plaatsgemaakt voor het prozaïsche 'nachtverblijf van de stad', wat de meest letterlijke vertaling is van wat er in de oorspronkelijke Griekse tekst staat. Deze keus is dus níet ingegeven door een streven naar toegankelijkheid, maar juist een kwestie van brontekstgetrouwheid. Maar veel van de overige nieuwigheden worden door de critici - Nico ter Linden voorop - uitgesproken lelijk bevonden.

Geruchtmakend was al eerder de vervanging van Predikers fameuze opening - 'ijdelheid der ijdelheden' - door 'lucht en leegte'. Dit alternatief werd wereldkundig toen enkele jaren geleden de eerste proefvertalingen verschenen in de bundel Werk in uitvoering 1. De goegemeente - recht in de leer, dan wel godloochenend - liep ertegen te hoop. Maar alles went, zoals ook de Prediker leert, want inmiddels klaagt daar niemand meer over. Sterker nog: het is een fraaie vondst, vindt schrijver Nicolaas Matsier, die uitstekend past bij de elementen - zon, wind, water - die in het boek Prediker ook aan de orde komen.

Matsier is niet de enige literator van naam die zich lovend uitlaat over de NBV. Hij was 'meelezer' bij onderdelen van de vertaling, en bevond zich als zodanig in het gezelschap van 61 andere literatoren, onder wie Piet Gerbrandy, Arnon Grunberg, C.O. Jellema, Gerrit Krol, Doeschka Meijsing, Arjan Peters, Jan Siebelink, Hans Warren en August Willemsen.

Sommige van hen steken de loftrompet over de vertaling. 'Poëtisch en toch helder. Mooier kan bijna niet, lijkt me', meldt Arnon Grunberg over Jesaja. 'Deze vertaling heeft voor mij de zeggingskracht, de vanzelfsprekendheid van een origineel' , schrijft de inmiddels overleden C.O. Jellema over Job. En Rutger Kopland beoordeelt de poëzie in Hooglied als 'nu eens dromerig, zangerig, dan weer heftig en sensueel, maar nooit melig of pathetisch'. Alleen Jan Eijkelbooms visie op de mede door dichter/criticus Tom van Deel vertaalde Psalmen klinkt niet echt als een aanbeveling: 'Het juiste midden tussen te modern en te traditioneel.'

Over mooi en lelijk valt dus ook hier nog wel degelijk te twisten.

Opvallend is dat het merendeel van de meelezende schrijvers en dichters tot de ongelovige intelligentsia behoort, maar zodra de bijbel ter sprake kwam tot voor kort dweepte met de Statenvertaling, vanwege haar exotische orakeltaal en duistere plechtstatigheid. Die waren weer het gevolg van het feit dat de vertalers destijds zo dicht mogelijk tegen het Hebreeuwse, Griekse en Aramese taaleigen aankropen. De vele hebraïsmen die de vertaling daardoor kreeg, waaronder het bekende 'ijdelheid der ijdelheden', leidden ertoe dat de taal van de Statenbijbel de spottend bedoelde bijnaam 'Nederbreeuws' verwierf.

Hoewel de statenvertalers geen enkel literair doel nastreefden - integendeel - heeft juist dat Nederbreeuwse karakter de Statenvertaling haar literaire imago gegeven. Dat is al opmerkelijk, maar nog opmerkelijker is dat grote delen van letterkundig Nederland nu massaal lijken te zijn gevallen voor de heldere begrijpelijkheid van de NBV.

Het is een slimme strategie geweest van het NBV-team om het eerder genoemde soort deskundige buitenstaanders bij het project te betrekken en steeds open kaart te spelen door zowel de vertaalprincipes als de voorlopige resultaten op tafel te leggen. Dat er in de beoogde doelgroepen ook nadrukkelijk reacties werden uitgelokt geeft, misschien wat overdreven gesteld, de NBV de schijn van een welhaast democratisch tot stand gekomen vertaling.

'Democratisch', smaalt Alex van Heusden, 'alsof grote literatuur zich laat verenigen met democratische beginselen! En de bijbel is toch grote literatuur?' De hebraïst die samen met Huub Oosterhuis aan een eigen bijbelvertaling werkt, blijkt zich, om commentaar gevraagd, eraan te storen dat hun beider negatieve oordeel over de NBV als ondemocratisch wordt afgedaan. De lezers zijn mondige mensen die zelf maar moeten zien of ze ermee uit de voeten kunnen, dat is de gangbare gedachte. Maar als verstaanbaarheid het hoogste ideaal is, wat blijft er dan nog van de vaak verborgen boodschap over?

Oosterhuis, die er spijt van heeft dat zijn uitlatingen via Trouw hebben bijgedragen aan de stemmingmakerij rond de NBV, houdt zijn kritiek daarop desondanks staande. 'De bijbel is het moeilijkste boek van de wereld', meent hij. 'En zeker geen boek om, in je eentje onder de schemerlamp, zomaar te gaan zitten lezen', vult Van Heusden aan. 'Daar zijn deskundige uitleg en begeleidend commentaar bij nodig. En die krijg je door te leren, in een leerhuis.'

De zogenaamde verstaanbaarheid, menen beiden, gaat eraan voorbij dat de bijbel ons van nature vreemd is, geschreven in een andere taal, tijd en cultuur. Met de NBV verdwijnen 'het vreemde, het eigene, het bijzondere' van de brontekst uit beeld, en wordt het misverstand versterkt dat de heilige schrift een religieus-literair werk voor privé-gebruik zou zijn.

Verstaanbaarheid staat niet op zichzelf, maar is een afgeleide van het gehanteerde vertaalprincipe, dat weer afhankelijk is van het doel dat men met de vertaling voor ogen heeft: zo begrijpelijk mogelijk het verhaal vertellen, of zo dicht mogelijk bij de soms duistere, meerduidige bron blijven. Anders gezegd: vertalen we vrij of letterlijk?

De NBV is vertaald op grond van wat men een 'contextueel principe' zou kunnen noemen: eerst kijken wat de functie van een woord is in een zin, van die zin in de tekst en van de desbetreffende tekst in het geheel. Zo'n vertaalwijze biedt bovendien de ruimte om recht te doen aan de verschillende genres in de bijbel en aan de uiteenlopende stijlen van de bijbelboekschrijvers.

Daartegenover staat de 'concordante' of 'ideolecte' woord-voor-woordvertaling, waarbij het woord de allesbepalende vertaaleenheid is, en telkens als het voorkomt, ook op dezelfde manier wordt vertaald. Van Heusden en Oosterhuis vertalen woord voor woord. Dat deed ook Pieter Oussoren in zijn indrukwekkende Naardense Bijbel.

Die Naardense Bijbel is een literaire prestatie van jewelste. Daar zijn de schrijvers Benno Barnard, Maarten 't Hart, Geert van Istendael, Willem Jan Otten en - jawel, ook hier! - Nicolaas Matsier, die deze vertaling van harte aanbevelen, het roerend over eens.

Het boeiende aan deze vertaling is dat zij ondanks het woord-voor-woordprincipe geen Nederbreeuwse orakeltaal bevat, maar juist klinkt als een klok. Dat is mede het gevolg van het consequente gebruik van de tegenwoordige tijd. Het verrassende effect daarvan springt meteen al in het oog bij Genesis 1: 'Sinds het begin is God schepper van de hemelen en de aarde.'

Dat is meer dan alleen maar actuele, frisse taal. Om het wat cryptisch te zeggen: hier staat niet langer wat er stond. Zo'n opening nodigt uit tot verder lezen én tot nieuwe exegetische avonturen, hetzij alleen onder de schemerlamp, hetzij in leerhuis of kerk.

De Nieuwe Bijbelvertaling is verschenen bij verschillende uitgevers en verkrijgbaar in diverse uitvoeringen. De prijzen variëren van ¿ 29,50 tot (geïllustreerd met de prenten van Gustave Doré) ¿ 84,95.

Pieter Oussoren: De Naardense Bijbel. Skandalon; circa 1700 pagina's; ¿ 66,-. ISBN 90 76564 06x.

Huub Oosterhuis en Alex van Heusden: Numeri. De Prom; 159 pagina's; ¿ 16,95. ISBN 90 6801 927 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden