Natuurlijk aanvaard ik de dood

De verschijning van zijn jeugdherinneringen, Eigenlijk heet ik Levi, heeft Louis Velleman deze week nog kunnen meemaken. De 81-jarige schrijver, die heel zijn leven een 'ontembare' passie voor de journalistiek voelde, is ongeneeslijk ziek....

'DE doodgraver is net langs geweest', zegt hij provocerend. Alles is geregeld, crematie, tekst, muziek, borrel, hapjes. Het lijkt hem dus niet verstandig lang met dit interview te wachten. 'Dinsdag?! Dan ben ik er misschien niet meer. Kan je morgen niet?' En als hij voor publicatie doodgaat? 'Dan maak je een kadertje in je stuk en daarin zet je: Louis Velleman overleed enkele dagen nadat dit interview werd afgenomen.'

Een paar maanden geleden liep hij nog met veerkrachtige tred door het huis, maakte een urenlange wandeling op het strand bij Scheveningen, straffe tegenwind en al. Nu schuifelt hij, sterk vermagerd door de kanker, voetje voor voetje van bed naar stoel, drinkt water door een rietje, fles zuurstof onder handbereik. Praat niettemin drie uur band vol, terwijl zijn vrouw Martje (76) eindeloos geduldig, een en al opofferende liefde, af en aan draaft met water, medicijnen, een krantenknipsel, een brief, een foto. Hij commandeert, ongeduldig, geïrriteerd. Dan weer vol warmte: 'Zonder Martje ben ik niks. Mart je is heilig.'

Louis Velleman is 'bovenal en vooral' journalist. Voor de oorlog begonnen als volontair bij Het Volk, daarna verslaggever bij Het Vrije Volk, vanaf 1958 tot eind jaren tachtig correspondent in Brussel en Londen, voor de krant, voor de VARA-radio ('dit is Louis Velleman. . .') en de tv. Ruim tien jaar geleden moest hij met pensioen, hij vestigde zich weer in Nederland, had nog een kort avontuur met de Krant op Zondag, schreef daarna vanuit zijn fraaie patiobungalow in het Brabantse Uden veel stukken voor De Groene Amsterdammer. Hij blikt met verbazing terug op zijn leven. 'Waar kwam dat onzinnige verlangen vandaan om journalist te worden en hoe is het in godsnaam mogelijk dat mijn droom is uitgekomen?'

Afgelopen week verschenen zijn jeugdherinneringen, Eigenlijk heet ik Levi. Verhalen over het joods-proletarische milieu waarin hij opgroeide, een schrale opvoeding, een liefdeloos gezin, hijzelf een eenzame jongen, die elke dag wakker wordt met het gevoel dat hij in een verkeerd milieu is geboren en die al van jongs af 'een ontembaar en onverklaarbaar verlangen' heeft om journalist te worden. Hij schrijft over zijn lange onderduikjaren, vluchtend van het ene adres naar het andere. Over die ene belangrijke vriendschap met een Deense jongen en een verboden liefde. Mooi opgeschreven, schokkend en roerend, soms pijnlijk openhartig.

Vrienden had hij niet. Nooit werd hij Louis genoemd, altijd Moos of Sam. Soms wilde hij ook wel eens meedoen met een partijtje straatvoetbal. 'Jongens, mag Moos meedoen? Nee Moos, we hebben je niet nodig.'

Hij blonk uit op school, wilde naar de HBS, dat moest als je journalist wilde worden. De scène bij de bovenmeester, wiens toestemming nodig was, staat in zijn geheugen gegrift. De meester zittend achter zijn bureau, hij en zijn moeder staand ervoor. Zijn moeder kreeg niet de kans uit te praten. 'Vrouw Velleman', zei de directeur, 'ga niet boven je stand leven. Die jongen moet naar de ambachtsschool.'

Eigenlijk was ook de mulo te hoog gegrepen. Hij mocht het proberen, maar het hoofd had er niet veel fiducie in. Jongste bediende kon je worden met mulo, geen journalist. 'Ik heb als een bezetene voor een mooie cijferlijst gewerkt in de hoop dat ik toch ergens als leerling zou worden aangenomen.'

ZIJN vader is het toonbeeld van een schlemiel. 'Aanvrager, schmoezenier, bij een winkel in herenconfectie in Haarlem, van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat stond hij op de stoep, klanten naar binnen lokken.' Thuis was moeder de baas, pa zat onder de plak, en reageerde zich af op de zoon. 'Hou je smoel, of ik sla je hersens in.' Dat hield pas op na de oorlog. 'Ze wisten aan wie ze hun leven te danken hadden.' Louis had voor de onderduikadressen gezorgd.

Af en toe wierp hij een blik in een andere wereld. 'Een zus van mijn vader trouwde 'naar boven', met een gereformeerde fabriekseigenaar, een levensreddend huwelijk bovendien. Ik logeerde een keer in hun villa in Heemstede, en had meteen het gevoel dat ik daar thuishoorde. Ze dronken oranjebitter, de tafel was gedekt met een wit laken, en mooi servies.'

Grijnst: 'Mijn tante vond zichzelf zo deftig dat ze maggie uitsprak als meggie.'

Hij klampte zich vast aan een vriendschap met een Deense jongen. Het lukte hem deel te worden van een groep Haarlemse jongens uit de betere kringen, met hooggestemde idealen over het verbeteren van de wereld. 'Het was ver boven mijn stand, ik zou ze nooit thuis kunnen ontvangen, en over veel dingen kon ik niet meepraten, maar het betekende enorm veel voor me. Die jongens waren de vrienden die ik altijd had willen hebben.'

De club was ook zijn redding in de oorlog. Via een van hen kreeg hij voor hemzelf en zijn ouders z'n eerste onderduikadres.

In een van de verhalen in het boek schrijft hij hoe hij op een onderduikadres in Hilversum elke ochtend verlangend bij het raam stond, in afwachting van het meisje op de fiets. Ze was een paar seconden zichtbaar, maar daarna kon hij weer een nieuwe uitzichtloze dag aan. Op een dag kwam ze niet. Hij bleef in een soort wanhoop bij het raam staan. Toen zag hij twee mannen in slobberige jassen het grindpad oplopen. 'Een van hen bleek Piet Schaap te zijn, een beruchte jodenjager, die na de oorlog is geëxecuteerd, hij kreeg vijftien gulden per jood. Een enorm keurige man, toppunt van volkse beschaving. Hij greep je niet bij je edele delen om te constateren of je besneden was, nee, hij liet een dokter komen. Heel absurd.'

Velleman beschrijft de manier waarop Schaap plaatsnam aan het bed waar de tuberculeuze onderduiker weer in was gedoken. 'Vriendelijk, gemoedelijk, de joviale rechercheur die bijna met tegenzin zijn plicht deed, maar verder het beste met je voorhad (. . .) Je kon hem vertrouwen (. . .) Het doorslaan kwam zonder zuchten, bijna als een opluchting, het leek onzedelijk deze vriendelijke man langer voor de gek te houden. Geen angst, geen zweetdruppels. Een doffe berusting, een bijna aangename loomheid. Er was een eind gekomen aan het onderduiken, je zou bevrijd worden van de nimmer aflatende angst.'

Hij wist later toch te ontsnappen, via een raam, een balkon en een plat dak kwam hij in de tuin terecht. Zo hoog, dat het onbegrijpelijk is dat hij die sprong heeft overleefd. Er werd vanuit het huis op hem geschoten.

Andere adressen volgden, weer een vlucht, hij bracht nog een nacht in een bos door, en zat - minstens zo erg - drie lange maanden opgesloten in een klein kamertje, samen met zijn vader. Hij kreeg open tbc, de hongerwinter kwam. Met een enorme overlevingsdrang, en een zak aardappelen verborgen onder zijn bed, wist hij het einde van de oorlog te halen.

IN HET gezin Velleman was er nog een kind, een zeven jaar jonger broertje, Jonas. 'Ik had nauwelijks contact met hem. We leefden beiden in onze eigen wereld. Toen we werden opgeroepen, zei hij dat hij een onderduikadres had. Ik heb hem geloofd, wilde hem geloven, want ik kon hem niet op het adres van mijn ouders onderbrengen. Ik was ook bang dat hij zijn mond voorbij zou praten. Later bleek dat hij geen adres had. Hij is opgepakt en vermoord in concentratiekamp Vught, zeventien jaar was hij.'

Over het broertje is na de oorlog nooit meer gesproken. 'Was het doodzwijgen? We spraken er gewoon niet meer over, wat voorbij was, was voorbij.'

Je komt vervormd zo'n oorlog uit, zegt Velleman. 'En dat gaat nooit meer weg. Je was de verschoppeling, de ondergedoken jood, die bij de gratie van vele anderen had kunnen overleven. Dat maakt je kwetsbaar.' Dus verstijfde hij toen pal na de bevrijding een lid van de Binnenlandse Strijdkrachten tevreden meldde dat de macht van de joden gebroken was. En had hij het gevoel in het gezicht geslagen te worden toen hij zich bij het Hilversumse filiaal van De Arbeiderspers meldde met de vraag of hij als oud-redacteur iets kon doen. 'Nee', zei de man, 'we hebben het zo lang zonder u gedaan, we kunnen het nog wel even zonder u.'

'Het besef van kwetsbaarheid blijft altijd bij je, ondanks alle succes en vriendschap. Je wilt niet opvallen, en dan gebeurt vaak het tegenovergestelde, je valt voortdurend op. Het jood zijn moffelde je weg. Je zwijgt op momenten dat je manhaftig had moeten reageren. Je wilt geen gedoe, je wilt een relatie niet kwijt raken. Flauwe dingen. Soms reageerde je wel. Een collega in Brussel klaagde over het feit dat zijn dochter thuis was gekomen met 'een joodje'. Ik ben een jood, zei ik. Hij wrong zich in duizend bochten.'

Na zijn pensionering is hij nog filosofie gaan studeren. Het zou de ultieme wraak op de maatschappij worden. 'Ik zag de drs-titel glinsteren.' Onmogelijk met een mulo-diploma, werd hem te kennen gegeven, hij kon alleen als toehoorder meedoen. 'Na alles wat ik heb geschreven en gemaakt', zegt hij bitter. Toch reisde hij jarenlang trouw naar Amsterdam om plaats te nemen in de collegebanken, en de jongelui in discussies te confronteren met het verschil tussen studiewijsheid en levenservaring.

'Mijn hele journalistieke bestaan heb ik geworsteld met het gevoel dat het mij fundamenteel aan kennis ontbrak. Ik heb nooit kunnen toegeven dat ik iets niet wist. Ik leerde erom heen te praten en ik heb een aangeleerd vermogen het gevaar te zien. Pas later ontdekte ik dat er met mijn IQ niks mis was, en durfde ik te zeggen: ik weet dat niet.'

Een journalist met een 'uitzonderlijk gevoel voor nieuws' noemt hij zich. Altijd bereid op elk moment van de dag in een taxi te stappen, een vliegtuig te nemen. 'Dan leefde ik.' En hij vond het mooi bekend te zijn. 'Ik wilde graag beroemd worden. Je naam stond bij een stuk, je werd genoemd op de radio en televisie. Dat vond ik belangrijk, dat was zeker een drijfveer.'

En hij verbleef, zegt hij grijnzend, graag in dure hotels. 'Ik kan het nu wel toegeven: Velleman hield van comfort.'

En nu is het afgelopen. 'Het spel is uit. Ja, natuurlijk aanvaard ik de dood, ik zou gek zijn als ik dat niet deed, ik ben 81! Ik heb bereikt wat ik wilde bereiken. En het leven na de oorlog heb ik vooral en bovenal een groot feest gevonden. Ja, toch hè, Mart?'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden