Natuurbeschrijvingen in de literatuur vliegen je om de oren - op zoek naar originele en tegendraadse passages

Je kunt geen boek openslaan of de natuurbeschrijvingen vliegen je tegemoet. Omdat de Boekenweek in het thema van de natuur staat, ging Arjan Peters met een lantaarntje op zoek naar originele of tegendraadse passages. Gelukkig vond hij nog wat.

Beeld Martyn F Overweel

Buiten beginnen; dat lijkt een natuurwet in de literatuur. Of het nu een roman of een gedicht is, we zullen en moeten eerst een paar alinea's over de bloemetjes, bijtjes en bomen doorstaan, alvorens we aan het echte verhaal mogen beginnen. De auteur moet warmdraaien, of denkt een gevoelige of robuuste indruk te maken.

Zelfs bij de beste schrijvers doet zich het onuitroeibare virus voor. Dit is de opening van De heilige Rita (2017) van Tommy Wieringa:

'Paul Krüzen spuwde in zijn handen, greep de steel vast en hief de bijl boven zijn hoofd. De stronk op het hakblok spleet maar barstte niet uit elkaar. Vogels die in de bomen beschutting hadden gezocht voor de nacht, vluchtten in de schemering. Door het onderhout schoten woest kwetterende merels. Paul Krüzen liet de bijl weer neerkomen, telkens opnieuw, tot het stuk eiken in tweeën brak. (...) Een paar bleke sterretjes verschenen aan de hemel. Diep daaronder, op de open plek in het bos, zwaaide de demon met zijn bijl.'

We horen hier een echo van Henry David Thoreau, filosoof, natuuronderzoeker, dichter, de oervader van de - sinds Lars Mytting - weer populaire stoere houthakkersmystiek.

Dit schreef Thoreau in Walden (1854): 'Tegen eind maart 1845 leende ik een bijl en ging ik naar de bossen bij Walden Pond, dicht bij de plek waar ik van plan was mijn huis te bouwen, en begon ik een paar lange, pijlvormige weymouthdennen om te hakken die nog jong waren, om ze te gebruiken als timmerhout. (...) Ik werkte op een aangename helling van een met dennenbossen bedekte heuvel, waardoor ik uitzag op het water en een kleine open plek in de bossen waar dennen en notenbomen opschoten. Het ijs op het meer was nog niet gesmolten, al waren er een paar open stukken, en het was geheel donker van kleur en doordrenkt met water.'

De Nederlandse literatuur is met een natuurregeltje begonnen, wat wil zeggen dat een monnik in de benedictijner abdij van Rochester rond 1100 zijn pennetje probeerde en toen die paar regels noteerde over vogels die hun nesten zijn begonnen, 'behalve jij en ik'. Dat was geen romantische oprisping van de monnik, maar een in de Latijnse liefdespoëzie en in de middeleeuwse orale zangtraditie gangbare vergelijking, zoals Frits van Oostrom heeft laten zien in Stemmen op schrift (2006). Een standaardregeltje uit een songtekst.

Origineel

Lente, bomen en hagen vol groene bladeren: Van den vos Reynaerde, het 13de-eeuwse dierenepos, opent traditioneel. Maar de satirische geest van de dichter ('Willem') blijkt uit het vervolg van de 3.469 versregels, als de lezer wordt geconfronteerd met onrecht, moord en verkrachting. De Natureingang zet de lezer op het verkeerde been. Geestige Willem inspireerde Elsschot (1882-1960), 'dat andere genie van een klein oeuvre over schone schijn' (Frits van Oostrom), tot het kiezen van dezelfde schrijversvoornaam.

Thema

De Stichting CPNB heeft in 2002 al 'Hebban olla vogala' tot motto van de Boekenweek uitgeroepen, en omdat ze ook wel weet dat de literatuur, de Nederlandstalige niet uitgezonderd, nog altijd van natuurbeschrijvingen aan elkaar hangt, wordt het thema zestien jaar later doodleuk 'Natuur'. Daar is dit keer een versregel van dichter-bioloog Leo Vroman bij gevonden: 'En toch is alles wat we doen natuur', afkomstig uit de cyclus 'Wieltjes en wieltjes' uit 1979.

In die regel zit een verontschuldiging vervat: niet te snel roepen dat het een suf thema is, en dat de CPNB nooit eens 'De stinkfabriek' tot thema uitroept, omdat het vooral gezellig, poezelig en voor elk wat wils moet zijn. De stichting beseft zelf hoe weinig oorspronkelijk ze is. U vindt het niks, het thema natuur? Lacht u maar even schamper. Het is inderdaad niet wereldschokkend. 'En toch is alles wat we doen natuur.'

Wat een wijsneuzige rechtvaardiging. Bovendien: waarom een thema maken van alles wat we al doen? We moeten óók allemaal piesen en poepen, en dat is nochtans geen reden om 'Pies ende Poep' tot thema van de Boekenweek uit te roepen. Dan liever de natuur, is kennelijk de gedachte, die alles zogezegd overkoepelt. Maar tegelijk is het thema zo krachteloos en zijesokkerig dat je er de broek van afzakt.

Overkill

Het ís al een overkill, met die natuur. Je kunt geen boek openslaan of de Natureingang vliegt je tegemoet. In de late Middeleeuwen vonden schrijvers zichzelf erg klassiek uit de hoek komen door met een natuurpassage te beginnen. Dat was toen min of meer verplicht. Maar we zijn eeuwen verder, niemand hoeft zich nog te houden aan de retorische voorschriften. Voor schrijvers is de vrijheid nog nooit zo groot geweest. En toch is er geen boek dat zonder die natuurpassages kan die elke lezer prompt wil overslaan omdat ze de boel maar ophouden.

Kijk nou eens hoe Isabel Allende haar nieuwste roman De winter voorbij begint - met de opmerking dat eind december 2015 de winter nog op zich liet wachten:

'Het werd Kerstmis, met dat ergerlijke klokkengebeier, en de mensen liepen nog steeds met korte mouwen en op sandalen, sommige blij met die dwaling van de jaargetijden, andere bezorgd om de opwarming van de aarde, terwijl achter de ramen met zilverkleurige rijp bestrooide kunstbomen verschenen, wat verwarring schiep onder de eekhoorns en de vogels.'

Wat een ramp. En dan zúllen die eekhoorns en vogels een keer in verwarring zijn. Kunnen we misschien ter zake komen, mevrouw Allende?

Niet erg opgeschoten

Het lijkt erop dat we nog niet erg veel zijn opgeschoten sinds de dagen van Goethes Werther uit 1774 ('Iedere boom, iedere heg is een ruiker van bloesem, en men zou meikever willen worden om in die zee van geurigheden te kunnen rondzweven en er zijn voedsel in te vinden'), of de toeristische binnenkomer van Stendhal in Het rood en het zwart, uit 1830: 'Aan de noordzijde wordt Verrières beschut door een hoge berg, een uitloper van de Jura. De brokkelige toppen van de Verra worden al bij de eerste oktoberkou met sneeuw overdekt. Langs de berg stroomt een beek omlaag, doorsnijdt Verrières en brengt, alvorens uit te monden in de Doubs, een groot aantal houtzagen in beweging.' Oppassen mensen, nu kan de bijl niet ver meer zijn.

Uit het beroemde gedicht 'Niet te geloven' van de grote Remco Campert:

Alles zoop en naaide,

heel Europa was één groot matras

en de hemel het plafond

van een derderangshotel.

En ik bedeesde jongeling

moest nodig

de reine berk bezingen

en zijn bescheiden bladerpracht.

De eerste regels hebben een halve eeuw geleden opschudding verwekt, maar het gaat nu even om de laatste. Waarom móést de bedeesde Campert in 1945, terwijl overal de bevrijding werd gevierd, zo nodig een vers schrijven over de zilverwitheid van een berkenstam? Omdat dichters, die de Natureingang erin gehamerd hebben gekregen, er vaak heel lang over doen om de uitgang weer te vinden.

'Natuur is voor tevredenen of legen', dichtte J.C. Bloem, die in 1946 liever verregend door de Dapperstraat kuierde. Hij wel. Maar nu mag ik weleens zitting nemen in de jury van een poëzieprijs, en lees daarvoor alle Nederlandstalige dichtbundels van de afgelopen jaren. Je wordt bijkans bedolven onder de berkenblaadjes, paddestoelen, herfstasters en zilvermeeuwen. Bijna niemand durft iets ongehoords, luidruchtigs of tegennatuurlijks. Alles is maar verstild en teer; wereldvreemd ook nog, want de natuur is zo lief niet.

Reinigende regels

Met een lantaarntje ben ik gaan zoeken. Ten slotte vond ik een paar welkome tegenstemmen. Uit 1978 stamt de gedichtencyclus 'Capriccio' van Gerrit Komrij, die opent met: 'We liepen op de Transformator Weg.' Meteen goed; een stadsnatuurbeeld dat vrij is van gemakzuchtige allure, zoals iedereen weet die de ondichterlijke Transformatorweg nabij Sloterdijk kent.

Bovendien kondigt die naam spanning aan, een radicale omkering van de verwachting. Je bent, na deze opening, op je hoede. Zó kun je met de natuur voor de dag komen.

In 'Tegen de natuur', opgenomen in Slordig met geluk (2016), zet Menno Wigman ook weldadig fors in: 'Voor mij is de natuur een kapotte tv./ Die vogels daar; ze lullen langs me heen/ en ook dat vergezicht geeft mij niets mee.'

Dat lucht op, net als het 'Gedicht zonder weerbeschrijving' dat eraan voorafgaat: '(...) Geen kievit die de lucht in wiekt,/ geen blauwe lentebries,// novemberbui of winterstorm maakt het/ er beter op. Vergeet/ de onzin van natuurlyriek en schop/ de weerberichten uit de poëzie.'

Dat zijn reinigende regels.

Non-fictie

Voor een draaglijk natuurboek, is mijn ondervinding, moet je bij de non-fictie zijn. Daar krijg je feiten aangereikt. Ik ben altijd een liefhebber geweest van G. Brands (1934-2012), die in Kraaien tellen tot vier (1970) schreef dat het lied van de geelgors zeslettergrepig is, en klinkt als 'tsie-tsie-tsie-tsie-tsie-èèèh'. De afwijkende laatste lettergreep wordt een toon hoger of lager gezongen, ongeveer zoals Beethoven zijn Vijfde symfonie begint (misschien zat de componist wel aan een geelgors te denken). Zulke informatie is leerzaam.

En wist u dat Einstein een Japanse specht met zuignapjes onder zijn poten had? Die specht trippelde, als hij opgewonden was, 'onversaagd een hoge spiegel op de gang omhoog', zo heeft G. Brands me geleerd. Ik had het niet erg gevonden als ik dit nooit had geweten, maar sinds ik het wel weet, ben ik er blij mee. Hier is de natuur geen pauzenummer, maar laat ze je iets zien.

Voorts sluit ik me geheel aan de bij de opening van Het jaar van de tuinier van Karel Capek uit 1929, dat zojuist na dertig jaar fraai is herdrukt, in de vertaling van Annemarie Vervoordeldonk: 'Er zijn wel honderd manieren om een tuin aan te leggen; de beste is om een tuinier in de arm te nemen.'

Dat noem ik een advies. En vervolgens zelf lekker naar binnen gaan, om een goed boek te lezen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden