Recensie Concert

Naomi Velissariou brengt het inktzwarte werk van Sarah Kane in een knappe balans van humor en ultieme tragiek (****)

Concert - Permanent Destruction

Naomi Velissariou in Permanent Destruction in The SK Concert. Foto Sanne Peper

Permanent Destruction – The SK Concert

Door: Naomi Velissariou

20/5 Paardenkathedraal, Utrecht. T/m 4/8.

Een melodramatisch festivalconcert, zo noemt theatermaker Naomi Velissariou (1984) haar performance Permanent Destruction – The SK Concert. Het publiek staat voor het podium, de bar blijft open; de sfeer is die van een popconcert, met  de bijbehorende opwinding. Velissariou liet zich voor de performance inspireren door de Britse toneelschrijver Sarah Kane (1971-1999). Kane leed aan depressies en liet een klein, inktzwart oeuvre na toen ze op haar 28ste een einde aan haar leven maakte. In de mildere stukken overheersen eenzaamheid, woede, zelfhaat, zelfmoord. In de hardere, zoals Blasted: sadisme, verkrachting en allerhande gruwelijkheden (denk: het eten van een dode baby). De ‘pop-up band’ Permanent Destruction, die Velissariou voor de gelegenheid vormt met muzikant Joost Maaskant wentelt zich gretig in dit sinistere universum, al zijn de allerergste wreedheden weggelaten.

Het werk van Kane is zo zwartgallig dat het vaak ronduit afstotend is en dit festivalconcert is een slimme vorm om het verteerbaar op te dienen. Velissariou speelt een performer die – in het Engels – Kanes sombere zinnen de zaal in slingert, soms kwetsbaar, soms furieus, vaak met de nodige humor. Als de expressieve actrice met één wenkbrauw ironisch opgetrokken ‘I dislike my genitals’ zegt, is dat in deze context opeens ook grappig – naast ultiem tragisch, uiteraard. Die knappe balans weet Velissariou gedurende het hele concert te behouden.

Het contrast tussen de energieke, esthetische vorm en de grimmige inhoud werkt wonderwel. Maaskant creëerde kale, stuwende elektrobeats waarop Velissariou, haar stem vervormd door de autotune, Kanes zinnen zingt. Ook het commentaar tussendoor is geestig in stijl. ‘Here’s one from our new album’, roept ze opgewekt: ‘Rape me ’till I come.’ Velissariou imiteert perfect de ongenaakbare popdiva – in nauwsluitende catsuit, inclusief broeierige blikken, gestileerde poses en gymnastische pasjes. Maar haar imitatie is tegelijk óók ironisch commentaar, een effect dat wordt versterkt als Maaskant zich als rapper op toneel vervoegt – korte broek, shirt uit, stevige buik bloot. Samen vormen ze een hilarische act. Maar de lach sterft in je keel zodra de inhoud van de teksten opnieuw doordringt.

Gaandeweg schieten er barstjes in het gladde pantser van de popster. Dan volgt een moment van verstilling: een hartroerende monoloog over de hunkering naar onbaatzuchtige, zuivere liefde – belangrijk thema in het werk van Kane. Haar depressie was geen ziekte, beklemtoonde zij, maar de onwil om te leven in een onvolmaakte wereld. Als compromisloos leven en liefhebben onmogelijk is, dan is de dood misschien beter. Doodsdrift als uiting van ultieme levenslust.

Dit fantaseren over de dood wordt indringend verbeeld in monumentale visuals van Frederik Heyman, even esthetisch als omineus, met Velissariou liggend, naakt, als flakkerende kaars, terwijl haar lichaam steeds verder wegsmelt en later beeldschoon, maar gruwelijk (want staand) opgebaard. Uiteindelijk is er dan de dood als verlossing: een vederlicht verdwijnen, oplossen in de leegte, in een kalm wit licht. Een verrassend troostrijk slot.