Nacht gesmoord in natte kussens

De ene tekstdichter is het spleen van Nijmegen, de ander dwaalt met een bloedend hart door de grote stad. De teksten van Frank Boeijen tegenover die van Huub van der Lubbe in deel 16 van een serie over Nederlandstalige muziek....

HUUB VAN DER LUBBE was de eerste die de sprong waagde. Toen zijn verzamelde teksten onder de titel Melkboer met de blues (Nijgh & Van Ditmar) in 1995 verschenen, was hij opeens niet alleen liedjesschrijver meer, maar ook, voorzichtig geformuleerd, tekstdichter. Met succes: de zanger van De Dijk trad zelfs op in De Nacht van de Poëzie.

Nu ligt Frank Boeijen eveneens in de schappen van de boekwinkel, met de stemmig vormgegeven bundel Lied van oorsprong (de Prom). Ze staan er allemaal in, van Kronenburg Park tot Zeg me dat het niet zo is, voor wie de Nijmeegse troubadour toen niet heeft kunnen verstaan. Tiener van 1984, lees mee met Frank Boeijen: 'Denk niet wit denk niet zwart/ Denk niet zwart wit/ Denk niet wit denk niet zwart/ Denk niet zwart wit/ Maar in de kleur van je hart.' Je hoort de muziek, maar je zou willen dat je de muziek hoorde.

Frank Boeijen is altijd zwaar op de hand geweest. Hij is een dromer, een in zichzelf gekeerde romanticus. Vooral het verstrijken van de tijd speelt hem, gezien de teksten, al jaren parten. De herinnering aan vroeger, toen hij nog momenten van geluk beleefden laat hem niet los. Geregeld keert jeugdliefde Silvia terug: 'Ik zag haar weer in de stad/ Aan de overkant van de straat/ Met een kinderwagen en een stugge man/ We hebben wat gepraat/ Ze had nog steeds/ Van die grote ogen/ Maar het licht werd uitgedraaid/ Misschien door haar man/ Misschien door de vraag/ Schaats je nog wel eens Silvia.'

Boeijen is een melancholicus. Van der Lubbe is meer een macho, type groot kind. Hij kan er ook niks aan doen dat hij is wie hij is, want hij is nu eenmaal een man. 'En denk niet dat ik ooit verander/ Dus daar begin ik niet aan/ Ik heb er ook geen zin in/ En ik was het niet van plan/ Ik ben nergens goed voor/ Daar weet jij alles van/ Maar ik kan van je houden/ zoals niemand anders kan.'

In zijn barokke taalgebruik is Van der Lubbe de jongen van de straat. Hij schrijft: 'Ik doe niks en ik doe niks/ Ik hang alleen maar rond/ Ik kijk eens door de ramen/ Ik krab wat aan mijn kont.'

Het woord 'kont' komt in de bundel van Boeijen niet voor. Boeijen is meer een gevoelige filosoof die in symbolische bewoordingen het leed van de wereld op zijn schouders neemt. Hij wijdt bespiegelingen aan de eenzaamheid en het geweld in de stad, het einde van de Koude Oorlog, het verlies van de idealen, het vallen van de Muur, een hoertje in Vietnam. En hij denkt na over Nederland. Vrij naar Hendrik Marsman:

'Vaderland moederland/ Thuisland geboorteland/ Regenland plat land/ Rijk land klein land// Polderland nieuw land/ Beloofde land niemandsland/ Vrijland ijsland/ Zandland rivierenland// Zeeland zandland/ Bekrompen land klompenland/ Molenland boerenland/ Stedenland wegenland'.

Van der Lubbe is niet zo geïnteresseerd in Nederland, het buitenland of de wereldproblematiek. Maar met Boeijen deelt hij een fascinatie voor de grote stad. Daar gebeurt het ergste en het beste, daar vind je om de ene hoek de liefde en om de andere de dood. Van der Lubbe: 'Stad bij nacht/ Stil en donker/ Wat je hoort/ Is als een harde klacht/ gesmoord in natte kussens/ Van de stad bij nacht.'

En in de stad vind je het grote vergeten. In de stad kun je opgaan in muziek, drank, dans, seks en de nacht. Dat is wat ze willen, de bohémiens van de Nederlandstalige pop. Maar het lukt niet. Altijd is er weer die volgende ochtend. Boeijen: 'Want de dag erna zal koud en kil zijn/ De dag erna met mij/ De dag erna zal grauw en stil zijn/ De dag waarop ze wacht op mij.'

Boeijen is Nijmegen. Van der Lubbe is Amsterdam. Boeijen is melancholie. Van der Lubbe is de blues. Daar zit een verschil.

Melancholie is zielepijn. Boeijen lijdt aan het spleen van Nijmegen. Het gaat nooit meer weg. De tijd verstrijkt voortdurend, afstanden worden groter, de wereld vergaat, de zanger moet elke keer weer afscheid nemen. Hij kijkt terug, hij verlangt naar toen, maar hij moet altijd verder.

De blues, daar zit ook iets van zelfrelativering in. Het is misgegaan, het gaat altijd mis, maar morgen probeert hij het weer. Melkboer Van der Lubbe zingt de Amsterdam-blues, bedrukt maar niet depressief.

Melancholie is protestants, want gaat net als de erfzonde nooit meer weg. De blues is katholiek, want wordt net als een slippertje snel vergeten. Daar zou onderzoek naar gedaan moeten worden, naar de religieuze achtergrond van al die tienermeisjes uit 1984.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden