REPORTAGEbalkonbiotoop

Na twee jaar heb ik eindelijk een volwassen insectenbalkon

Caspar Janssens balkon op een zonnige dag in juni.Beeld Simon Lenskens

Caspar Janssen begon in het voorjaar van 2019 met het creëren van een vlinder- en bijenvriendelijk balkon en doet daar met enige regelmaat verslag van. Vandaag aflevering 18.

Memorabel moment: een mij onbekende wespensoort meldt zich, in april, op en rond de stekelige bladeren van het slangenkruid. Een opvallende wesp, vanwege het wat slungelige voorkomen, met lange poten die er beetje bij lijken te hangen, oranje voelsprieten en een deuk in de buik. ‘Een Franse veldwesp, wat leuk!’, zegt Aglaia Bouma, entomoloog en schrijver van het boek Insectenrijk, wanneer ik haar een foto heb gestuurd. ‘Ontzettend elegante dieren.’

Slungelig, elegant, het kan blijkbaar prima samengaan. In elk geval een aangename verschijning, de Franse veldwesp. Ze eten andere insecten, houden niet van zoet, vallen geen mensen lastig, maken mooie, open nesten. De Franse veldwesp is – de naam zegt het al – een zuidelijke soort. Hij rukt op naar het noorden, maar komt in Nederland vooralsnog in Limburg en Zeeuws Vlaanderen algemeen voor. Ik kijk op het verspreidingskaartje op waarneming.nl en zie dat de wespensoort in Amsterdam nog nooit is gemeld. Ik voer de voor mij nieuwe soort in, via de app Obsidentify. Als ik even later opnieuw op het verspreidingskaartje kijk zie ik dat mijn ene wesp een heel nieuw tienkilometerblokje heeft gecreëerd. Een mijlpaal in het leven van een insectenlokker. Overigens zie ik de veldwesp daarna niet meer terug.

Er gebeurt nog veel meer. Het lijkt wel alsof mijn balkonbiotoop nu, in het tweede jaar van dit project, de staat van volwassenheid bereikt. Zo wordt mijn kleine insectenhotel nu volop bezocht. Grote bedrijvigheid van metselbijen. Eerder al de gehoornde metselbijen, nu ook de rosse metselbijen. Kamer na kamer raakt bezet en dichtgemetseld, de solitaire bijen vliegen af en aan, als ik in de weg sta vliegen ze gewoon om me heen, ze laten zich door mij niet afleiden. Stand van zaken, eind mei: 52 gangetjes bezet, dichtgemetseld. Dat betekent: 52 keer minimaal tien eitjes, in het geval van de rosse metselbij, met een voedselvoorraadje per larve, in compartimentjes in gangetjes. De moeders maken de tussenwandjes, de aparte nestjes, om te voorkomen dat larven van elkaars voedsel eten en uitwerpselen van het ene nest in het andere nest terechtkomen. Ik denk dat er nu al wel larven zijn in het hotelletje, ze spinnen zich in een cocon en ontwikkelen zich in die cocon tot een pop. In september zijn het volwassen beesten. Pas na de winter komen ze naar buiten. Het speelt zich dus allemaal af in die kleine constructie tegen de muur van mijn huis.

Caspar Janssens balkon op een zonnige dag in juni.Beeld Simon Lenskens

Die volwassenheid, waar zit hem dat nog meer in? Vooral in het feit dat alles min of meer vanzelf gaat. Dat komt goed uit, want weer een halfjaar in de weer zijn met planten, potten en potgrond, zoals vorig jaar, daar zag ik wel tegenop. Ik had overdreven, en moest veel planten elders onderbrengen om ruimte te bieden aan de bloeiers van dat moment. Een aantal planten heb ik nu weer teruggehaald, maar er komt niets nieuws meer bij, en ik ging ervan uit dat al die eenjarige planten van vorig jaar dit jaar niet zouden terugkeren. Achterover leunen, een beetje uitbuiken zou ik, zien wat er spontaan zou opkomen in een paar van die rommelige plantenbakken met uitgebloeide eenjarige planten. Wel heb ik een paar uitdijende planten in grotere potten gezet. Tussendoor bezocht ik nog biologische kwekerij De Hessenhof in Ede, waar ik nog een grote zak potgrond op basis van bladresten volschepte. Fameuze potgrond, die aantoont: het kan heel goed, potgrond zonder turf, potgrond waarvoor geen veengebieden worden afgegraven.

En zie: meevaller na meevaller. Terwijl Nederland gebukt gaat onder het thuiswerkregime, schuifel ik tussen de planten door. Het kan hier stil zijn als er geen vliegtuigen over komen en als het achtergrondgeruis van verkeer wegvalt. De merels en de zanglijsters voeren nu de boventoon, en de onvermoeibare fitis houdt niet op met zingen. Tot half mei wordt mijn voedertafel nog druk bevlogen, dan haal ik die weg, om ruimte te maken voor de planten. Nog een paar dagen schuifelen de merels en de meesjes tussen de planten door, maar dan – als het warm, zonnig en droog wordt, verplaatst hun aandacht zich naar mijn drink- en badderplek op het balkon. Ze gedogen me als ik meer dan twee meter afstand houd, en spetteren lustig voort.

De dagkoekoeksbloem.Beeld Simon Lenskens

Er gebeuren dingen die ik niet had vermoed. Planten die ik vergeten was, tweejarige en meerjarige planten groeien en bloeien nu. De dagkoekoeksbloem, vorig jaar nog een bescheiden plantje, moet tot twee keer toe een nieuwe, grotere pot, en is vooral in april en mei de grootste trekpleister. En terwijl ik er niet meer zo intensief naar speur, ontdek ik toch weer een nieuwe soort. De hele dag door foerageren hommels op mijn balkon, en ze verzamelen en verspreiden stuifmeel, meer dan vorig jaar nog. Ik heb inmiddels meer geleerd, dus ik noteer ze bijna routinematig: aardhommel, akkerhommel, steenhommel, weidehommel, boomhommel. Ook de grote koekoekhommel is er weer. Dat zijn wel zo ongeveer alle soorten die ik hier op zijn best mag verwachten. Op één soort hoop ik nog: de tuinhommel. En ja hoor. Op de dagkoekoeksbloem zie ik begin mei een soort die toch weer wat lijkt af te wijken. Is dat nu een extra randje geel op het borststuk? Jawel. Ik pak de basisgids hommels erbij, van het EIS, Kenniscentrum Insecten. Tuinhommel, dat moet haast wel. Ik stuur een paar foto’s naar Linde Slikboer, bijenkenner en ook werkzaam bij het EIS. ‘Zeker: tuinhommel. Vanwege die dubbele gele band.’ Weer een mijlpaaltje. De tuinhommels zie ik nu iedere dag, vaste klanten van de dagkoekoeksbloem.

Tuinhommel op dagkoekoeksbloem.Beeld Caspar Janssen

Er zijn nu andere hoofdrolspelers dan vorig jaar: de tweejarige en meerjarige planten. Het maakt de aanblik van het balkon anders, robuuster. Volwassener dus. Iets minder soorten, wel meer volume. Ik heb mijn verschillende planten weleens vergeleken met een leger, en ook met toneelspelers, ieder met een eigen rol. Nu moet ik vooral denken aan een orkest, met muzikanten die allemaal op verschillende momenten de boventoon voeren, of soms zelfs even solist zijn, alle aandacht trekken van hun bestuivers. De echte koekoeksbloem is op zijn hoogtepunt in april, de dagkoekoeksbloem doet zich gelden in april en mei, eind mei schalt het vingerhoedskruid, en daarna gebeurt wat ik helemaal niet meer had verwacht. In een van de plantenbakken aan de reling van het balkon – vorig jaar het laatst overgebleven plekje – had ik slangenkruid geplant. Een jaar lang ergerde ik me vervolgens aan die plant. Zag er vies uit, voortdurend dode bladeren, die bovendien prikten. Tot voor een maand terug. Toen schoten opeens stengels met knoppen tussen de bladeren door omhoog. Eerst een, toen twee, toen tien. En nu staan die stengels in bloei, eerst roze en paars, maar nu neigen ze naar blauw, bijna een meter hoog, helemaal vooraan op het podium. Direct ontdekt door hommels. Slangenkruid in een balkonbakje aan een reling, het klopt eigenlijk niet - in het wild kun je slangenkruid in de duinen zien of op andere zandgronden - maar het kan dus.

Akkerhommel bij het slangenkruid.Beeld Simon Lenskens

Even bijzonder: vorig jaar had ik, ook vanwege ruimtegebrek, zaadjes van de grote centaurie en de middelste teunisbloem bij elkaar in de laatst overgebleven grote pot gezet, verdeeld over twee helften. Veel te veel, voortdurend haalde ik er weer exemplaren uit om de rest niet te verstikken. Dat wordt niets, dacht ik steeds. Maar begin mei kwamen er kopjes op de stengels van grote centaurie, en daarna paarse bloemen. En toen kwamen direct de hommels, al pollen verzamelend en nectar slurpend. Intussen bloeit her en der, spontaan, de grote leeuwenbek. Een gele variant en dat is aardig voor de kleurstelling, en voor de nachtvlinders, die van gele planten houden. De basiskleuren van een insectenbalkon: paars en geel.

De grote koekoekshommel bij de grote centaurie.Beeld Simon Lenskens

Eigenlijk betalen de investeringen van vorig jaar zich nu uit. Het lukt me nu ook om in zekere zin onbekommerd over mijn balkon te lopen. Ik ben minder fanatiek op zoek naar nieuwe soorten. Wel zie ik dat de lieveheersbeestjes terug zijn, en de bladluizen, en de zweefvliegen, heel veel zweefvliegen. Met een beetje oefenen weet ik nu al snel weer welke: verschillende soorten kommazweefvliegen, halvemaanzweefvliegen, Enkelebandzweefvliegen, snorzweefvliegen. En een soort die ik, meen ik, niet eerder zag: het variabel elfje. Ook veel muntvlindertjes, een klein nachtvlindertje dat ook overdag vliegt. Bij het weghalen van wat dode stengels verstoor ik een agaatvlinder, ook een nachtvlinder, die zag ik ook niet eerder. De belofte van wat nog komen gaat. Er zijn nog spelers op het balkon – planten - die straks pas in actie komen.

Variabel elfje op grote leeuwenbek.Beeld Caspar Janssen

Intussen verschijnen veel boeken over de zegeningen van het tuinieren voor het menselijk welbevinden. Zoals Tuinieren voor de geest, van Sue Stuart-Smith. Ondertitel: hoe we gelukkiger worden van zaaien, wieden en snoeien. Ik geloof daar best in, maar ik vind het ook veelzeggend: zelfs het goed zorgen van plantjes en bestuivers doen mensen blijkbaar voor zichzelf. Ik probeer terug te halen waarom ik ook alweer aan dit project begon. Dat had te maken met het feit dat het slecht gaat met insecten, met bestuivers, en omdat ik zelf op kleine schaal iets wilde doen om die toestand te verbeteren. Kijken of dat kan. Geïnspireerd door mensen die op hun eigen stukjes grond hetzelfde deden en doen: zorgen voor meer biodiversiteit. Nou ja: het zelf ontdekken speelde ook een rol. Dat het uiteindelijk lukt geeft dan wel weer voldoening. That makes me feel good, about me, zou ik kunnen zeggen.

Mijn reserves hebben, denk ik, te maken met de gangbare praktijk bij het tuinieren. Dezer dagen verschijnen ook weer overal allerlei ‘tips’ om luizen te bestrijden, omdat mensen blijkbaar graag een ideaal plaatje willen in de tuin, een ideaal plaatje voor zichzelf dan. Want luizen zijn juist enorm belangrijk voor insecten, bestuivers, voor alle beestjes eigenlijk. Juist niet bestrijden is het devies, als de beestjes je lief zijn. Hoogstens af en toe een erg drukbeluisd stengeltje weghalen of flink met gewoon water besproeien.

Caspar Janssen en zijn balkon.Beeld Simon Lenskens

Meer ontwikkelingen, meevallers. Vorig jaar had ik vlinderbloemenmengels ingezaaid, allemaal eenjarige planten. Ik dacht dus dat ik daar dit jaar niets meer van terug zou zien. Maar dat blijkt een vergissing. In een grote pot die ik leeg had gelaten, tiert de bolderik welig. En her en der zijn weer korenbloemen en klaprozen opgekomen. Nu pas ontkiemd, of zelf uitgezaaid. Die korenbloemen zijn magneten, voor klokjesbijen, bladsnijders, zweefvliegen, hommels. Tegenvallers zijn er ook. De oude lavendelplant is definitief dood, muskuskaasjeskruid is verzopen op het logeeradres, sommige plantjes doen het slechter dan verwacht, de judaspenning bijvoorbeeld. Maar over die tegenvallers houd ik het liever kort.

Het was warm, en droog, maar dan wordt het even kouder, en nat. Dan blijkt dat mijn balkon ook een schuilplaats is. Met name de paar bebloemde koppen van de grote centaurie zijn nu permanent bezet door hommels. Op één kop leven nu twee grote koekoekshommels, op een andere kop zitten een boomhommel en een steenhommel urenlang naast elkaar. Ook de weidehommels melden zich voortdurend, al zijn die iets beweeglijker, net als de akkerhommels. De nectarrijke bloemen zijn schuilplaats en voedselbron in één. Onder mijn ogen ook de gevolgen van een koninginnendrama dat zich in de buurt afspeelt. Ik zie opvallend weinig aardhommels en opvallend veel grote koekoekshommels. Daar zit een verband tussen. Grote koekoekshommels kapen nesten van aardhommels om hun jongen groot te brengen. De koningin doodt of verjaagt de ‘gastkoningin’, de aardhommel dus, legt eitjes, en de koekoeksjongen worden nietsvermoedend grootgebracht door de gastwerksters. Het menselijke brein: ik bekijk die grote koekoekshommels met een stuk minder sympathie dan de bijna identieke aardhommels.

Een muntvlindertje.Beeld Simon Lenskens

Inspectie van het balkon, afgelopen zondag. Laatste ontwikkeling: het ruig klokje, in een plantenbak aan de reling, staat in bloei. Ik was vergeten dat ik die had ingezaaid. Een tijdje vroeg ik me af wat het ook alweer was, maar nu weet ik het weer. Zweefvliegen en klokjesbijen voeren verkenningsvluchten uit op de nieuwe attractie.

Nu nog hopen op meer vlinders in de zomer.

De laatste aflevering in deze reeks verschijnt in augustus.

Nu in bloei op het balkon: slangenkruid, grote leeuwenbek, ruig klokje, grote centaurie, dagkoekoeksbloem, echte koekoeksbloem (nog net), vingerhoedskruid, korenbloem, bolderik, vuilboom (sporkehout). De aalbes heeft besjes. Bijna in bloei: ijzerhard, middelste teunisbloem. Hoge verwachtingen zijn er nog van, onder meer: wilde marjolein, grote tijm, duifkruid, dropplant, boerenwormkruid, kaasjeskruid. En na de zomer van onder meer: herfstaster en hemelsleutel. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden