Na een hartaanval wilde ondernemer Geert Steinmeijer 'positieve dingen' maken, dus opende hij een museum

De steenrijke Steinmeijer is een eclectische emotiekoper

Als doorverkoper van ­bedrijven maakte Geert Steinmeijer een fortuin. Na een hartaanval veranderde alles. Nu opent de kunstverzamelaar zijn eigen museum.

Geert Steinmeijer en Gemma Boon van het museum No Hero in Delden. Beeld Erik Smits

Het is een eerste wens die zich niet ­makkelijk laat onderdrukken: dat je graag eens onder dat schedeldak van Geert Steinmeijer zou willen kijken. Wat zich daar allemaal afspeelt. Of het een chaos is van invallende gedachten en ongelijksoortige esthetische op­rispingen of juist van gestructureerde overpeinzingen en weloverwogen beslissingen.

Deze week opent in het Twentse Delden een nieuw ­museum: No Hero. Een initiatief van Geert Steinmeijer (63), ­ondernemer, privéverzamelaar. Zelden zal een bezoeker zo worden overvallen door de smaak­wisselingen van iemand die al meer dan dertig jaar kunst koopt. Houd u vast: Italiaanse renaissancekunst wisselt af met Duits neo-expressionisme, kleurexplosies van Karel Appel met het strakke minimalisme van Günther Förg, 19de-eeuwse landschapschilderkunst uit Nederland met Franse classicistische meubels en barokke tafelattributen, een tweeluik van Amerikaanse abstracte schilder Frank Stella met eigentijdse Chinese kunst.

Geert Steinmeijer en Gemma Boon van museum No Hero in Delden. Beeld Erik Smits

Hebt u een indruk?

Wie het niet gezien heeft, zal het nauwelijks geloven. ­Zeker niet in de wetenschap dat al dit werk is ondergebracht in een middelgroot oud-rentmeestergebouw uit 1726, met een zalencircuit van nog geen 750 vierkante ­meter grootte.

Wie deze meneer Steinmeijer is, is relatief snel verteld. Ondernemer en opkoper van slecht lopende bedrijven die hij weer rendabel probeert te maken en daarna verkoopt. En soms weer terugkoopt, zoals de tuinmeubel­fabriek van Hartman. Hij heeft er een aardig vermogen mee verdiend, dat door Quote op een miljoentje of 35 wordt geschat.

Genoeg in elk geval om er een behoorlijke kunstverzameling mee aan te leggen. Inmiddels zo’n zeshonderd werken die, zo lijkt het als je van zaal naar zaal en van de ene stroming naar de andere dwaalt, impulsief zijn aangeschaft.

Niet dus, zegt de verzamelaar desgevraagd. Oké: ‘Toen ik begon, kocht ik kunst met een glas wijn in de hand. Ik was bevriend met Frans Molenaar en Jan des Bouvrie. Ze introduceerden me in de Amsterdamse kunstwereld. Later ging ik in Duitsland rondkijken. En in Engeland, daar had je toen ­Damien Hirst. Heb ik gelijk een serie van gekocht. Daarna ben ik echt gaan verzamelen.’

Wat dat inhoudt? Steinmeijer: ‘Eerst nadenken, dan kopen.’ Hij maakt eerst een ‘wensenlijstje’ van namen en kunstwerken, op grond van wat hij in de musea tegenkomt. ‘Dan ga ik op internet kijken wat een kunstenaar nog meer heeft gemaakt. Het gaat me niet een om een specifieke kunstenaar, maar meer om een kunstrichting – waar ik me dan graag een paar jaar mee bezig ga houden.’

Zo kocht hij een indrukwekkende groep landschapschilderijen uit de Haagse School bij elkaar. En zo ontdekte Steinmeijer de heftig beschilderde doeken van de Duitse Neue ­Wilden, waarvan hij er nu een stuk of twintig in bezit heeft: Salomé, Penck, Bach, Dokoupil, Fetting. Steinmeijer: ‘Toen ik die expressie van Fetting zag, was ik gelijk verkocht. Bam! Toch ­zelden dat je zo veel energie ziet.’

‘Typisch Geert’, zegt Gemma Boon. ‘Geert is een emotiekoper.’

Peter Herrmann, Twee kunstenaars en een hond, 2012 Beeld RV - Museum No Hero, Delden

Gemma Boon is degene met wie Steinmeijer zijn museum heeft opgezet en ingericht. Ze komt van het Rijksmuseum Twenthe, waar ze acht jaar werkte, op verschillende afdelingen. Voor Steinmeijer is ze de ideale museumpartner. Hij heeft de verzameldrift, het geld en de inmiddels opgebouwde kennis; zij is kunsthistorica, ingevoerd in het museumwerk, snapt het belang van educatie. Beiden hebben een breed publiek in gedachten.

Want dat publiek is beslist even ­belangrijk als het verzamelen en tentoonstellingen maken. Misschien wel belangrijker voor het tweetal. Of in het jargon van Steinmeijer: ‘Art is a connecting factor for people. Kunst verrijkt je veel meer dan geld of iets materieels.’ Het is voor Steinmeijer en Boon de reden om de activiteiten van No Hero uit te breiden tot heel Oost-Nederland.

Federico Barocci, studie van een dame 'en profil', ca. 1575 Beeld RV - Museum No Hero, Delden
Zhang Xiaogang, The Sisters 1996 Beeld RV - Museum No Hero, Delden

Boon: ‘We willen grotere projecten opzetten, voor de langere termijn. Voor kinderen, mensen uit de streek. Om een community te vormen, niet alleen kunst aan de muur te hangen.’

Ze willen de grenzen van het bestaande oprekken. Ook wat collectievorming betreft. In eerdere interviews liet Steinmeijer weten dat hij de Nederlandse musea te Nederlands vond, suggererend dat hij zich daar graag tegen af wil zetten. Het klonk wat pedant. Er waren toch al het ­Stedelijk en het Van Abbemuseum, om maar wat te noemen.

Mag zijn. En hij wil wel gezegd hebben dat hij een Nederlandse ondernemer is en een ‘trotse Twentenaar’. Maar ja, het klopt: ‘Het Rijksmuseum en het Mauritshuis en het Van Gogh zijn me te Nederlands. Ik vind het veel mooier om de hele wereld te laten zien. We hebben in Nederland vijfhonderd Schoonhovens, tweehonderd Rembrandts, maar geen schilderij van Barocci. Als je hier een museum kunt aanwijzen dat Italiaanse kunst heeft van 1450 tot 1600, mag jij het doen. Dat kun je niet. Een mooie Frank Stella? Alleen in het Stedelijk. Dan heb je het wel gehad.’

Volgens Steinmeijer komt het door de doe-maar-normaal-dan-doe-je-al-gek-genoegmentaliteit. ‘Ik werd al in 2005 aangesproken op dat idiote gedrag van me, om zo veel verschillende kunststijlen aan te kopen. Maar ik heb me internationaal georiënteerd, mijn kunstblik verbreed. Nu heet het dat ik eclectisch verzamel.’

Toch even een nieuwsgierige vraag: waarom Stein­meijer, net als zoveel andere privéverzamelaars, zo nodig zijn eigen museum moest oprichten? Zoals Scheringa destijds met zijn (later mislukte) Scheringa Museum. Of Joop van Caldenborgh met Museum Voorlinden in Wassenaar. Hans Melchers met zijn Museum MORE in Gorssel, die weer de collectie van Scheringa overkocht.

Chinese kaptafel in zwart-goud lakwerk ca 1850 Beeld RV - Museum No Hero, Delden

Wat drijft dit soort succesvolle, ondernemende mannen van middelbare leeftijd? Want het onderkomen mag dan wel ‘No Hero’ heten, als afrekening met mogelijke borstklopperij, een hang naar erkenning is dit type verzamelaar niet vreemd, toch?

‘Kijk’, legt Steinmeijer uit, ‘je kunt al deze namen niet over één kam scheren. Ik vind Voorlinden een prachtig museum, daar moeten we trots op zijn. En het is zeker een voorbeeld voor ons geweest, hoewel het veel groter is. Maar iemand die voor 15 miljoen euro een collectie van een ander overneemt, dat noem ik geen verzamelen.’

Zijn collectie in een bestaand museum onderbrengen, Steinmeijer heeft er wel over nagedacht, maar meer ook niet. De verzameling gaat dan toch grotendeels naar de kelder. En bovendien moeten Nederlandse musea meer en meer de nadruk leggen op kaartverkoop en blockbustertentoonstellingen. ‘Het lijkt wel of ze Marsrepen aan het verkopen zijn. Daar wil ik niet bij horen.’ Daar komt bij: ‘De huidige museumwereld is te bureaucratisch en stroperig georganiseerd.’

De Kus van Rainer Fetting uit 1981 Beeld RV - Rainer Fetting

Nu heeft hij zijn collectie ondergebracht in een stichting. Het museum leent daaruit. En het gebouw zelf wordt gehuurd van Stichting Twickel, de organisatie die het ­beroemde landgoed Twickel beheert waar No Hero is gevestigd.

Waarom de beslissing voor een ­eigen museum rond 2012 plotseling in een stroomversnelling kwam? Het was voor Steinmeijer een lastig maar cruciaal jaar. Hij kreeg een hartaanval. Van het ene moment op het ­andere, feitelijk al in de ziekenwagen, begon hij de relativiteit van zijn overnamebusiness in te zien. Van het ­leven dat hij tot dan toe had geleid. Het plotse besef dat het ‘ritme anders moest’, dat hij zich ‘minder gelukkig voelde’.

Een andere oorzaak van deze omslag: ‘Ik kwam bij bedrijven waarmee het slecht ging. En die moet je dan binnen een paar jaar gezond krijgen. Vond ik lange tijd leuk. Maar het geeft ook enorme stress. Op het laatst was ik alleen de balans aan het opstellen, muntjes tellen. Daar was ik klaar mee. Ik vroeg me af: is dit waarop ik later trots wil zijn? Antwoord: nee.’

Nu houdt Steinmeijer zich bezig met productie, ontwikkelt hij ‘positieve dingen’, zoals de stoelen in het café van No Hero, Hartman-stoelen welteverstaan. Hij heeft ze zelf uitgezocht. ‘Zou ik vroeger nooit hebben gedaan.’

Museum No Hero, Delden. Open vanaf 15/4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.