Muziek van Carl Nielsen klinkt soepel en weerbarstig

Wie zijn tijd een blauw oog slaat, zo wist de Deense componist Carl Nielsen, leeft het langst in de herinnering voort. Daarom mept Nielsen, die 150 jaar geleden werd geboren, in zijn muziek naar hartenlust om zich heen.

Gek genoeg erkennen ze hem alleen in Denemarken als de vernieuwer die hij is, een man die zijn partijtje meeblies in de Europese avant-garde, zonder zijn armoedige wortels in de klei van het Deense eiland Funen te vergeten.

De muziek van Carl Nielsen (1865-1931) klinkt soepel en weerbarstig tegelijk, net zo karakteristiek als het borstelhaar waarmee hij steevast op de foto staat. Als het vioolspelende hulpje van een groenteboer stootte hij in 1879 door naar de militaire kapel van de Deense stad Odense. Zijn talent viel op: een clubje notabelen spekte de kas waarmee Nielsen naar het conservatorium in Kopenhagen kon.

Nielsens credo, als componist: 'Protesteren tegen de typisch Deense gladstrijkerij.' Hij wilde 'krachtiger ritmes en avontuurlijker samenklanken'. In een nieuwe box met de zes symfonieën zetten de Finse dirigent John Storgårds en het BBC Philharmonic die koers helder uit.

Reputatierobleem

Levenslust bruist vanaf de Eerste symfonie (1892); het experimenteren begint met de Tweede (1902). 'De vier temperamenten' luidt de ondertitel van dit stuk, waarin Nielsen het cholerische, flegmatische, melancholische en sanguinische in noten wilde vatten. Toen moest de ware lefgozerij nog komen. Neem de battle tussen twee paukenisten en orkest in de Vierde symfonie (1916). Of de hardnekkige notenpendel in de Vijfde (1922), die uitmondt in een niet eerder vertoonde tweespraak tussen kleine trom en klarinet. Ronduit mesjogge hoe Nielsen een deel van zijn Zesde symfonie (1925) begint, met triangeltik, piccolopiep, fagotknor en tromroffel.

Tegelijkertijd duiken altijd weer melodieën op die doen denken aan Nielsens dorpsfiedelaarstijd. Misschien klemt daar zijn reputatieprobleem. Voor een avant-gardist schrijft hij soms verdacht ouderwets, terwijl hij aan romantische zielen graag een knauw uitdeelt.

Dat Nielsen een brug vormt tussen de symfonische reuzen Bruckner en Sjostakovitsj, hoor je ook af aan ander werk. Het New York Philharmonic Orchestra nam met chef-dirigent Alan Gilbert de drie soloconcerten op, gecomponeerd voor viool (1912), fluit (1926) en klarinet (1928). Stuk voor stuk herinneren ze aan de observatie van een Deense criticus, die Nielsen omschreef als 'een kind dat speelt met dynamiet'.

De violist Nikolaj Znaider, een halve Deen, vliegt met zijn solocadens gretig uit de startblokken. De fluitist Robert Langevin en klarinetspeler Anthony McGill houden het met hun New Yorkse blik aan de gecultiveerde kant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden