‘Muziek moet kunnen zweven'

De Scandinavische saxofonist Trygve Seim componeert betoverende, filmische jazz. Gestoeld op een boeddhistisch concept: zónder solo’s. ‘De ziel van de composities wordt aangetast als de solo’s alle kanten opgaan.’..

‘De muzikant als acrobaat, daar houd ik niet zo van. De ene solo na de andere spelen om te laten zien hoe goed je kunt improviseren, dat is saai.’ Daarom schrijft Trygve Seim composities die tot het beste behoren dat de orkestrale jazz te bieden heeft: betoverende, filmische stukken waarin de variaties van de solisten opgaan in het arrangement, opgebouwd uit meerdere melodielijnen, de ene nog fraaier dan de andere. ‘Het mooiste is als je niet kunt horen wat uitgeschreven is en wat niet.’

De Noorse saxofonist Seim werd geboren in 1971 en groeide op met popmuziek, de frasering van Bob Marley raakt hem nog altijd en klinkt door in zijn spel. Maar zijn muzikale ontwikkeling begon pas echt toen hij twee jazzplaten had gehoord: Eventyr van Jan Garbarek en Decoy van Miles Davis. ‘Die melodieën, die sfeer. En ze speelden in dienst van de muziek.’

Seim raakte ook onder de indruk van tenorsaxofonist Dexter Gordon, maar verder zijn de voornaamste inspiratiebronnen Europees. ‘Amerikaanse jazz is vaak zo rauw en hard, zo martiaal. En er zit me te weinig dynamiek in, ze beginnen op één niveau en blijven daar hangen.’ Wat je met grotere ensembles en een meer compositorische aanpak kunt bereiken, ontdekte hij als lid van de groep Oslo 13 van pianist Jon Balke, en toen hij voor het eerst Sound and Fury hoorde, de band van de Finse slagwerker Edward Vesala. ‘Ik begreep er helemaal niets van, maar Jon zei dat het geweldig was, dus ik bleef luisteren.’

Vesala’s muziek is, net als die van Seim, een uniek en onbenoembaar amalgaam van jazz, klassiek en folk. ‘Dat klopt, ja. Alleen gaat het bij mij niet om Scandinavische volksmuziek, maar om Oosterse stijlen: Indiase raag, Japanse en Chinese tempelmuziek. Daarom kies ik meestal voor lage tempi, ik wil dat de muziek zich langzaam ontvouwt, dat je de tijd krijgt om alles in je op te nemen. Dat is een boeddhistisch concept. De klanken moeten uitnodigen tot meditatie. Die filosofie houdt ook in dat je je overgeeft aan het materiaal, en je ego uitwist. Daar wordt je persoonlijkheid sterker van, een interessante paradox.’

Dat meditatieve en geleidelijke trekt hem ook aan in het werk van Arvo Pärt en Henryk Gorecki. De Derde Symfonie van de laatste galmt na in Himmelrand/Tidevand Part 1 op Seims tweede cd, Sangam. ‘Maar ik luister ook veel naar Stravinsky en Sjostakovitsj. Inderdaad, vooral de orkestwerken, niet de concerti waarin de virtuositeit van één iemand voorop staat.’

De bezetting van Seims negenmansformatie – zes blazers, accordeon, cello en slagwerk – is een kwestie van ‘trial and error’ geweest. ‘Aanvankelijk gebruikte ik twee drummers, omdat Oslo 13 die had, en twee bassisten, geïnspireerd door een groep van Roscoe Mitchell. Maar nu doet er helemaal geen bas meer mee, want ik wil niet vastzitten aan een doorgaande baslijn, soms moet de muziek ook kunnen zweven.

‘Om het klankbeeld open te houden zit er ook geen gitarist of pianist bij. Die hebben de neiging alles vol te stoppen met dikke akkoorden, waar je dan een slaaf van wordt. Mijn muziek is overwegend modaal, met kerktoonladders in plaats van complexe harmonische schema’s. De laatste verandering die ik heb doorgevoerd, is het vervangen van de hoorn door een trombone en een fagot; die benaderen samen het timbre van een hoorn, maar bieden afzonderlijk nog veel meer. Zo blijf je kleuren mengen, kijken wat werkt.’

Zowel live als op de cd’s zijn de stukken grotendeels doorgecomponeerd, gelaagde arrangementen waar individuele lijnen overheen vloeien, deels uitgeschreven, deels door de musici zelf bedacht. Een ongebruikelijke werkwijze, maar ‘de ziel van de composities wordt aangetast als de solo’s alle kanten opgaan, daarom beperk ik de keuzes door de omgeving te bepalen. Hier en daar houd ik het bij schetsen, dan kan er een paar minuten gesoleerd worden.’ De meeste vrijheid hierbij krijgt de briljante trompettist Arve Henriksen, met zijn onuitputtelijke fantasie en klaaglijke geluid, dat doet denken aan de Japanse bamboefluit, de shakuhachi. ‘Arve improviseert inderdaad ongelofelijk, maar wat hem zo bijzonder maakt is dat hij ook perfect mengt met de andere blazers in de uitgeschreven gedeelten. Het Duke Ellington-ideaal, zou je kunnen zeggen: strakke secties en sterke solisten.’

De Noorse jazz scoort de laatste tijd geregeld met aan dance gelieerde mengvormen, vooral die van Bugge Wesseltoft en Nils Petter Molvaer: elektronische beats, samples en soundscapes. Trygve is echter vastbesloten zijn muziek vrij van stekkers te houden. ‘Ik blijf gefascineerd door de mogelijkheden van akoestische instrumenten, de timbres, de samenklanken. Bugge en Nils Petter zijn uitstekende muzikanten, maar dat hoor je vooral live, dan komt hun speelsheid en creativiteit nog een beetje over. En als ik naar een club ga, krijg ik pas zin om te dansen als ik een echte drummer en bassist hoor, die spelen alsof hun leven ervan afhangt.’

Klassieke invloeden, weinig solo’s, is het nog wel jazz? ‘Jazeker. Ik voel me thuis in die traditie omdat die zo genereus is, je kunt er zelf iets aan toevoegen. En als orkestraal werk niet mag, dan zou je veel jazz in Amerika na de jaren dertig al geen jazz meer moeten noemen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden