Muziek die wonden heelt War Child opent muziekcentrum in Bosnië om kinderen uit de deprimerende leegte te halen die de oorlog veroozaakte

Overmorgen opent de Italiaanse zanger Luciano Pavarotti in Mostar het naar hem genoemde muziekcentrum van de stichting War Child. In de grotendeels verwoeste stad wil War Child kinderen met een oorlogstrauma een nieuw perspectief bieden....

Music Centre? Yes, yes. Natuurlijk weet de taxichauffeur waar dat is. Dat weet iedereen in Oost-Mostar. 'Pavotti', zegt de chauffeur en hij lacht. Hij wijst naar de doorboorde casco's aan weerszijden van de weg. 'Boem boem', zegt hij. Als hij over de nieuwe brug rijdt, doet hij een extra 'boem': zijn handen gaan met een ruime cirkelbeweging van het stuur en vormen een grote V. 'Brug doormidden', wil hij zeggen. 'Boem boem.'

Dan stopt hij voor een gloednieuwe, pastelgeel gepleisterde gevel met terracotta ornamenten, een onwaarschijnlijk sprookjespaleis tussen het puin: het Muzicki Centar Pavarotti dat op initiatief van de internationale stichting War Child tot stand is gekomen. De kosten voor de bouw van het Music Centre, ruim zeven miljoen Duitse marken, zijn grotendeels betaald door Luciano Pavarotti. Met onder anderen Brian Eno en Bono van U2 zette hij grootscheepse benefietprojecten op. Hun gezamenlijke lied Miss Sarajevo leverde alleen al driehonderdduizend Engelse ponden op.

Tijd voor begroetingen en plichtplegingen neemt directeur David Wilson niet. Zes dagen voor de feestelijke opening op 21 december, met Pavarotti plus andere grootheden en driehonderd kinderen, is er meer werk te doen dan in die tijd verricht kan worden. Het gebouw, naar ontwerp van een Brits architectenbureau verrezen op de plaats waar een in de oorlog kapotgeschoten lagere school stond, staat er weliswaar al glorieus bij. Maar in de inrichting en aankleding (een samenwerking van lokale architecten met collega's uit Engeland) moet nog een griezelige hoeveelheid details worden afgewerkt.

'Loop even mee, we zijn net de vleugels aan het uitpakken', roept Wilson over zijn schouder, terwijl hij over de witte betegelde vloer langs de balustrades van de binnenplaats naar een van de performance-ruimtes draaft. Gelijktijdig voorziet hij het gebouw van tekst en uitleg: de centrale binnenplaats waar nog een fontein moet verrijzen, een gedeelte voor de muziekschool, een gedeelte voor muziektherapie, oefenruimtes, concertruimtes, professionele opname-studio's in de kelder en twee apartementen in de twee halfronde torens op de bovenverdieping. Vooral bedoeld voor gasten, maar Wilson wil er toch ook een gebruiken als healing- en meditatieruimte.

'En dit is Ohar', zegt Wilson. Ohar is boomlang, kortgeknipt, negentien jaar. Hij heeft indrukwekkend grote handen en pijnlijk kortgebeten nagels. 'Hij is de beste djembéspeler van heel Bosnië', vindt Wilson. Ohar is vooral ook multi-inzetbaar. Op z'n veertiende, als de op een na jongste soldaat van het Bosnische leger en nu, als een van de lokale medewerkers van War Child. Samen met enkele andere jongeren die tijdens de oorlog onder de naam Apeiron (uit de Griekse filosofie: 'het onbegrensde') een club in Mostar voor culturele bijeenkomsten oprichtten, is hij zowel doelgroep als toekomstig steunpilaar van het Music Centre.

Natuurlijk is War Child er ook voor veel kleinere kinderen, maar juist deze jongeren zijn onmisbaar als tolk en workshopleiders in opleiding bij het veldwerk op de scholen in en rond Mostar. Maar ook voor hen zijn de workshops en de werkzaamheden voor War Child een weg uit de deprimerende leegte die de oorlog heeft achtergelaten. Het idee is ook dat War Child gedurende maximaal twee jaar het centrum begeleidt en financiert, maar in die tijd voldoende lokale medewerkers opleidt die de leiding kunnen overnemen.

Deze zondag is Ohar erg gestresst, merkt Eugene Skeef tijdens de drumworkshop. Skeef, geboren in Zuid-Afrika en in de jaren zeventig naaste medewerker van Steve Biko, is een fenomenaal drummer en daarbij begiftigd met een minstens even fenomenaal vermogen tot muzikale communicatie. In de kleine ruimte, met uitzicht op het strookje aarde waarin een aromatische kruidentuin tot bloei moet komen, is het onmogelijk geen gehoor te geven aan de dwingende roep van zijn djembé. Bij hem geen vrijblijvend getrommel of quasi-creatief gepingel. 'Focus', roept hij elke keer, en draait zijn dreadlocks in een staart. 'Speel niet voor ik het vraag. Concentreer je. Kijk naar elkaar. We kruipen in de geest van de muziek.'

Geleidelijk krijgt de workshop het karakter van een bijna magisch ritueel. Iedere speler krijgt een eigen ritmisch patroon dat past in de ritmische basis van het djembétrio dat Skeef vormt met Ohar en Peter Vilk, een jonge Engelse drummer en muziekpsycholoog. Door de aanhoudende herhaling van de patronen blijft geen lichaamsdeel onberoerd door de werking van het geluid. De lage djembétonen trillen dwars door het middenrif en met hun lange golven geven ze een gevoel van stabiliteit en kalmte. De hogere tonen in de snelle patronen werken rechtstreeks op de motoriek en zuigen alle concentratie naar zich toe tot ieders aandacht echt alleen nog maar bij de muziek is.

Als die graad van concentratie is bereikt, voert Skeef de intensiteit en complexiteit verder op. Niet alleen verhoogt hij het tempo, maar ook de moeilijkheidsgraad van de ritmische combinaties en de snelheid waarmee de patronen wisselen. Met uiterste precisie drijft hij iedere individuele deelnemer net een fractie over zijn eigen grens, ze opzwepend met de djembé en zijn stem die tot orkaankracht is toegenomen: 'Power, power man! Ga door! Blijf kijken' Handen voelen geen pijn meer, benen en voeten bewegen uit zichzelf. Dan laat Skeef zijn drummers langzaam gaan. De ritmes vertragen en drummers worden weer Bosnische jongeren. 'Relax. Relax. That was real powerful energy, man', zegt hij.

Ohars dag kan niet meer stuk. Hij voelt zich fantastisch na de workshop. Al heeft Skeef hem bepaald niet ontzien. 'Ik weet dat je onder grote druk staat', had hij gezegd, 'en dat iedereen je van alles vraagt: Ohar wil je even helpen met de piano's, Ohar wil je even dat en dat wegbrengen. Maar je bent musicus en we moeten nog hartstikke veel oefenen voor de opening. Practice, practice, practice', had hij hem op het hart gedrukt.

'Weet je', vertelt Ohar even later op de vijfdehands bank in Wilsons huis, 'het is alsof er steeds meer lawaai in mijn hoofd komt en met het drummen explodeert het eruit.' Dan is het weer even stil, heeft hij weer even rust. De kleine woonkamer stroomt steeds voller en krijgt het aanzien van een jeugdhonk. Vanzelfsprekend pakt iedereen bier, koffie en thee. 'Ik heb ze min of meer geadopteerd', erkent Wilson. Het is wat onhandig om steeds de biervoorraad aan te moeten vullen, maar een andere plek waar ze zich thuis voelen hebben jongens als Ohar, Teo of Crni niet.

Wilson, naar eigen zeggen 'docent, mislukt ondernemer, manager en incidenteel toneelschrijver' ging eind 1992 samen met filmmaker Bill Leeson naar Zagreb om voor de BBC een film te maken over de oorlog in Kroatië, waar zijn vrouw vandaan kwam. Terug in Londen richtten Leeson en hij War Child op, genoemd naar een toneelstuk dat Wilson ooit had geschreven. Ze organiseerden een driedaags benefietfestival in The Royal Festival Hall, waar kunstenaars als musicalkoning Andrew Lloyd Webber voor werden ingeschakeld. Hun ideeën over hulpverlening kregen vorm in een duidelijk omlijnde War Child-filosofie als tegenhanger van de koloniale 'wij-hulpverleners-weten-wat-goed-voor-jullie-is'-mentaliteit. Wilson: 'Als je echt iets wilt doen, moet je om te beginnen deel uit gaan maken van de gemeenschap en dan vooral luisteren naar wat er wordt gevraagd in plaats van te vertellen wat ze nodig hebben.'

Wilsons huwelijk liep op de klippen, maar al tijdens de oorlog kwam er een bakkerij in Mostar die vijftienduizend mensen per dag van brood voorzag. Er werd een insuline-transport opgezet voor kinderen met diabetes en wat bij alle ontmoetingen steeds weer opviel was de vraag naar muziek. Zodra er na een elektriciteitsuitval weer stroom was, zetten de kinderen hun radio's aan en cd's op. War Child-medewerkers vertrokken altijd met een hele lijst verzoekplaten en kwamen terug met stapels cd's en cassettebandjes voor de lokale radiostations. 'Muziek is een essentieel onderdeel van hulpverlening', stelde Wilson vast. 'Natuurlijk heb je eten nodig en medicamenten, maar je moet ook proberen mensen menselijk te houden in een onmenselijke situatie.'

Het idee om meer systematisch op de vraag naar muziek in te gaan en muziek te gebruiken als healing force, ontstond pas nadat Wilson in 1994 in Sarajevo Nigel Osborne ontmoette. Nigel, heet het bij intimi, is bigger than life. Inderdaad is de componist en professor muziekwetenschap aan de universiteiten in Edinburgh en Hannover een forse verschijning, met bril, baard en een flinke hoeveelheid ontembaar neushaar. Maar zijn reputatie dankt hij vooral aan de muziekworkshops die hij tijdens de oorlog in de kelders van Sarajevo organiseerde. Met een rugzak vol kleine maracas, triangels, woodblocks, crotales en andere instrumenten smokkelde hij zich langs de enige begaanbare route het belegerde Sarajevo in: over de Mount Igman, in het donker langs de sluipschutters, door de tunnel bij het vliegveld.

In de stad legde Osborne verschillende instrumentendepots aan, zoals militairen dat met wapens doen. Via de bushtelegraaf werd bekend waar en wanneer er een workshop was. Dan nam hij bijvoorbeeld een gedicht van Goran Simic, met wie hij ook een rockopera maakte die in 1995 in Sarajevo in première ging. 'Het einde van de oorlog is een half uur te laat', zongen de kinderen dan na zo'n drie uur democratisch componeren en orkestreren voor een publiek van veertig, vijftig man.

Osborne (hoofd 'Music Department') en Skeef (hoofd 'Music Development Department') zijn nu de twee artistiek-inhoudelijke polen van het Music Centre. Osborne is er voor de typisch west-Europese, academische benadering en wil met hulp van specialisten een afdeling klinische muziektherapie opzetten, waarbij het zwaartepunt zal liggen op traumabehandeling. Op dit moment werken zijn post graduate studenten al op de scholen in de hele regio rond Mostar met een programma dat het midden houdt tussen muziekonderwijs en healing - waarin Skeef, met zijn Afrikaanse achtergrond weer een meester is.

Dinsdagochtend, een dag later dan gepland, komt de eerste schoolklas in het nieuwe gebouw om het optreden bij de opening te repeteren. Osborne's studenten, Ohar en de anderen hebben hun handen vol. 'Weet je', had Ohar eerder gezegd, 'ik was een onmogelijk kind.' Het huwelijk tussen zijn ouders was niet geweldig en hij had 'vuur in zijn lijf'. De oorlog leek spannend en opwindend. 'Je bent nog een kind, wat weet jij daar nou van', riep z'n moeder. Maar zijn vader werd gedwongen naar Duitsland te vluchten en Ohar werd soldaat en vocht aan de frontlijn in Mostar. 'Dat komt ook door al die films op tv', denkt hij achteraf. 'Daar heb je helden als Terminator en kinderen willen graag helden zijn.'

Hij heeft geluk gehad, zegt hij. Dat geldt niet voor al zijn vrienden. Sommigen zijn er niet meer, anderen heeft hij uit oog verloren omdat ze Kroaat zijn. Hij kwam laatst nog een oude vriend van de Westkant tegen. Ze hadden gepraat en gelachen, maar zoals vroeger was het niet meer. 'Alles lijkt hetzelfde, maar niets is hetzelfde. Alles is anders', merkt hij dagelijks. Maar ook muziek heeft zijn leven veranderd. Eugene Skeef heeft zijn leven veranderd.

Na de oorlog is Nigel Osborne met de leden van Apeiron eerst maar een paar weken met vakantie naar Italië gegaan. Ohar heeft gekeken, veel gekeken. Naar de zee, de bossen, de weilanden. Kilometers uitzicht, wijds en veilig. Dat geeft rust en in die rust bedacht hij dat hij muzikant wil zijn en met kinderen wil werken. Dat hij zelf kinderen wil en een hecht familieleven. En vooral: dat hij wil leven.

Voor het eerst klinken kinderstemmen in de hoge, lichte overdekte binnenplaats. De schoonmaaksters, de timmermannen, de metselaars, de stafleden van het Music Centre staan rond de balustrades of voor de grote glazen deuren te kijken en ze genieten. De kinderen zingen en Crni, die zo wordt genoemd om zijn zwarte lange haar en meestal zwijgend sigaretten rookt, beeldt met wapperende armen een vogel voor ze uit die over de oceaan vliegt. Teo, die bij een verrassingsaanval werd gevraagd waar zijn vader was, vervolgens meemaakte hoe deze werd vermoord en sindsdien niet kan slapen, begeleidt op snare-drum en Ohar trommelt op zijn djembé. Even zijn ze geen stoere jongens meer die soldaten waren. Ze zijn terug in een restantje kindertijd.

'Het klinkt romantisch', weet Wilson, 'maar Mostar verloor zijn brug en het Music Centre zou op heel veel manieren in figuurlijke zin een brug kunnen zijn: een brug naar de toekomst, een brug tussen muzikale culturen, een brug naar de vrede.'

War Child, Postbus 10018, 1001 EA Amsterdam. tel 020-422.7777.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.