Muziek als van alles losgezongen genot

Klank en ritme zijn essentieel voor poëzie, maar ook in een beschouwing kan muziek doorklinken, zoals in Meijsings tekst over Rossini. Tot genoegen van Arjan Peters.

Orkest. Beeld Antonia Hrastar

Als je een gedichtenreeks plechtig 'Vespers voor Maria' doopt, zoals Michaël Zeeman deed in zijn eerste bundel Beeldenstorm (1991), dan verwijs je niet alleen naar een willekeurige vriendin. Je gaat er misschien zelfs van uit dat de beoogde lezer onmiddellijk een flard van de Mariavespers van Monteverdi langs hoort komen - want lezen is ook in hoge mate luisteren.

Geef de hoofdstukken uit je eerste roman de tempo-aanduidingen mee die Gustav Mahler aan zijn Eerste Symphonie gaf, zoals Nanne Tepper deed in De eeuwige jachtvelden (1995), en je merkt hoe het proza correspondeert met de bewegingen uit die muziek, van hoofdstuk één ('Langsam, schleppend, wie ein Naturlaut') tot hoofdstuk vier ('Stürmisch bewegt'). Zo laat de schrijver zijn inzet zien, en vraagt hij aandacht voor ritme en klank, die we bij de beoordeling van proza nogal eens over het hoofd zien. Terwijl ze beslissend kunnen zijn voor de vorming van een oordeel.

Aan lyriek en geëxalteerde idealen kon Erik Menkveld zich overgeven, toen hij zich voor de roman Het grote zwijgen (2011) verdiepte in de kunstopvattingen van componist Alphons Diepenbrock en criticus-componist Matthijs Vermeulen. Hun vriendschap trilde in de sponningen toen ze het oneens waren over een tekst van Nietzsche. In de jaren voordat de Eerste Wereldoorlog uitbrak, zo laat Menkveld ons denken, kon je je nog ongeremd in kunst verliezen.


Niet alleen in romans en poëzie, ook in beschouwingen kan de beschreven muziek doorklinken. Een paar jaar geleden schreef Geerten Meijsing de programmatoelichting bij een opera van Rossini (La pietra del paragone) die door Opera Trionfo werd opgevoerd. Zojuist is de tekst als boekje verschenen bij De Boktor: De toetssteen ( € 35,-). Meijsings woorden en uitroeptekens warmen je op voor de muziek van Rossini, die eigenaardige componist die er in zijn jongste jaren veertig opera's uit gooide, om daarna veertig jaar op zijn lauweren te rusten, 'een vlezige gepensioneerde, vol van zijn herinneringen, zijn vroegere werken en zijn dubbele onderkin', zoals Frédéric Vitoux schreef in zijn Rossini-biografie, in 1990 vertaald door Meijsing.

Muziek als van alles losgezongen genot. Rossini die op latere leeftijd nog wel een Petite Messe Solennelle schiep en dan bij wijze van drôlerie als tempo-aanduiding voor het Credo schreef: 'allegro cristiano'. Zet die mis eens op. Na tien seconden zit je te deinen en je zingt al met het koor mee voordat je de kans krijgt om te schrikken, omdat je de Heer toch niet zó gezellig om ontferming kunt vragen.

Rossini is een geniale speler en Meijsing, die woont in het land dat het liefst alle problemen virtuoos weg zingt, Italië ofwel het 'Conservatorium van God' (Lord Derwent), voelt hem feilloos aan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.