Muze of blok aan het been

Nynke van Hichtum (1860-1939), schrijfster van Afke's Tiental, was de Annie M.G. Schmidt van haar tijd. Was ze nog méér, behalve de ex van de grote socialist Troelstra?...

'Mijne aanstaande', schreef Troelstra in zijn mémoires(Gedenkschriften, deel I), 'was literair begaafd en heeft dan ook later aanmijn Friesch tijdschrift meegewerkt en zich ontwikkeld tot de bekendekinderschrijfster N. van Hichtum. In geestelijken zin had onze verhoudingeen sterk romantisch en literair karakter. Zij droeg den stempel van deburgerlijke moraal, die in het Friesche moderne gezin van dien tijd wordtaangetroffen.'

Niet meteen wat je noemt een warme, of al was het vanwege datkinderschrijverschap alleen maar een beetje bewonderende herinnering.

Maar Troelstra had sowieso geen talent voor warme bewondering. Toenhij de notarisachtige zinnen in 1927 dicteerde, was hij bovendien ook alweer twintig jaar met een andere vrouw getrouwd, dus logisch misschien datde eerste liefde inmiddels helemaal was afgekoeld.

Maar had er een eerste liefde bestaan?

Het huwelijk dat hij in 1888 sloot met de domineesdochter SjoukjeBokma de Boer heeft er vier jaar gelukkig uitgezien. Pas na de geboorte vanhaar tweede kind - een Jelle - ging er iets mis, om te beginnen metSjoukjes gezondheid. Werd een postnatale depressie, waarvan toen nogniemand in de medische wereld had gehoord, meteen ook fataal voor haar tochal tere fysieke gestel? Of was ze ook mentaal eigenlijk niet opgewassentegen het hectische armeluisleven met een man die als een fulltimeactievoerder stad en land afreisde met de boodschap van het socialisme?

Troelstra heeft achteraf dáár de verklaring gezocht voor de eeuwigeziektes en ziektetjes van zijn eerste vrouw, en hij schreef in 1927(Gedenkschriften, deel II): 'Ik kan hierover niet verder uitweiden, maarvoor het begrijpen van mijn leven van de volgende vijftien jaar is hetnoodig zich te herinneren, dat ik in mijn gezin, ondanks het idealisme,waarmee mijn vrouw zich bij mijn werk aansloot, niet den steun vond,waaraan ik bij mijn strijd in en voor de beweging behoefte had.'

Die man kon soms hinderlijk veel medelijden met zichzelf hebben.

De klacht van later valt intussen moeilijk te rijmen met een gebaardat hij gemaakt zou hebben toen hij in 1897 voor de kersverse SDAP in deKamer was gekozen, en Friese partijgenoten hem wilden lauweren. Deaangeboden krans had hij toen onmiddellijk om Sjoukjes hals gehangen metde woorden: 'Nee, mensen, niet mij komt die krans toe, maar haar, het zijnhaar ideeën, ik heb ze slechts uitgewerkt.'

Dus hoe heeft het precies gezeten? Is Sjoukje voor de grote voormanvan de Nederlandse sociaal democratie nou een muze geweest, of juist eenblok aan het been?

De vraag doemt voortdurend op in het proefschrift over Nynke vanHichtum waarop de journaliste Aukje Holtrop gisteren in Groningenpromoveerde. En meer dan zeshonderd consciëntieuze bladzijden ten spijt,blijft het antwoord uit.

Dat komt door twee dingen. In de eerste plaats zitten er behoorlijkveel witte gebieden op de kaart van Sjoukjes leven, dat tenslotte, ondankshaar autonome roem als schrijfster van vooral Afke's Tiental, overschaduwdis geweest (en deels is gebleven) door dat van haar echtgenoot. Van Sjoukjeis, als je dat vergelijkt met wat er allemaal van Troelstra isgearchiveerd, bitter weinig bewaard - anders dan haar man heeft ze nooitmemoires geschreven, of willen schrijven. Niet toevallig waarschijnlijkdomineren ook in Holtrops biografie de belevenissen van de politicus somspagina's en paragrafen lang die van de vrouw van de politicus.

Voor de tweede reden waarom we van de biografe geen antwoord krijgenop de vraag naar de precieze betekenis die Troelstra en Sjoukje voor elkaarzullen hebben gehad, moeten we bij Holtrop zelf wezen. Op een bijnaprincipiële manier - prijzenswaardig genoeg voor een aankomende academica- heeft ze zich strikt willen beperken tot wat ze zeker meende te weten.In haar voorwoord bekent ze 'dat het wezen van deze vrouw me raadselachtigis gebleven', en dan vervolgt ze: 'Alle mededelingen die ik over haar doe,kan ik verantwoorden en zijn gebaseerd op verifieerbare bronnen. Ik heblosse eindjes niet aan elkaar geknoopt (. . .) De open plekken heb ikvoor lief genomen. Een levensbeschrijving met losse eindjes, rafels entegenstrijdigheden hoeft niet minder levensecht te zijn dan een metwaarschijnlijkheden dichtgeplamuurd levensverhaal.'

Hier keert de jonge wetenschapster zich haast puriteins tegen de oudejournalistiek die er wel eens een slag naar wil slaan.

Bij alle respect dat haar toekomt, blijft het bezwaar van Holtrops'zuivere' aanpak dat ze aan de buitenkant van Sjouk-je is gebleven. Deraadselachtigheid had ze, zeker bij iemand die klaarblijkelijk zo weinigvan zichzelf heeft willen blootgeven, alleen maar te lijf kunnen gaan doorwaarschijnlijkheden te opperen waarmee ze mogelijk tot onder de oppervlaktehad kunnen doordringen.

Maar zelfs elke schijn van duiding is in de biografie angstvalligvermeden.

Zou het bijvoorbeeld zo kunnen zijn dat het beschermd opgevoedepredikantenkind uit het noordoosten van Friesland (in de buurt van hetwurgende Foudgum van Piet Paaltjens) op geen enkele manier was toegerustom met het socialisme überhaupt een soort affiniteit te ontwikkelen? Haarvader zou als theoloog wel een beetje met de 'modernen' hebben geflirt,maar daar kon hij in Nes en Moddergat niet mee te koop lopen. Zegt dat ietsover opvattingen in het gezin waar het meisje groot werd?

'Ze was een gevoelssocialiste', herhaalt Holtrop een paar keer alsze Sjoukjes latere politiek-sociale levenshouding wil aangeven - maar welkweldenkend mens was dat nièt in tijden van zichtbare verpaupering en eentoenemende tegenstelling tussen arm en rijk? Bovendien is in Sjoukjesjongedamesjaren (ze woonde tot haar 28ste werkloos bij haar ouders thuis)geen spoor te bekennen van enige maatschappelijke betrokkenheid. Of latenwe zeggen: Holtrop blijkt geen spoor te hebben gevonden.

Heeft de verliefde Sjoukje zich als moeder en vrouw niet gewoondienstbaar opgesteld tegenover de zelfverkozen missie van haar man, en zatTroelstra er misschien niet eens zo ver naast toen hij (achteraf)verklaarde dat hij 'ondanks het idealisme, waarmee mijn vrouw zich bij mijnwerk aansloot' toch nooit een werkelijke medestrijdster in Sjoukje heeftkunnen herkennen?

Het is ook eigenaardig dat Sjoukje na haar scheiding geen contactenmeer met de partij en ook nauwelijks met oude kameraden lijkt te hebbenonderhouden. In de jaren dertig, dus in haar levensavond - ze stierf in1939 - is er enige toenadering tot de AJC geweest, maar de Paasheuvel kwammeer naar de oude dame, dan dat de oude dame naar de Paasheuvel zou zijngegaan.

Niet minder typerend zou je het feit kunnen noemen dat de eerste 450van de 600 bladzijden van de biografie zijn ingeruimd voor Sjoukjes jeugden haar Troelstrajaren. Eigenlijk pas in de resterende 150 pagina's'ontluikt' Nynke van Hichtum, die haar beroemdste boek dan allang heeftgeschreven, en die ondanks haar zorgelijke gezondheidstoestand nogtweeëndertig productieve schrijversjaren voor de boeg heeft.

Die gezondheidsproblemen maken de indruk overheersend te zijn geweestin het huwelijk. En daar kwamen nog de tegenslagen van andere aard bij. Zonu en dan zijn de bladzijden vervuld van sombere litanieën: influenza's,keelontstekingen, bronchiale aanvallen, zenuwinzinkingen, deurwaarders aande deur, geldtekorten, bedelpartijen, verhuizingen naar benauwderewoninkjes, kwesties in de partij, bedreigingen van onsocialistisch volk,ruzie met Domela Nieuwenhuis, de Hogerhuisaffaire en de (maand)gevangenisstraf - Sjoukjes incasseringsvermogen moet geen grenzen hebbengekend.

Interessant zijn de half en half dweepzieke echtelijke uitstapjesnaar toenmalige modes als de reformbeweging, de adagia van Rein Leven, het'nieuwe onderwijs' en het spiritisme, waarbij Troelstra zich geëxcuseerdvoelde omdat in zijn sessies geen rare oude tantes waren verschenen, maarniemand minder dan de oervader van het socialisme, Wilhelm Liebknecht.Holtrop maakt niet helemaal duidelijk of het echtpaar in die dingen eenbeetje 'met z'n tijd mee ging', of dat Sjoukje er gevoeliger voor zou zijngeweest dan Pieter Jelles.

Zou Sjoukje bij de scheiding (waarop ze ook zelf al een paar keer hadgezinspeeld) uit haar vel zijn gesprongen, zeker toen Troelstra met eenjongere nieuwe vriendin voor de dag kwam? Heeft ze hem de huid volgescholden, is er met serviesgoed gesmeten? De biografe vraagt het zich af,maar kan geen uitsluitsel geven. Je hebt het gevoel dat ze in ieder gevalhóópt dat Sjoukje haar gevallen held nog even met een ouderwetse Friesedeegroller achterna heeft gezeten.

En haars inziens heeft de scheiding de weg vrijgemaakt voor Nynkesdefinitieve ontplooiing als schrijfster. Ze had voordien wel (bewerkte)sprookjes, recensies, besprekingen van opvoedkundige boeken aan onderandere Het Volk bijgedragen, en dus Afke voltooid - maar pas in de jarentien van de twintigste eeuw begon de echte schrijverscarrière die haar totnet zo'n autoriteit op het terrein van de kinderliteratuur zou maken, alsAnnie Schmidt in de jaren na 1950 is geworden.

Haar 'eigen' boeken zouden betrekkelijk gering in aantal blijven. Zeheeft honderdmaal meer bewerkt, vertaald (heel briljant bijvoorbeeldWinnie-the-Pooh) en gebloemleesd, of òver het voor haar ideale kinderboekgeschreven. Ze had, zei ze zelf, geen fantasie. Van Afke's Tiental tot aanSchimmels voor de koets (1936) heeft ze geput uit wat ze zich uit haarjeugd herinnerde, of wat haar aan authentieke verhalen werd toegespeeld.

Verdient ze de (kinder)literaire eeuwigheid, die wij Annie Schmidt nogaltijd zien halen?

Ook op dat punt heeft Aukje Holtrop zich op de vlakte gehouden. Zeprijst haar werk om z'n heldere structuren, vertelt het na, geeft toe dathet hier en daar nogal verouderd is, maar waagt zich niet aan eenwerkelijke analyse. Echt vernieuwend zal ook zij Nynke van Hichtum nietkunnen vinden. De speelsheid van A.A. Milne die ze wèl heel adequaat envindingrijk wist te vernederlandsen, bleven in haar eigen boeken afwezig.

Ze behoorde tot wat men toen en later schrijfsters van 'verantwoordekinderboeken' noemde - ze fulmineerde in recensies en beschouwingen ooktegen kinderpulp als van Nick Carter of over Buffalo Bill, en dat was heelpolitiek correct in de wereld van de jaren dertig.

Nog één raadsel dat in de biografie niet wordt ontsluierd: waar wasin de perceptie van Sjoukje de wereld van de jaren tien, twintig en dertig?Ze lijkt zich er nooit over te hebben uitgesproken: niet over de EersteWereldoorlog, niet over de Oktoberrevolutie in Rusland, niet over deopkomst van het fascisme en nazisme in Italië en Duitsland, zelfs nietover Colijn of Mussert.

Aukje Holtrop was indertijd een belangrijke informatiebron voorPieter Verhoeff die het leven van Sjoukje zou verfilmen tot het mooieportret van Nynke. Je kunt je voorstellen dat ze met al haar integerebiografenijver wel eens naijver heeft gevoeld ten opzichte van de cineast,die datgene wat Sjoukje Bokma de Boer voor het nageslacht kennelijkverborgen wilde houden, met zijn eigen interpreterende fantasie heeftingevuld.

Vervelend ten slotte dat in de zogeheten handelseditie van dedissertatie ter wille van 'de leesbaarheid van het verhaal' geenverwijzingen naar een notenapparaat zijn opgenomen - alsof lezers afgeleidzouden worden door cijfertjes. In ruil daarvoor vinden we achterin zeventig(!) pagina's heel ontoegankelijk per bladzij gerangschiktebronverwijzingen. Waarom denken uitgevers toch altijd dat ze slimmer zijndan hun klanten?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden