Musicus Willem Breuker overleden

In de zomer van 1963 is er tumult op het Famos Jazztournooi in Amsterdam: een 19-jarige deelnemer is van de zenuwen flauwgevallen. Nog hetzelfde jaar brengt Willem Breuker zijn Compositie in paars en geel op een tweede concours alsnog tot een goed einde. De jury kijkt raar aan tegen de muziek, die in niets op ‘swingende jazz’ lijkt, maar geeft de jonge componist de soloprijs voor zijn klarinetspel. Een van de rumoerigste carrières in de Nederlandse muziek is begonnen.

ANP

Willem Breuker, die vrijdag in Amsterdam na een ernstige ziekte overleed, was zijn leven lang bezeten van muziek, maar een zorgeloze passie is het nooit geweest. Al op de mulo in Amsterdam componeert hij heimelijk onder de les zijn allereerste stukjes, maar de daaropvolgende studie aan het Amsterdams Muzieklyceum loopt uit op een deceptie. ‘Leer een degelijk vak en laat de muziek met rust’, adviseert de directie hem.

Breuker zet koppig door, buiten elk instituut om en gemotiveerd door het ‘aanpakken en doorzetten’ waarmee hij als kind van overtuigde socialisten is grootgebracht. Terwijl zijn leeftijdgenoten naar beatmuziek luisteren, verdiept hij zich in Schönberg, avant-gardejazz en andere ‘moeilijk’ repertoire. Zijn gemankeerde muzikale scholing compenseert hij met oorspronkelijke opvattingen, dadendrang en organisatietalent. Zo weet hij als 21-jarige vanuit het niets een experimenteel orkest van professionals en amateurs te formeren, waarmee hij zich in juli 1966 als nieuwbakken bandleider presenteert op het jazzconcours in Loosdrecht.

Niet alleen die grote bezetting, ook de gespeelde noten baren opzien. De provorellen in Amsterdam, waarbij op 14 juni een dode en gewonden vallen, inspireren Breuker tot de compositie Litany for the 14th of June, 1966, waarbij een zangeres nieuwsberichten over het politieoptreden voordraagt. Na een live tv-uitzending in augustus is zijn naam als burgerschrik gevestigd.

Ironie

‘Alles moet anders, te beginnen in de muziek’, lijkt het motto waarmee Breuker de komende decennia te werk gaat. Zelfredzaamheid staat daarbij voorop. Met geestverwanten Misha Mengelberg en Han Bennink, vanaf 1967 verenigd in de Instant Composers Pool (ICP), distantieert hij zich van het Amerikaanse jazzmodel en introduceert hij een eigen vorm van geïmproviseerde muziek, gekruid met ironie en satire – de basis van de later internationaal erkende ‘New Dutch Swing’.

Onvrede over de ‘aperte achterlijkheid’ om hem heen motiveert zijn bemoeienissen met het muziekbestel in alle geledingen. Breuker is een van de bedenkers van het ‘Structuurplan’ dat in 1970 de basis vormt van het latere subsidiestelsel in de jazz, hij is mede-initiator van het Bimhuis, fungeert zestien jaar als voorzitter van de Stichting Jazz in Nederland, en voorziet alles en iedereen van sardonisch en soms bot commentaar (een boze brief aan Holland Festival-directeur Jo Elsendoorn opent hij met ‘Hé Jo, ouwe neukert’).

Al vroeg ook verwoordt hij zijn onvrede met de traditionele concertvorm: ‘Er moet iets te zien en te lachen zijn.’ Zelf geeft hij het voorbeeld in voorstellingen als Het leven van Mozart en De achterlijke klokkenmaker, waarin onder de slapstickachtige grappen en grollen serieuze noten worden gekraakt. De combinatie van dwarse muziek met plezier voor het hele gezin werkt Breuker verder uit in zijn Kollektief, dat vanaf 1974 tot voor zijn dood zijn belangrijkste muzikale uitlaatklep vormt en circa dertig lp’s en cd’s uitbrengt op het eigen platenlabel BVHaast.

In het Kollektief verwezenlijkt Breuker zijn ideaal van muziek ‘waar heel de wereld in past’. Zoals in zijn platenkast Gustav Mahler en Kurt Weill naast Johnny Jordaan en Charlie Parker staan, zo maakt zijn tienkoppige koper- en rietorkest geen onderscheid tussen hoge en lage kunst. ‘De muziek die ik bedenk, die is voor mijn buurman en die is voor jou en voor het Waterlooplein, ’t kan me niet verdommen’, zegt hij in 1973.

Feestgevoel

Politieke strijdmuziek speelt hij in De Volharding, met Louis Andriessen. Het feestgevoel dat het Kollektief oproept, wordt versterkt in combinaties met andere artiesten, van Freek de Jonge en Ischa Meijer tot Albert Mol en Loes Luca. Opmerkelijk is Breukers zwak voor oude entertainers zoals Toby Rix en zijn Toeterix, met wie het Kollektief in korte broek bruisende kinderconcerten geeft. Breukers filosofie bij dit alles: ‘Als ik er gein in heb, dan doe ik het.’

Grote populariteit bereikt Breuker als organisator van de Klap op de Vuurpijl, het oudejaarsfestival dat vanaf 1975 jazz, klassieke muziek en wereldmuziek als vanzelfsprekend naast elkaar zet, lang voor genrevermenging op andere podia bon ton wordt.

Vanaf 1970, als hij de Wessel Ilcken Prijs wint, heeft Breuker niet te klagen over waardering. Hij krijgt de Bird Award, Edisons, een Gouden Kalf (voor de filmmuziek van De illusionist) en diverse andere prijzen. Zelfs schopt hij het tot Bekende Nederlander als het roddelblad Weekend in 1992 een uit de lucht geplukt artikel wijdt aan zijn ‘geheime liefdesrelatie’ met Hedy d’Ancona, de toenmalige minister van Cultuur.

Nieuw

Belangrijker is dat Breuker sinds de eerste Kollektief-tournee naar de Verenigde Staten in 1977 ook een begrip wordt in de Amerikaanse muziekpers. Zijn eclectische stijl is nieuw voor Amerikaanse oren en dankzij de aanbeveling van toonaangevende critici als Gary Giddins (‘By God, this is a band you must see’) wakkert Breukers ‘zany Dutch humour’ de belangstelling aan voor Nederlandse jazz in het algemeen.

Dat binnenlandse waarnemers Breukers ‘mensenmuziek’ met de jaren minder waarderen, valt niet te ontkennen. En zelfs verstokte fans raken uitgekeken op de act waarin de klarinettist een kakelende kip imiteert en als apotheose een heus ei tevoorschijn tovert. De tanende lof pareert de bandleider met grimmigheid. Zo typeert hij de acht meter eigen composities in zijn archief als ‘een gigantische berg puin’.

Als Breuker in 2007 met succes een levertransplantatie heeft ondergaan, krijgt hij bericht dat na 35 jaar de subsidie van zijn Kollektief wordt stopgezet. Het vonnis is onlangs herroepen, maar dat het Willem Breuker Kollektief zonder zijn leider een wederopstanding zal beleven, lijkt moeilijk voorstelbaar. ‘Alles wat ik doe is commentaar’, zei hij in 1987 in de Volkskrant. ‘Het is steeds weer: wat ík ervan vind, hoe ík denk dat het moet.’

]]>

Willem Breuker in 1993 (ANP) Beeld
Willem Breuker in 1993 (ANP)

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden