Musicoloog ontpopt zich tot misdaadverslaggever

Tijdens onderzoek naar de muziekrooftochten van de nazi’s stuitte Willem de Vries op het bestaan van een Rubinstein-kist. Een deel van de inhoud van die kist wordt nu teruggegeven....

‘Wonderbaarlijk als je nagaat wat een tocht over de aardbol die bezittingen van Artur Rubinstein gemaakt hebben’, zegt Willem de Vries. ‘Veel stukken werden gecomponeerd in Zuid-Amerika. Rubinstein nam ze mee naar Europa. De Duitsers stalen ze uit Parijs. In Berlijn werden ze wéér gestolen en als oorlogsbuit naar Moskou gebracht, toen weer ‘teruggegeven’ aan de toenmalige Sovjetsatellietstaat Oost-Duitsland, en toen werd het na de val van de Muur weer vanzelf Duits bezit. En nu gaat het dan terug naar Amerika.’

De Vries is een musicoloog die zich ontpopt heeft als misdaadverslaggever. Onderzoek naar het werk van de componist Darius Milhaud bracht hem ertoe zich te verdiepen in de massale muziekrooftochten die de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog ondernamen in bezet gebied – in Parijs, in Amsterdam en elders. Bezittingen van gedeporteerde of gevluchte joodse componisten en musici vormden het belangrijkste doelwit.

De Vries schreef al eens een boek over die rooftochten, Sonderstab Musik. Het vertelde over treinen vol piano’s en harpen, over een beoogd Hitlermuseum in Linz dat een onderafdeling moest krijgen met joodse en ‘entartete’ kunst, over nazi’s die zelf materiaal verdonkeremaanden. Het bracht het démasqué van een befaamde Duitse hoogleraar, die als jonge musicoloog aan de rooftochten had meegewerkt.

Hoewel De Vries onlangs met pensioen is gegaan, zit hij niet stil. Binnenkort zullen in New York de nazaten van de grote Pools-Amerikaanse pianist Artur Rubinstein (1887-1982) zo’n zeventig muziekstukken in ontvangst nemen die eens aan hun vader hebben toebehoord. Stukken die zonder het speurwerk van De Vries nooit boven water zouden zijn gekomen. Compleet is die collectie niet. Het is het restant van wat een hele kist vol moet zijn geweest. Een paar topstukken, waaronder het originele handschrift van Stravinsky’s Piano Rag Music, liggen nog altijd in Moskou.

Dat was ook de plaats waar De Vries in 2000 op het spoor kwam van een aantal miserabele details. De Vries hield in Moskou een lezing over roofkunst, en kreeg een tip dat er wel eens een collectie Beutemusik kon liggen in het Glinka Museum. Met hulp van een Russisch sprekende collega wist hij na veel vijven en zessen inzage te krijgen in een kaartenbak die over muziekhandschriften ging.

‘We mochten eigenlijk helemaal niets’, vertelt hij. ‘Ook geen fotokopieën maken, dus ik heb alleen opgeschreven wat we vonden. Dat waren zo’n honderdzeventig titelkaartjes van muziekhandschriften uit voormalig Duits bezit – van alles, componisten als Johann Christian Bach, Galuppi, Hasse en Lully. Maar daartussen zaten ook zeven stukken waarvan op het kaartje stond: ‘Artur Rubinstein’.

‘Dat is natuurlijk een rare combinatie. We stuitten op titels van Szymanovski en Dukelski, de Six impromptus van Francis Poulenc, en ten slotte de Piano Rag Music van Stravinsky. Toen ben ik naar de dame gegaan die dat beheerde, en heb gevraagd: ‘Kan ik dit niet even zien?’ Ze schrok zich wezenloos. Zo erg dat ze zei: ‘Nee. Maar maak uw werk maar snel af.’ Ze wisten zelf niet dat ze Stravinsky, tenslotte toch ooit een Rus, in huis hadden.’

Kort daarna bracht De Vries de Stiftung Preussischer Kulturbesitz in Berlijn op de hoogte. Dat is de instantie die alle Duitse muziekbibliotheken overkoepelt. Er volgden drie jaar van onderhandelingen met Rusland om toegang tot de collectie te krijgen. Met als uiteindelijk resultaat dat een vierkoppige ‘Duitse’ delegatie, waaronder de Vries, de manuscripten mocht komen inventariseren.

De Vries: ‘Er werd niet over teruggave gesproken. Dat moest op een heel ander niveau. Maar we hebben daar in mei 2003 in vijf dagen alles doorgenomen. Toen we de zaak in kaart hadden, mocht ik bij wijze van uitzondering de titelbladen van die zeven ‘Rubinstein’-composities fotograferen.

‘Het ging om stukken die aan Rubinstein waren opgedragen. Ik wist dat zijn inboedel in 1940 door de nazi’s uit zijn Parijse appartement is gestolen en naar Berlijn is gebracht. Daar is het in 1945 weggesleept door de Russen. Ik heb een Russische transportlijst met kisten gevonden. Eén was er gemerkt met RUBIN. Daar moet natuurlijk veel meer in hebben gezeten dan die zeven manuscripten.’

Meer duidelijkheid kwam een jaar later. De Vries had contact opgenomen met Eva, Alina en Johnny Rubinstein, de inmiddels bejaarde dochters en zoon van de pianist. De Vries veronderstelde dat de Amerikaanse ambassade in Moskou hen wellicht zou kunnen helpen om de muziek – hun rechtmatige bezit – terug te krijgen.

In september 2004 werd hij gebeld door Dr. Helmut Hell van de Staatsbibliothek zu Berlin, met wie hij in Moskou was geweest. Hell meende in die voormalige DDR-bibliotheek iets gevonden te hebben. Zo’n zeventig stukken, waaronder een aantal met handgeschreven opdrachten aan Rubinstein. ‘Dat moest wel iets om het lijf hebben.’

De Vries: ‘Vermoedelijk was het zo gegaan. In de jaren vijftig was er in Rusland een zogenaamde ‘salvation period’, waarin ze éindelijk zijn gingen inventariseren wat er allemaal in de oorlog uit Duitsland was meegenomen. Uit de Rubinsteinkist – of wat daarvan over was – hebben ze toen de ogenschijnlijk duurste stukken achtergehouden, en de rest als gebaar van vriendschap aan de DDR ‘teruggegeven’. Zo is het in Oost-Berlijn terechtgekomen, dat in 1989 automatisch ‘Berlijn’ werd.’

De Russische taxatie is op zijn minst slordig verricht. Veel stukken die De Vries in de vroegere DDR-bibliotheek aantrof zijn van minor composers, maar er zitten ook grote namen tussen: George Antheil, Joaquin Rodrigo, Germaine Tailleferre, Heitor Villa-Lobos en Stefan Wolpe. ‘Naast Villa-Lobos zitten er ook veel andere Zuid-Amerikaanse componisten bij. De Vries: ‘Rubinstein maakte in de jaren twintig en dertig bijna jaarlijks een tournee door Zuid-Amerika. Componisten gaven hem stukken in de hoop dat hij die zou uitvoeren. Het aardige is dat Rubinstein in zijn autobiografie zijn concertreizen beschrijft, dus ik kon veel van die stukken daar aan de hand van de datum en plaats al mee in verband brengen.’

De Vries vindt dat er ‘snoepjes’ tussen zitten. ‘Het vormt ook een mooie afspiegeling van Rubinsteins concertreizen in de periode 1916-1936.’ Als de collectie eenmaal weer in handen komt van de rechtmatige bezitters, naar verwachting eind deze maand, is het verhaal wat hem betreft nog niet voorbij. Hij gaat er nader op studeren, en heeft met de pianist Marcel Worms het plan opgevat een selectie op cd te zetten.

En die zeven stukken in het Glinka Museum? ‘Dat is onbegonnen werk’, vindt De Vries. ‘Daar speelt nog steeds de controverse tussen Rusland en Duitsland mee. Rusland zegt: ‘Geven jullie eerst maar terug wat jullie van ons hebben gepikt.’ Dus dat komt niet terug. Ja, misschien als de familie Rubinstein er op persoonlijke titel achteraan gaat. Maar die mensen zijn al op jaren. Er komt nu dan wel een officiële overhandiging van een ‘Duits’ deel van de collectie, maar ze hadden het ook best gevonden om die stukken gewoon per post thuisgestuurd te krijgen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden