Museumbouwers met een andere inslag

In de kunstwereld is een stille revolutie aan de gang: kapitaalkrachtige particulieren richten hun eigen museum op. Wie zijn zij? En wat zijn hun motieven?

Het Pinchuk museum in Kiev. Beeld Serhii Illin

Ze hebben het geld, de spraakmakende kunst en het door een toparchitect ontworpen museum. Wereldwijd openden in de afgelopen tien jaar meer dan 150 particuliere musea voor moderne en hedendaagse kunst. Hun budgetten lopen uiteen van enkele miljoenen tot meer dan een miljard euro voor gebouw, inhoud en medewerkers. Dit blijkt uit een inventarisatie van de Volkskrant.

In het verleden schonken vermogende kunstliefhebbers hun kunstwerken of geld vaak aan een publiek museum. Nu richt een aantal van hen een eigen museum op. De ontwikkeling valt samen met de groei van het aantal mega-vermogenden in de wereld, van multimiljonairs tot miljardairs. Ook een aantal internationale ondernemingen opent een museum.

De opmars van de private kunsthuizen beleeft komende week een voorlopig hoogtepunt - op kunstbeurs Art15 in Londen - met de oprichting van een eigen museumnetwerk. De World Private Museum Association, met leden van Shanghai tot Miami, wil de kunstwerken en tentoonstellingen van haar leden laten rouleren over alle continenten.

Julia Stoschek Collection in Düsseldorf. Beeld .

Particulieren

'De 20ste eeuw was de eeuw van het publieke museum voor de kunst, de 21ste eeuw is de eeuw van het particuliere museum', zegt Philip Dodd, initiatiefnemer van de Association en cultureel adviseur. 'In het Westen blijven we maar denken dat het model van het publieke museum zich over de wereld zou verspreiden, als vanzelfsprekende vorm van beschaving. Maar zelfs in Europa verandert de scene nu snel. De private sector veroorzaakt de dynamiek.'

Het particuliere museum is geen nieuw fenomeen. Veel publieke musea zijn ooit gesticht door particulieren, zoals in Nederland Museum Kröller-Müller. In de loop van de 20ste eeuw trok de overheid de rol van hoeder van de kunst steeds meer naar zich toe. Bezuinigingen op museumsubsidies in veel landen vallen nu samen met de nieuwe golf van particulier initiatief.

De publieke musea lijken nog te moeten wennen aan de nieuwe verhoudingen in de kunstwereld. In toekomstbeschouwingen van de Nederlandse Museumvereniging, de Nederlandse raad voor Cultuur en de internationale museumvereniging ICOM wordt weinig aandacht besteed aan de nieuwkomers. Toch komen hier en daar al publiek-private samenwerkingsverbanden van de grond.

Fondation Louis Vuitton in Parijs. Beeld AFP

Wantrouwen

Bij de 'publieken' werd doorgaans met enig wantrouwen of minachting gesproken over de private initiatieven, zeggen betrokkenen bij de particuliere musea. De 'privaten' zouden geen lang leven zijn beschoren of 'museumpje' willen spelen. Die houding is aan het kenteren. Ook lijken particuliere musea zich vooralsnog goed staande te houden. Vaak hebben ze een flink kapitaal meegekregen om ook na het overlijden van de oprichter te blijven bestaan, zoals het Amerikaanse Menil museum (1987) en het Zwitserse Beyeler museum (1997).

Soms hebben financiële problemen van de stichter gevolgen voor diens museum. Nederland kent het debacle met het museum voor realisme in Spanbroek, van DSB-bankier Dirk Scheringa. In Oostenrijk werd vorig jaar een belangrijk deel van de collectie van het Essl museum naar de veiling gebracht, vanwege problemen bij de bouwmarkten van oprichter Karlheinz Essl.

Voor het Volkskrant-onderzoek is gesproken met onder anderen stichters van private musea, kenners van de museumwereld en kunsthandelaren. De meer dan 150 private musea in de telling opereren zonder financiële steun van een overheid. Ze kennen geen winstoogmerk en hebben een belangwekkende collectie, wisselende tentoonstellingen en vaste openingstijden voor het algemene publiek.

De lijst zou tientallen namen langer zijn geweest als particuliere musea zouden zijn meegeteld die wel een bijdrage kregen van de overheid. Het Pérez Art Museum Miami , het Buchheim Museum in Beieren en het Berardo Museum in Lissabon zijn hiervan voorbeelden.

The Broad in Los Angeles. Beeld AP

Eli Broad (81)

Museumbouwer type 1
De ondernemer op leeftijd

Maak je fortuin en begin een museum. De Amerikaan Eli Broad (81) verdiende miljarden met bedrijven in de huizenbouw, levensverzekeringen en pensioenbeleggingen. Hij gaf al meer dan een miljard euro aan kunst- en muziekinstellingen aan de Amerikaanse westkust. Eind september van dit jaar opent hij zijn museum The Broad in Los Angeles, een gebouw van 125 miljoen euro met 11 duizend vierkante meter tentoonstellingszaal. De immigrantenzoon, selfmade als ondernemer, wil met zijn filantropische activiteiten 'iets teruggeven aan de maatschappij'.

The Broad krijgt een bruidschat mee van enkele honderden miljoenen dollars en een kunstcollectie van zo'n tweeduizend werken van kunstenaars als Jeff Koons, Robert Rauschenberg, Ed Ruscha en Cindy Sherman. Pijnlijk detail voor de publieke musea in de stad: The Broad zal wél gratis toegankelijk zijn. Ook op die manier wordt The Broad dus een geduchte concurrent van het het Museum of Contemporary Art en het Los Angeles County Museum of Art (LACMA). Beide musea kregen overigens van Eli Broad eerder miljoenenschenkingen. Het LACMA kreeg van hem alleen al in 2003 ruim 50 miljoen euro.

Andere voorbeelden van ondernemers met een nieuw museum zijn de Indonesische tabaktycoon Oei Hong Djien (1939) die wil doen wat de overheid volgens hem nalaat; zorgen voor de hedendaagse Indonesische kunst. Hij blijft zijn OHD museum in Magelang op Java uitbreiden, in 2012 kwam er een derde gebouw bij. Volgens Oei Hong Djien, die als arts deels in Nederland werd opgeleid, is het in zijn land 'aan verzamelaars als ik om de kunst te redden'. In Brazilië runt mijnbouwmagnaat Bernardo Paz (64) het museum Inhotim, een kunstlandgoed van 600 hectare. Met 1.300 medewerkers kost het museumpark zo'n 8 miljoen euro per jaar.

Eli Broad. Beeld EPA

Victor Pinchuck (54)

Museumbouwer type 2
De imagobouwer

Ieder museum is imago, maar voor sommige oprichters meer dan voor anderen. Staalmagnaat Victor Pinchuck (54) begon zijn museum in Kiev in Oekraïne in 2006 op advies van een Franse pr-firma, zo meldden anonieme bronnen aan een aantal kranten. De familie heeft al jaren last van negatieve pers. Zijn schoonvader Leonid Kuchma, oud-president van het land, wordt achtervolgd door geruchten over betrokkenheid bij moord, intimidatie en fraude. Een rol als kunstmecenas zou de wind doen keren.

Pinchuck, volgens Forbes goed voor 3,2 miljard euro, is liefhebber van ster-kunstenaars als Jeff Koons en Damien Hirst, van wie hij voor tientallen miljoenen euro's werken kocht. Tijdens de gewelddadige protestacties in Kiev eind 2013 ging in zijn nabijgelegen Art Centre gewoon de tentoonstelling open van de Belgische kunstenaar Jan Fabre. 'Schoonheid zal de wereld redden', verklaarde Pinchuk.

Het kunstmecenaat houdt niet iedereen uit de problemen. De Zwitser Stephan Schmidheiny (67) nam van zijn vader Eternit over, een bouwmaterialenconcern dat vaak in opspraak was. Het centrum voor Latijns-Amerikaanse kunst van de familie verhuisde in 2013 van Zürich grotendeels naar Rio de Janeiro. In een voormalig weeshuis (een project van 30 miljoen euro) werd museum Casa Daros geopend. Schmidtheiny was toen al verwikkeld in een proces wegens nalatig bestuur bij de asbestfabriek van Eternit. Hij werd veroordeeld tot een celstraf van 18 jaar, maar hoeft de straf niet uit te zitten. Vorige week werd bekend dat Casa Daros de deuren sluit en 'een nieuwe koers gaat varen'.

Victor Pinchuk. Beeld AFP

Julia Stoschek (39)

Museumbouwer type 3
De erfgenaam

Erfgenamen van grote vermogens, bijvoorbeeld uit familiebedrijven, zijn ruim vertegenwoordigd onder de stichters van een particulier museum. Met meer tijd om handen dan ondernemers-museumbouwers zijn zij vaak internationaal actief. Duitsland heeft bijvoorbeeld museum Julia Stoschek Collection, van een achterkleindochter van de oprichter van Brose, een fabrikant van auto-onderdelen. De gewezen paardrijkampioene Julia Stoschek (39) heeft haar museum voor hedendaagse kunst gevestigd in oud-fabrieksgebouw in Düsseldorf en zit in besturen van onder meer de musea Tate Londen en MOMA New York.

Even internationaal is de Zwitserse Maja Hoffmann, een van de erfgenamen van het farmaceutica-concern Hoffmann-La Roche. Zij is bezig met de bouw van het LUMA Arts Centre in het Franse Arles, een soort cultureel dorp met een hoofdgebouw van architect Frank Gehry. Zij zetelt in het bestuur van onder andere Tate in Londen, het Palais de Tokyo in Parijs en de Kunsthalle Zürich. Haar LUMA stichting financiert kunstprojecten over de hele wereld. Beatrix Ruf, directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam, is een van haar adviseurs.

In Parijs opende Antoine de Galbert (59), erfgenaam van de grootgrutters achter Carrefour, La Maison Rouge - een museum waar hij onafhankelijke tentoon-stellingmakers carte blanche geeft. Die krijgen daarbij doorgaans toegang tot privécollecties van bekenden van De Galbert.

In Mexico City ging twee jaar geleden Museo Jumex open, van Eugenio Lopéz Alsonso, erfgenaam van Jumex, de grootste sapfabrikant van Mexico. Het opvallende gebouw, ontworpen door de Britse architect David Chipperfield, zou ruim 40 miljoen euro hebben gekost en herbergt naar verluidt de grootste collectie hedendaagse kunst van Zuid-Amerika.

Julia Stoschek. Beeld EPA

Bernard Arnault (65)

Museumbouwer type 4
Het luxe concern

Elektronicaconcern Samsung heeft er een in Zuid-Korea, Deutsche Bank in Berlijn, de bank Santander in Spanje en de Duitse schroevenfabrikant Würth heeft zelfs een reeks eigen kunstmusea. Een aparte afdeling van de bedrijfsmusea zijn de fabrikanten van luxe artikelen als mode, parfums en horloges.

Bernard Arnault (65), eigenaar van de groep LVMH, opende in Parijs het museum Louis Vuitton, in een gebouw van architect Frank Gehry. Daarmee stak hij zijn grote concurrent de loef af, François Pinault (78) en diens groep Kering. Ook Pinault wilde een eigen museum in Parijs, maar week uit naar Venetië vanwege de hardnekkige Franse bureaucratie. Daar opende hij wel twéé musea.

De groep Cartier had in Parijs al een museum, net als modehuis Max Maraergens tussen Parma en Bologna. Prada opende vorige week in Milaan een museum in een voormalige fabriek. Opvallend: een deel is bekleed met 24-karaats bladgoud.

Waar andere bedrijven hun musea betitelen als vorm van maatschappelijke verantwoordelijkheid, relatiemarketing of als hobby van de grootaandeelhouder, lijkt dat bij de luxemerken net anders te liggen. Zij verbinden hun producten graag nadrukkelijk met de hogere kunsten, als kostbare, maar kennelijk lonende reclamecampagne. De bouw van de Fondation Louis Vuitton pour la Création kostte Arnault circa 100 miljoen euro, de kunst enkele honderden miljoenen (omzet LVMH in 2013: 29 miljard euro). Die investering kan ook de herinnering doen vervagen aan de negatieve publiciteit over zijn zakelijke tactieken.

Bernard Arnault. Beeld Reuters
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden