Musea maakten zich gretig meester van oorlogskunst

De Nederlandse overheid haalde na de oorlog voor ruim 14 miljoen gulden aan geroofde kunst terug uit Duitsland. Om dit herwonnen kunstbezit vedrongen zich al snel gegadigden: vroegere eigenaren of erfgenamen daarvan, museumdirecteuren, politici en veilingmeesters....

WIE IN de catalogi van toen kijkt, ziet het in één oogopslag: de tentoonstellingen waren schitterend, een triomf van Nederlandse verzameldrift. In musea in Amsterdam, Utrecht, Den Haag en Eindhoven, en in het net geopende stadhuis in Heerlen, was in 1946 en 1947 te zien wat voor kostbaarheden Nederlandse verzamelaars voor de oorlog aan de muur hadden hangen en in huis hadden staan.

Wat de schilderijen betrof: die dateerden van de late middeleeuwen tot en met de achttiende eeuw. Italiaanse meesters hingen naast Duitse primitieven, Vlaamse barokschilders bij meesters uit de Gouden Eeuw, renaissanceschilders naast achttiende-eeuwse Fransen. Al die meesterwerken hadden niets anders met elkaar gemeen dan dat ze uit Nederlands bezit stamden, in de oorlog door de nazi's waren geroofd, na de oorlog door de geallieerden in Duitsland waren opgespoord en door de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) naar Nederland waren teruggevoerd.

De tentoonstellingen 'Herwonnen kunstbezit' waren daarom tegelijk ook een triomf voor deze overheidsstichting. De SNK was in de eerste twee naoorlogse jaren in staat geweest ruim 80 procent van het vermiste museale kunstbezit te 'herwinnen' voor Nederland. Aan het hoofd van de stichting stond de directeur van het Mauritshuis A.B. de Vries. Voorzitter van de Raad van Beheer was de directeur van het Rijksmuseum D. Roëll. Het waren de 'topjaren' van de recuperatie, waarin voor ruim 14,7 miljoen gulden (vooroorlogse taxaties) aan kunst werd teruggevoerd. Hieronder zaten ruim 2100 schilderijen.

In een afsluitend rapport over de recuperatie, dat de opvolger van de SNK - het Bureau Herstelbetalings- en Recuperatiegoederen - in 1952 opmaakte, stond dan ook dat de SNK haar eerste taak, het terugvoeren van oorlogskunst naar Nederland, voorbeeldig had vervuld. De tweede taak van de SNK, het teruggeven van oorlogskunst aan voormalige eigenaren, gaf minder aanleiding tot vreugde.

Volgens de financiële overzichten in dit rapport zou slechts voor 1,7 miljoen gulden aan kunstvoorwerpen zijn teruggegeven aan vroegere eigenaren. Dat is 12 procent van de totale waarde aan terug naar Nederland gevoerde kunst. Twee jaar daarvoor constateerde ook de Raad van Beheer van de indertijd al in liquidatie verkerende SNK ook zélf al dat tot oktober 1948 'maar zeer weinig goederen aan gedepossedeerde eigenaren zijn teruggegeven.' Vorige week werd bekend dat de Nederlandse overheid nog 3709 oorlogskunstwerken in bezit heeft, waarvan 1492 schilderijen.

De twee belangrijkste vragen die deze gegevens oproepen is: waarom is na de oorlog maar zo weinig kunst teruggegeven aan oude eigenaren, en waar is die oorlogskunst naartoe gegaan?

Het antwoord is voor een deel te vinden in de administratieve puinhoop die de SNK was. Dat concludeerde een accountantsbureau in 1949 naar aanleiding van een tegen de directeur van de SNK aangespannen fraudezaak. Inventarisnummers bleken na onderzoek niet te kloppen, er bestonden meerdere beschrijvingen van dezelfde schilderijen, en in de depots ontbraken nogal wat 'nummers'. Toch was deze wanorde niet de voornaamste reden voor het feit dat de SNK haar tweede taak zo weinig aandacht gaf.

De voornaamste reden, blijkt uit onderzoek in het archief van het ministerie van Financiën en het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, was dat de houding binnen de SNK terrein won dat de herwonnen kunstschatten eigenlijk als eigendom van het Nederlandse volk konden worden beschouwd. Leefde na de oorlog nog wel het besef dat de stichting deze kunst slechts in beheer had - in afwachting van rechtmatige eigenaren die hun claims indienden -, naarmate de jaren verstreken werd dit beheer van de oorlogskunst steeds meer als een bezit gevoeld. Net zoals bij een langdurig bruikleen het geval is.

De manier waarop de SNK de exposities met herwonnen kunst organiseerde, de manier waarop claims werden afgehandeld en kunstvoorwerpen verdeeld, is illustratief in dit verband. De tentoonstellingen waren in eerste instantie bedoeld om oude eigenaren in de gelegenheid te stellen hun bezittingen te herkennen en te reclameren. Toch vind je van deze intentie in de voorwoorden van de verschillende catalogi niets terug. SNK-leden spreken van het goede werk dat de geallieerden en de SNK hebben gedaan voor de recuperatie en sporen een enkele keer lezers aan aangifte te doen van vermiste kunst.

'Alleen door een juiste en volledige opgave van het verdwenen kunstbezit', schrijft J.G. van Gelder, bestuurslid van de SNK en directeur van het Mauritshuis, 'kan bereikt worden dat de verliezen enigermate worden hersteld en dat - voorzover onherstelbaar - ons land straks zijn rechten kan doen gelden op de rechtmatige vergoeding van de geleden culturele schade.'

0 ET IS 'ons land' dat rechten kan doen gelden, niet de oude eigenaar. Met geen woord werd er in de catalogi gerept over de uitgebreide bewijsprocedure die particulieren moesten volgen als ze een claim wilden indienen. Men moest namelijk aan de hand van foto's of getuigenverklaringen bewijzen dat een schilderij ooit familiebezit was. Ontbraken deze bewijzen, dan moest men de schilderijen nauwkeurig kunnen omschrijven.

'Tot mijn spijt moet ik u meedelen', schrijft de directeur van de SNK aan een afgewezen rechthebbende, 'dat ik het uit Duitsland teruggevoerde schilderijtje door Leickert 'Straat met kerk', die op de laatstgehouden tentoonstelling in het Rijksmuseum in Amsterdam als uw voormalig eigendom werd herkend, niet als uw voormalig eigendom kan erkennen. Een door mij ingesteld onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat de maten van dit schilderijtje bedragen 21 x 16 cm, terwijl u opgeeft 27,5 bij 21 cm.'

Veel gemakkelijker hadden de museumdirecteuren het. Zij kregen van de SNK een uitnodiging voor de tentoonstellingen, kregen lang van tevoren catalogi en inventarislijsten van de stichting opgestuurd, met het verzoek beargumenteerde 'wenslijsten' op te stellen van oorlogskunstwerken die ze in bruikleen wilden krijgen. Nog voordat particulieren de schilderijen dus hadden gezien, voordat nog maar überhaupt bekend was of een schilderij werd opgeëist of niet, werd al over verlanglijsten en verdeling van het kunstbezit over de Nederlandse musea gesproken.

De meeste Nederlandse museumdirecteuren sprongen ook gulzig op de SNK-collectie. Uit correspondentie blijkt dat er ruzie werd gemaakt om schilderijen en dat er door sommigen ongegeneerd grote verlanglijsten werden opgesteld. Vooral voor provinciale musea als die in Eindhoven, Maastricht en Groningen was het een ongekende kans om de eigen, beperkte collectie te verrijken met kunstwerken waarvan men tot voorheen alleen maar had kunnen dromen.

Zo diende Groningen heel koelbloedig een lijst in waarin niet alleen Groningse schilders waren opgenomen, maar waarin ook werd aangedrongen 'op de verwerving van enkele 17de-eeuwse meesters, die nu nog ontbreken in de collectie.'

De directeur somde op wat hij nodig vond: Frans Hals, Jan Steen, Adriaan Brouwer, Van Ostade, Rembrandt, Ter Borch, Cuyp, Aert de Gelder, Philips Koninck, Nicolaes Maes, Gabriël Metsu, Aert van der Neer, Jacob en Salomon Ruysdael, Potter, Roeland Saverij, Teniers, Esaias van de Velde, Vermeer. Ook vroeg hij enkele belangrijke stukken uit de vijftiende en zestiende eeuw, waaronder Cranach en Breughel, goede stukken van de Haagse School, en wat representatieve schilderijen van na die tijd. In totaal besloeg de keuzelijst van Groningen 74 schilderijen.

H.E. van Gelder, directeur van het Haags Gemeentemuseum en lid van de Adviescommissie van de SNK, stelde de uiteindelijke bruikleenverdeling vast in 1948. Roëlls' Rijksmuseum - het enige museum overigens waarvan geen 'wenslijst' in de archieven te vinden is - kreeg de meeste en kostbaarste schilderijen. Museum Boijmans in Rotterdam kwam op de tweede plaats, gevolgd door het Mauritshuis, waar A.B. de Vries, de directeur van de SNK, aan het hoofd stond.

Wat niet in bruikleen naar musea ging, werd uitgeleend aan ministeries en ambassades. De rest van het herwonnen kunstbezit werd verkocht, op grote veilingen die tussen 1949 en 1952 gehouden werden. De opbrengsten daarvan vloeiden naar de schatkist.

De teneur binnen de SNK was dat Nederland 'recht' had op het herwonnen kunstbezit. Daarom schrijft de voorzitter van de adviescommissie, E. Heldring, in augustus 1946: 'Het begrip ''rechtvaardig'' lijkt mij geen goede basis voor een verdeling (van kunstwerken) en geschikt om veel misverstand teweeg te brengen. Waar het om gaat is dat de plaatsing (van kunstwerken in musea) zo goed mogelijk aan de eisen, vanuit nationaal oogpunt bezien, beantwoordt.'

0 E SFEER binnen de SNK is door buitenstaanders wel omschreven als 'betoverd' en als een 'broekzak-vestzak'-affaire. In de directie, de Raad van Beheer en de Commissie van Advies van de stichting zaten museumdirecteuren, kunsthistorici, kunsthandelaren, ambtenaren, captains of industry, juristen en rijke verzamelaars. Men kende elkaar uit de museale, industriële en Haagse wereld. In de SNK zaten geen vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap.

Men was onderling bereid een en ander door de vingers te zien. Zo mocht de Rotterdamse havenbaron D.G. van Beuningen, die ook in de adviescommissie van de SNK zat, na de oorlog voor 268 duizend gulden 18 schilderijen terugkopen die hij in de oorlog voor anderhalf miljoen aan Hitler had verkocht. Daaronder bevonden zich een Watteau (de enige in Nederland, nu in museum Boijmans van Beuningen), een Goya en twee landschappen van Pater. Niemand eiste toen van Van Beuningen dat hij hetzelfde bedrag als hij in de oorlog voor de schilderijen had gekregen, nu in de kas van de SNK zou storten, zoals gebruikelijk was bij andere gevallen van vrijwillige verkoop.

Na zijn dood werd de hele collectie Van Beuningen verkocht aan museum Boijmans, inclusief de 18 schilderijen. De prijs voor deze transactie bedroeg 18 miljoen. Het museum betaalt naar het schijnt dit bedrag nog steeds aan de bank af.

Met medewerking van Otto Spronk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden