Beschouwing Vernieuwde invulling musea

Musea hebben te lang met hun rug naar de wereld gestaan en zijn bezig aan een inhaalrace

Beeld Getty Images

Na de verbouwing heeft het Museum of Modern Art in New York meer ruimte gemaakt voor vrouwelijke en niet-westerse kunstenaars. Het is tekenend voor de inhaalrace die de kunstwereld voert om weer maatschappelijk relevant te zijn. 

Een rehang heette het te zijn. Maar een eenvoudig herschikking van voorwerpen, als bij een groentekraam op maandagochtend, is het in het Museum of Modern Art (Moma) niet geworden. Het hele assortiment schilderijen en beelden werd aan de West 53rd Street in New York tegen het licht gehouden en zo nodig vervangen. 

Afgelopen week opende het museum na vier maanden verbouwen weer de deuren, en het werd gelijk duidelijk wat de grondige herbezinning had opgeleverd: meer nadruk op vrouwen en kunstenaars met een niet-westerse achtergrond, en het loslaten van de lineaire kunstgeschiedenis ten faveure van een thematische, meer verhalende ordening.

De rehang in het ‘nieuwe Moma’, toch het oudste en bekendste museum van moderne kunst ter wereld en een voorbeeld voor veel collega-musea, staat niet op zich. De afgelopen paar jaar is de hele museumwereld aan een inhaalrace begonnen, om de collecties en tentoonstellingen beter te laten aansluiten bij de discussies over vrouwen, culturele minderheden, kolonialisme en gender. 

Zo wilde de Tate Modern in Londen twee jaar geleden met de tentoonstelling Art in the Age of Black Power in één klap de achterstelling van donkere kunstenaars rechtzetten. Dit najaar besteedt het vooruitstrevende Sharjah Art Museum, in de Golfstaat Sharjah, aandacht aan ‘vergeten vrouwelijke kunstenaars’ uit het Midden-Oosten. Volgend jaar wijdt het Baltimore Museum twintig tentoonstellingen aan ‘today’s leading, female-identifying artists’. 

De museumwereld wil zich blijkbaar onderwerpen aan een ingrijpende reiniging van het eigen imago, dat inderdaad wel iets te vanzelfsprekend is gebaseerd op de kortzichtige, eenzijdig westerse manier waarop er naar het museum en de kunstgeschiedenis is gekeken. 

Hoog tijd dus voor een grote detox, een alomvattend ethisch reveil. Ook in Nederland.

Hoe is het anders te verklaren dat kunstcentrum Witte de With niet langer naar een ‘foute zeeheld’ wil worden vernoemd? Dat het Stedelijk in Amsterdam begin dit jaar plots besloot zich van het macho-imago te ontdoen en ‘extra in te zetten op vrouwelijke kunstenaars’? Het Amsterdam Museum niet meer de term ‘Gouden Eeuw’ wil hanteren? Dat een aantal musea koloniale roofkunst wil retourneren aan de rechtmatige eigenaar?

De nieuwe aandacht voor een andere, meer eigentijdse aanpak was vorige maand aanleiding voor een grootscheepse museumbijeenkomst in Kyoto. Drieduizend museumafgevaardigden uit de hele wereld kwamen daar bij elkaar om over een, blijkbaar al 70 jaar bestaande functieomschrijving te discussiëren. Voorgestelde verandering: dat het museum niet langer materieel en immaterieel erfgoed moet ‘verwerven, conserveren, onderzoeken, presenteren en documenteren’, zoals de huidige definitie luidt. In plaats daarvan zouden de musea zich meer moeten richten op ‘democratisering’ en ‘inclusiviteit’, op ‘meerstemmigheid’ en het ‘erkennen en behandelen [van] hedendaagse conflicten’. Uiteindelijk doel: ‘Gelijke toegang tot erfgoed voor alle mensen [...] en het welzijn van de planeet.’

Gezien de alomvattendheid van het voorstel, was het misschien niet verwonderlijk dat de drieduizend ingewijden er niet uit zijn gekomen – ondanks twee jaar voorbereiding en een week lang vergaderen. Maar wat je hiervan inhoudelijk ook mag vinden, duidelijk is wel: de musea zijn in beweging. En niet zo’n beetje ook. 

De grote vraag is: hoe kan het museum gelijke tred houden met de maatschappelijke ontwikkelingen in de wereld eromheen? De Egyptisch-Britse schrijver Ahdaf Soueif, voormalig trustee van het British Museum opperde onlangs dat het museum een antwoord moet hebben op de kwesties als ‘klimaatverandering, virulente en toenemende ongelijkheid, overblijfselen van kolonialisme, onzekerheid over democratie, burgerschap en mensenrechten’. 

2019 lijkt een cruciaal jaar te worden als het gaat om het verwezenlijken van deze nieuwe voornemens: de musea ‘inclusiever’, ‘diverser’ en ‘toegankelijker’ maken, met meer respect voor kunstenaar en bezoeker. Iedereen moet bij de kunst en het museum betrokken raken; niemand mag worden uitgesloten, en zeker geen minderheden die tot nu toe weinig of niet zichtbaar zijn geweest in het museumgebouw. 

De morele herbezinning geldt niet alleen voor de eurocentrische blik. Het geldt bijvoorbeeld ook voor kapitaalkrachtige, maar foute sponsoren. Zo werd de Amerikaanse Sackler-familie, sponsor van musea als het Metropolitan en het Guggenheim in New York, dit jaar (mede door fotograaf Nan Goldin) aan de schandpaal genageld door de handel in de hyperverslavende pijnstiller OxyContin. In het Verenigd Koninkrijk worden de donaties aan musea (een kleine 200 miljoen euro per jaar) doorgelicht dankzij protesten tegen ‘giftige filantropie’, zoals die van olieconcern BP en de wapenindustrie.

Bovendien heeft deze herijking grote gevolgen voor het dagelijkse functioneren van de musea. Belemmert een te hoge drempel niet de toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers? Wat te doen met de slechthorende en blinde museumbezoeker? Is het museum wel geschikt genoeg voor alzheimer-patiënten? Dementerende ouderen? Mag een directeur wel nauwe banden hebben met een specifieke verzamelaar; een bestuurslid iets uit zijn collectie in ‘zijn’ museum laten ophangen?

Blijkbaar zijn de musea wakker geworden. En je kunt niet anders zeggen: het werd hoog tijd. Al in de jaren tachtig protesteerden de Guerrilla Girls tegen het lage percentage (5 procent) van vrouwelijke kunstenaars in de collectie van het Moma. Donkere kunstenaars zagen zich al langere tijd ondervertegenwoordigd. Hoe lang ‘zeurt’ Griekenland al niet om de teruggave van de Elgin Marbles uit het British Museum?

Je vraagt je waarom de musea zoveel decennia hebben getreuzeld.

Lange tijd werd de kunst gedomineerd door de vraag ‘hoe’ iets werd geschilderd, gefotografeerd, gehakt, gefilmd en gemodelleerd. De afgelopen eeuw stond in het teken van modernisme. Van de artistieke avant-garde. Een nieuwe beeldtaal. Van ontwikkelingen die vanuit het 19de-eeuwse realisme de 20ste-eeuwse abstractie in waren gekatapulteerd. U kent de tekening misschien wel: van een boom die zich, vanuit het impressionisme, vertakt in richtingen als surrealisme, kubisme, abstract expressionisme, pop-art, op-art, noem maar op.

Wie die makers waren, wie de consumenten, wie de verzamelaars en critici, de galeriehouders en museumdirecteuren, waar ze vandaan kwamen en met welke achtergrond, was van ondergeschikt belang. Of het was eigenlijk gewoon duidelijk: westerse mannen van middelbare leeftijd, met een witte huid en een bovengemiddelde intelligentie. Kortom, een klein percentage van de hele wereldbevolking.

Het gold ook voor de manier waarop er tegen de hele kunstgeschiedenis werd aangekeken. Dat die weliswaar in het niet-westerse Mesopotamië en Egypte was begonnen, maar daarna, in Griekenland en het Romeinse Italië pas echt tot bloei kwam. Dat de kunst tijdelijk even kort instortte in de Middeleeuwen, om vervolgens haar bloei voort te zetten met de lumineuze schatten uit de renaissance en barok, de rococo en het realisme – allemaal producten van westerse makelij. Veelal gebaseerd op het l’art pour l’art-principe, alsof de kunst enkel op zichzelf reageerde. 

Het is datzelfde principe dat de kunst nu aan het opbreken is, omdat ze te lang met haar rug naar de wereld toegedraaid is geweest.

Het is de reden dat deze grote schoonmaak niet alleen een ethisch reveil is, maar ook een inhaalrace. Een poging om het heft weer in handen te krijgen. Musea en de kunstwereld proberen weer voorop te gaan lopen. Niet alleen wat het schone betreft, maar meer nog het ware en goede. Opdat de kunst weer richtinggevend is. Ze de maatschappelijk discussie naar zich toe trekt, onafhankelijk; als tegengas voor de wereld die van compromissen, gesjoemel en opportunisme aan elkaar hangt. Kunst wil weer het morele kompas zijn.

Beeld Getty Images

Overigens hebben de gedrevenheid en het opgestoken vingertje waarmee dat nu gebeurt ook iets verdachts. Het lijkt alsof de musea niet voor elkaar onder willen doen, en ze allemaal dezelfde checklist afwerken. Anti-kolonialistische tekstbordjes, check. Meer vrouwen, check. Kunstenaars met een niet-westerse achtergrond, check. Tegen onderbetaling exposerende kunstenaars en stagiaires, oké. Toegankelijk voor de gehandicapte medemens, check. Genderneutrale toiletten, yep. Geen dubieuze sponsoren en belangenverstrengeling binnen bestuur en directie, yes. Geografische spreiding van de afkomst van kunstenaars, jawel.

De checklist verbloemt dat de kunstwereld sloom achter de grote maatschappelijke discussies aanhobbelt. Discussies die zich eerder al op klimaatfora afspeelden, in de politiek, op straat, aangezwengeld door #MeToo’ers, Occupy’ers, via volksraadplegingen.

Niet in de kunst. 

Lange tijd dacht iedereen in de kunstwereld dat zij voorop liepen. Dat zij de agenda bepaalden. De vrijheid vertegenwoordigden. Dat de kunst oude grenzen verlegde en nieuwe verkende. Door de manier waarop Hans Haacke het grootkapitaal bekritiseerde, Marcel Duchamp het waardemechanisme binnen de kunst blootlegde, Anselm Kiefer de naoorlogse Duitse burgerlijkheid te kakken zette, Marina Abramović haar lichamelijkheid etaleerde.

Maar nu het gaat om ‘klimaatverandering, virulente en toenemende ongelijkheid, overblijfselen van kolonialisme, onzekerheid over democratie, burgerschap en mensenrechten’, zoals de Egyptisch-Britse Ahdaf Soueif schreef (die vanwege haar kritiek op het BP-sponsorschap het British Museum verliet), blijkt hoe log die kunst- en museumwereld is geworden. Zelfingenomen. Wereldvreemd. En dat als je drieduizend mensen in een hal in Kyoto bij elkaar zet om te discussiëren over wat er veranderd moet worden, ze er niet uitkomen.

Misschien ook wel begrijpelijk. 

De voorgestelde democratisering van de museumwereld is in Kyoto vooralsnog gestrand. Het feit dat de oude museumdefinitie langer dan 70 jaar heeft stand gehouden, zegt genoeg over de eurocentrische macht die erachter verscholen zat. Dat de nieuwe omschrijving er door de onderlinge onenigheid waarschijnlijk nooit zal komen, zegt ook veel. 

Namelijk, dat het voorgestelde doel van ‘een wereldwijde gelijkheid’ en ‘het welzijn van de planeet’ misschien iets teveel is gevraagd. Dat men zichzelf overschat. Of wereldvreemd is geworden tegenover ‘de bosbranden in de Amazone, hoogoplopende handelsoorlogen en felle identiteitsdebatten’, zoals Charles Esche, directeur van het Van Abbemuseum de huidige wereldproblemen schetst. Problemen waarin het museum volgens hem een rol kan spelen. 

Tsja, ga daar maar eens wat aan doen, met een kwast in de hand.

In New York heeft Picasso gezelschap gekregen van een zestig jaar jongere vrouw. Lees hier de reportage over de opening van het ‘nieuwe’ Moma. 

De westerse kunstgeschiedenis, maar dan aan de hand van kunstwerken van vrouwen
Wie surrealisme zegt, denkt aan Salvador Dalí of Man Ray. Drip paintings? Jackson Pollock natuurlijk. Maar wat gebeurt er als we de moderne kunstgeschiedenis eens vertellen aan de hand van vrouwelijke kunstenaars?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden