Boekrecensie Musch

Musch is een onderhoudende roman over de voorgeschiedenis van het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1672) (vier sterren)

Met bravoure en historisch vernuft reconstrueert Jean-Marc van Tol in romanvorm de voorgeschiedenis van het Eerste Stadhouderloze Tijdperk. 

Beeld Deborah van der Schaaf

Wie vroeger, onder het mom van topografie, nog de plaatsnamen van de noordelijke provincies moest kunnen opdreunen, kende ook de jaartallen van het Eerste en het Tweede Stadhouderloze Tijdperk (1650-1672, respectievelijk 1702-1747). Deze episoden waren illustratief voor de staatkundige complexiteit, met of zonder stadhouder, van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Historisch letterkundige (en tekenaar) Jean-Marc van Tol stapt dus allerminst in een gespreid bedje met een ruim 500 pagina’s tellende roman over de voorgeschiedenis van het Eerste Stadhouderloze Tijdperk. En met deze roman – zijn literair debuut – is het project nog niet ten einde: Musch is het eerste deel van een trilogie met de Hollandse raadpensionaris Johan de Witt (1625-1672) als constante factor.

Musch is vernoemd naar Cornelis Musch, de invloedrijke en welgestelde griffier van de Staten-Generaal die in de winter van 1650 vol wrok terugblikt op een leven van intriges, manipulaties en mislukkingen. Als vertrouweling van de stadhouders Frederik Hendrik en Willem II zette hij dignitarissen tegen elkaar op – teneinde zijn eigen machtspositie te verstevigen. Hij probeerde de vrede met Spanje te verijdelen en zette zich, toen die poging was mislukt, in voor hervatting van de oorlog. Om de veronderstelde belangen van de stadhouder en die van hemzelf te dienen.

Jean-Marc van Tol: Musch
Uitgeverij Catullus; 510 pagina’s; € 24,95
Vier sterren

Hij trouwde met de dochter van Jacob Cats, raadspensionaris van Holland en auteur van stichtende gedichten. Niet uit liefde, want dat sentiment was Musch vreemd, maar om zijn schoonvader te kunnen manipuleren en om te voorkomen dat Elisabeth Cats zou trouwen met Diederik Pauw, telg van een geslacht waarmee Musch zich in oorlog waande. Musch koesterde een diepe haat tegenover een ieder die hem ooit zou hebben gedwarsboomd. Hij had ‘gemeenschap’ met zijn onwillige vrouw – ‘het was geen genoegen’ – met verwekking van mannelijk nageslacht als enig doel. Hij vergaarde een fortuin met list en bedrog en pronkte met de goederen die hij daarmee verwierf.

Geen boetedoening maar wraakneming

Cornelis Musch was, kortom, geen aangenaam mens. En het gedenkschrift dat hij opstelde alvorens zichzelf van het leven te beroven was geen boetedoening van een tot inkeer gekomen zondaar maar een wraakneming op iedereen die hem tijdens zijn ambtelijke loopbaan voor de voeten had gelopen. Hij hoopte postuum zijn oude rivalen – die evenmin brandschoon waren – mee te slepen in zijn val.

Het gedenkschrift waarmee Musch dit had willen bewerkstelligen, is echter verdwenen. Na bestudering van bronnen uit Musch’ tijd, zoals de correspondentie van Johan de Witt, heeft Van Tol de lotgevallen van Musch in diens geest opgetekend. Met vermijding van archaïsch taalgebruik – gelukkig maar. Hij heeft het boek – een tikje aanmatigend – opgedragen aan prinses Amalia. Niet om haar te sarren met verhalen over een zwakke stadhouder en diens nobele tegenstrever Johan de Witt, maar omdat die verhalen lessen zouden bevatten ‘voor een toekomstige koningin voor wie de belangen van haar volk boven die van haar eigen Huis gaan’.

Het gedenkschrift van Musch spitst zich vooral toe op de gebeurtenissen die voorafgingen aan de dood van stadhouder Willem II, getekend door ‘zwerende pokken, zo ruw als schors’, en het Eerste Stadhouderloze Tijdperk. Johan de Witt, die op dat moment nog geen ambtelijke loopbaan ambieerde, speelt hierin slechts zijdelings een rol – als zoon van de Dordtse regent (en houthandelaar) Jacob de Witt, die op last van Willem II met vijf andere leden van de Staten van Holland was gevangen gezet om hun verzet tegen handhaving van het leger op oorlogssterkte de kop in te drukken. Als onderdeel van dezelfde campagne liet Willem II, aangespoord door Musch, de rebelse stad Amsterdam belegeren.

Van Tol reconstrueert deze episode met bravoure en compositorisch vernuft. De getuigenissen van Musch worden geflankeerd door die van andere betrokkenen, zoals graaf Willem Frederik, stadhouder van Friesland, de Hoornse pensionaris Nanning Keyser, graaf Frederik van Dohna en de Duitse kapitein Mumm, die troepen van de stadhouder naar Abcoude (‘Appekoude’) had moeten dirigeren, maar die in nachtelijk duister op de heide bij Hilversum ‘Helleversum’) verdwaalde – waardoor de belegering van Amsterdam mislukte. Door de opvoering van zoveel ooggetuigen die beurtelings worden opgevoerd, raakt het verhaal echter ook versnipperd. Te meer omdat de getuigenissen onderling qua karakter nogal uiteenlopen: bij de een is Van Tol dicht bij de bron – het archief – gebleven, bij de ander veroorlooft hij zich meer literaire vrijheden. En vaak vertellen de mensen die hij opvoert vanuit verschillende standpunten hetzelfde. Onderhoudend is Musch zonder meer. Maar als vermaning voor de toekomstige koningin is het boek toch te veel gesitueerd in een tijd die ons vreemd is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.