Moraal van de moderniteit

Gabriël van den Brink heeft zich altijd beziggehouden met moderniteit. In zijn nieuwe boek laat hij knap zien hoe die zich laat gelden, maar een beoordeling van wat de moderniteit toevoegt, ontbreekt....

Sommige auteurs schrijven boeken, andere auteurs werken aan een oeuvre. Hun boeken vormen tezamen één verhaal of these. De filosoof en sociale wetenschapper Gabriël van den Brink lijkt te horen tot de eerste soort. Hij heeft geschreven over agressieve jongeren, over burgerschap en de multiculturele samenleving, over het moderne gezinsleven en zelfs over de geschiedenis van Woensel. Met zijn nieuwe boek Moderniteit als opgave – Een antwoord aan conservatisme en relativisme probeert hij van deze publicatielijst een oeuvre te maken. Hij heeft de diverse onderwerpen waarover hij zich eerder heeft gebogen, onder één noemer gebracht.

Eigenlijk heeft hij zich al die jaren met maar één kwestie beziggehouden: de moderniteit. Moderniteit omschrijft hij als een breuk met wat de historicus Jan Romein Het Algemeen Menselijk Patroon heeft genoemd. Een passieve houding ten aanzien van de natuur wordt ingeruild voor een actieve houding. Een magisch wereldbeeld maakt plaats voor een wetenschappelijke kijk. Ontzag voor gezag wordt overboord gegooid. In plaats van te werken om in hun levensonderhoud te voorzien, gaan mensen werken om te bezitten. En tot slot verandert het tijdsbesef. Een cyclisch tijdsbesef maakt plaats voor een lineair tijdsbesef. De toekomst komt tot leven.

Bij zijn beschrijving van de moderniteit heeft Van den Brink een scherp oog voor de rol van moraal. Zo laat hij in de hoofdstukken over de modernisering in Woensel zien dat in de 19de eeuw in het oosten van Brabant een mentaliteitsverandering aan de economische omwenteling vooraf ging. Eerst ontstond onder invloed van de Romantiek een nieuwe gevoeligheid voor armoede. Dat leidde tot de oprichting van de katholieke liefdadigheidsorganisatie de Vincentiusvereniging om de armoede te verlichten. Daarbij werden de armen tegelijkertijd waarden bijgebracht die tijdens de latere industrialisatie uitermate goed van pas kwamen, zoals discipline, ijver, zedelijkheid, nuchterheid en leesvaardigheid.

In tegenstelling tot de ‘meesters van de argwaan’ , journalisten en wetenschappers, die elke morele oproep, elk ideaal terugbrengen tot een platvloers eigenbelang, stelt Van den Brink dat in het moderne leven het belang van waarden en idealen juist is toegenomen. Op alle terreinen zijn de eisen die we aan anderen en onszelf stellen, toegenomen. We eisen transparantie en redelijkheid van onze gezagsdragers. We verwachten niet minder dan een levensvervulling van onze geliefden. We verwachten sociale vaardigheden en betrokkenheid van collega’s of werknemers.

Het onbehagen dat alom aanwezig is, komt juist voort uit dit proces van normophoging. Omdat de verwachtingen toenemen en de prestaties daarbij achterblijven, groeit het onbehagen. Een ander effect van deze permanente normophoging is dat de selectie scherper wordt. Hoe hoger de eisen zijn op de arbeidsmarkt, hoe groter het aantal mensen dat als arbeidsongeschikte uitvalt. De stijging van het aantal scheidingen komt niet omdat de huwelijken slechter zijn, maar omdat mensen met minder geen genoegen nemen.

In de visie van Van den Brink kent de moderniteit duidelijke winnaars en verliezers. De winnaars zijn de mensen die een goede opleiding hebben en van huis uit de juiste waarden hebben meegekregen. De verliezers zijn de laaggeschoolden die van thuis geen waarden hebben meegekregen die helpen in het sociale verkeer. Van den Brink concludeert dan ook terecht dat het belang van het gezin de afgelopen dertig jaar alleen maar is toegenomen. Zijn pleidooi voor een beschavingsoffensief vloeit hieruit logisch voort. Of iemand een winnaar of een verliezer wordt van de modernisering, hangt voor een groot deel af van het gezin waarin je opgroeit. Als de samenleving de verschillen tussen winnaars en verliezers wil verkleinen, kan zij het gezin niet ongemoeid laten.

Van den Brink laat knap zien hoe de problematiek van de moderniteit zich laat gelden op allerlei terreinen. Toch is Moderniteit als opgave niet helemaal geslaagd. Het is te veel een bundel van eerder geschreven opstellen. Daardoor ontbreekt soms een rigoureuze beoordeling van wat moderniteit toevoegt aan ons begrip van agressieve jongeren of burgerschap.

Zo wordt in het hoofdstuk over agressieve jongeren gesteld dat de waarde van autonomie heeft geleid tot een assertieve levensstijl. Mensen hebben grote ego’s ontwikkeld. Ze denken vooral aan zichzelf en voelen zich snel gekwetst. In andere hoofdstukken laat Van den Brink daarentegen zien dat het op het werk en in relaties steeds belangrijker wordt om met anderen rekening te houden. Hoe valt dit met elkaar te rijmen? Opereren daar niet dezelfde grote, kwetsbare ego’s? Is de verklaring misschien dat we wel rekening kunnen houden met mensen die we kennen, maar dat die sensibiliteit in een anonieme omgeving verdampt?

Met behulp van het begrip moderniteit kan Van den Brink overtuigend laten zien waar het politieke onbehagen van Fortuyn vandaan kwam. Het is veel lastiger om te verklaren waarom het tien jaar eerder pais en vree leek in de politiek. Ook in de jaren negentig waren er immers duidelijke winnaars en verliezers van de moderniteit. Ook toen was de diversiteit al enorm toegenomen, wat tot onzekerheid kan leiden.

Van den Brink komt met een golventheorie waarbij perioden van meer vrijheid altijd volgen op perioden van restauratie. Maar dat is meer een beschrijving dan een verklaring. Opeens lijkt het vanzelfsprekend dat de revolutie van de jaren zestig en zeventig te ver is doorgeschoten en dat daar een reactie op volgt. En dat is jammer, want juist met behulp van zijn analyse van de moderniteit is een andere lezing mogelijk.

Van den Brink zegt dat de centrale waarde van de seksuele revolutie betrokkenheid is. Niet vrijheid-blijheid, maar betrokkenheid. De nieuwe aandacht voor waarden en normen komt voort uit het toegenomen belang van betrokkenheid. Juist omdat we betrokkenheid eisen, wordt steeds meer gedrag als onbeschoft ervaren. Betrokkenheid wordt ook op steeds meer terreinen geëist. Tegenwoordig neemt zelfs de sociale druk toe om je als consument je te bekommeren om de wereld, en maatschappelijk verantwoorde Max Havelaar-bananen te kopen.

Of neem de kwestie van burgerschap. Van den Brink bepleit een strategie van incorporatie van minderheden. Zij moeten actief gaan meedoen met het maatschappelijk middenveld. Het is een pleidooi waarbij ik me van harte kan aansluiten, maar het sluit naadloos aan bij het patroon van normophoging dat hij in andere hoofdstukken zo genadeloos beschrijft. Het is als burger niet meer genoeg om je aan de wet te houden en in je eigen levensonderhoud te voorzien – je moet ook vrijwilligerswerk doen om voor vol te worden aangezien. Je moet betrokkenheid tonen.

Zo bezien is er geen sprake van restauratie, maar een nieuwe morele stap in de voortgaande modernisering. Pieter Hilhorst

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.