Monika Rinck dwingt de lezer keer op keer in ongemakkelijke positie

Zinnelijke poëzie

De openingswoorden schieten de lezer meteen aan flarden: 'Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen'. Ben ik een meerkoppig publiek? Een zwerm bijen? De lezer valt uiteen in een onbestemde groep. Uitwijken naar een volgend gedicht biedt geen uitkomst: elk gedicht in deze bundel dwingt de lezer met min of meer gelijke beginwoorden in zijn ongemakkelijke positie.

Dwaalplezier

Lezen is altijd al een eenzame aangelegenheid. Honingprotocollen lezen is van een geïntensiveerde eenzaamheid, omdat er geen greep te krijgen is op de 'wij' waarvan ik deel moet uitmaken.

Zo ongewis als mijn lezerspositie, zo zeker lijkt de vertellersinstantie. Deze weet meer dan ik en wij, wordt gesuggereerd. Er is in elk geval sprake van protocollen, regels, structuren. De dichter wil niet zozeer zichzelf als wel een systeem een stem geven, met wetmatigheden die onregelmatigheden en absurditeiten vertonen.

De tweetaligheid van de bundel verhoogt het dwaalplezier. Het klankrijke Duits en de secuur - maar niet streng - door Miek Zwamborn in het Nederlands vertaalde regels vullen elkaar aan. Enkele regels zijn op muziek gezet, waarvan het notenschrift is opgenomen. Deze bladzijden hebben een ironisch effect. De dichter, die een ontluisterende wereld neerzet, wil best een deuntje laten horen.

Wellustig

Monika Rinck (Zweibrücken, 1969) geeft zich over aan zinnelijke beschrijvingen, wat iets anders is dan dat zij sensuele poëzie schrijft. Aan het woord is iemand die zoekt naar de rijkdom van de zintuigen en het wellustige, en vooral geniet van het contrast met het analytische en taalkundige. Je indruk is niet op waarheid gebouwd,/ merkt het honingprotocol op, schier versierde zoetheid. Ging daar je/ tongetje overheen? Tongde de weegschaal?

De dichter schrijft niet over de hedendaagse wereld, maar spreekt met de tongen van een maatschappij die onbeheersbaar is. Zij is deze wereld - die uiteenspat van overmaat en net zo gemakkelijk krimpt van ellende en armoede - zelf geworden.

En dan is er soms zomaar het heldere beeld. Dit komt te midden van de overdaad aan indrukken aan als een schok:

Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen, die twee jonge mannen/ staken van wal op een trampoline. Die had een verend dek/ waarop zij lagen, drie masten en ja, die masten tilden en kiepten/ het ding op zijn kant, en nee, die twee vielen niet overboord./ Eerst zag ik dat alles van onderaf, toen was ik alg. Daarna zag ik het/ gestreept van opzij, toen was ik riet. Later, toen ik hemel was,/ zag ik die twee van bovenaf. Zij zeilden punterend en vlot, schenen/ het in de vingers te hebben. Maar daarna zag ik hoe ze kiepten en zonken!/ Het meer sloot de trampoline in zijn hart.

Deze laatste regel roept zoveel op dat de tijd even stil lijkt te staan. Alsof dat nog niet genoeg is, wordt de dichter grond, het meer graaft haar in. Ze wordt trampoline en spuwt de twee mannen met een boog op de promenade, waardoor de vertelling zichzelf in de staart bijt. Het meer kwam tot zichzelf, stroomde weer in mij samen. De lezer valt - hoe gespleten ook - samen met de dichter. Alles kan opnieuw beginnen.

Meer over

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.